Skip to main content

Full text of "Neerlands Krijgsroem in Insulinde: Schitterende daden van moed, beleid, trouw en zelf-opoffering ..."

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 






I- 




^1 







H 
366 


^^H^B^H 


v.1 

f 


^^^^^A.. S. H. BOOMS ^M 

l»V- i^a-Col ita tril S«l 19.1. I«nr ^^^H 


1 


NEERLANDS KRIJGSRC^ 


1 


INSULINDEJ 


1 


OEEL ^^^^^1 


1 _^ 




^^^^^ 







'^'^Rl^i^ 



NEEBLANDS KRUÖSROEM 



IN 



INSULINDE 



Le sort Ie plas beau, Ie plus digne d'envie, 
C'est d'être utile et oher & sa patrie. 



«*«**** 



Neerlands Krijgsroem 



IN 



INSULINDE 



SCHITTERENDE DADEN 

VAN 

MOED, BELEID, TROUW en ZELFOPOFFERING 

m DE 

NEGENTIENDE EEUW 

8EDEBT DE IN8TELLIKG TAN DE 

MILITAIRE WILLEMSORDE 



DOOR 



A. S. H. BQOMS 

gep. Luit-Kolonel van bm Ned. Ind. Leger 
Ridder M. W. O. 4« kl 



EEBSTE DEEL 



'S GBAVENHAGE 
W. P. VAN STOCKUM & ZOON 

1902 







/,/ 



OE NED. BOEK. EH 8TEENDRUKKERIJ v/H H. L. SMITS, 
WE8TEIN0E 186 VORAVENHAGE. 



^^l;>U^03^ 



(§>^ n^eAen-netf^^ 



aan- 




t'Tl 



^^/ lA^u^! (ytió/^'^ 



tftot 



^ t/// téieU 



o^i^e^Aa^^^ 



(si. 



an 



oJfei ?)ï:^deJaf,d<,c4e ^^ 



cioot 



c/en (Sc/ttyvet 



J 



INLEIDING 

Zoo wacht onsterfmke eer de braven na den strijd. 
Doch marmer of metaal, die kloek bestaan van helden 
Of daar verworven roem aan 't nageslacht vermelden , 
Verbreiden wel een naam, met eeawig licht omstraald, 
Maar niet tot welk een pr\js die naam in 't marmer praalt. 
J. VAN 's Gravbnwbbbt, Gedonkstak van Lacem. 

«Onbekend maakt onbemind !» zegt een spreekwoord en onte- 
genzeggelijk is dit in het bijzonder van toepassing op de meeste 
helden van het Indische Leger, want de leden van het groote 
publiek in Nederland, en zelfs zij die de beroemde krijgslieden 
der oudheid en van vroegere eeuwen of van andere rijken op hun 
duimpje kennen, zijn onbekend met de meeste namen hunner 
dappere landgenooten , die in Indië goed en bloed veil hadden 
in den dienst van het Vaderland. 

Wanneer ontzettende tegenspoeden, zooals het verraad van 
Lombok, het Indische Leger beroeren en tot in zijne grond- 
vesten doen trillen van smart en verontwaardiging, dan vindt 
dat in Nederland weerklank en de geheele Natie staat als één 
man gereed , om , de traditie der voorvaderen getrouw, de broeders 
in Indië te helpen en bij te staan, maar overigens herdenkt men 
die dapperen en roemt de zelfopoflfering en trouw dier braven 
slechts met pralende woorden in deftige redevoeringen, als dit voor 
een knaleflfect of fraaie zinswending noodig is , of wanneer bij het 
tintelen van den wijn en het klinken der bokalen de stroom van 
toespraken is losgebroken en ook dat onderwerp niet gemist kan 
worden ; verder geven de meesten van het groote publiek zich 
geen moeite , om meer bekend te worden met de bijzonderheden 



Z INLEIDING 

van datgene , wat door Neerland's dappere zonen in Indië wordt 
verricht 

En dit is eenigzins natuurlijk en te verklaren, want de belang- 
stelling blijft wel groot, maar er is zooveel onbekends daar in 
die verre , verre gewesten , en er wordt zooveel waars en onwaars , 
zooveel phantasie en werkelijkheid omtrent dat voor velen onbekende 
Insulinde door elkaar gehaspeld, dat menigeen daarin aanleiding 
vindt, om zelfs de meest geloofwaardige verhalen met eenonge- 
loovig lachje als overdreven aan te nemen, en schouderophalend 
bij zich zelven te zeggen, «als het vierde part waar is, is 't nog 
«mooi !» 

Bovendien dringen de namen dier helden en hunne roemrijke 
feiten zoo zelden tot het groote publiek door, want al zijn er 
ook tal van kundige en zeer ervaren schrijvers die hunne wei- 
versneden pen opvatten om al het belangrijke en gewichtige der 
Indische krijgsgeschiedenis te boekstaven, slechts weinigen waren er, 
die eene enkele maal eenige afzonderlijke heldenfeiten meer om- 
standig beschreven; de meesten geven algemeene beschrijvingen 
van gevechten en troepenbewegingen, doch halen schitterende 
wapenfeiten slechts als ter loops in weinig woorden aan , zoodat 
die door de groote reeks van verhaalde gevechten en marschen 
aan den gewonen lezer ontgaan, of niet die aandacht trekken die 
zij verdienen; dergelijke werken gelijken veel op een kostbaren 
band van edel metaal , sierlijk, met veel kimst en gevoel bewerkt 
en met diamanten bezet, doch waarbij die edelsteenen aan de 
aandacht van den oppervlakkigen beschouwer ontsnappen, daar 
zij , door lofwerk en arabesken bedekt , niet tot him recht komen, 
al zijn zij nog van zoo zuiver water, want hun glans gaat achter 
het bijwerk verloren, dat op zich zelven schoon en indrukwekkend > 
het allereerst en bijna alleen de aandacht trekt. 



D^LEIDINÖ 



En een grooten factor die bij de meesten zeer gebrekkig en toch 
zoo noodig is, is de maatstaf ter grondige beoordeeling dier 
heldenfeiten , want slechts weinigen kunnen volkomen over 
het moeielijke en het gevaarlijke der Indische krijgsverrichtingen 
een juist oordeel vellen, ook zij niet die in Indië geweest zijn, 
want ook die zullen in de schatting der hinderpalen beneden de 
werkelijkheid blijven ; slechts zij , aan wie het gegeven was den strijd 
mede te maken, kunnen ten volle weten wat het zeggen wil, 
oorlog te voeren in dat tropische klimaat, met zijne woeste ter- 
reinen en zijne verraderlijke inboorlingen. 

Zelfs eene Willemsorde in Nederland gedragen, trekt de bij- 
zondere aandacht der landgenooten niet, ten minste niet meer 
dan het kruis van elke andere Nederlandsche Orde, want men 
beseft niet dat, hoe schoon die anderen Orden ook zijn, de 
Militaire Willemsorde de schoonste is en zelfs onder de Europeesche 
Ridderorden door hare waarde eene eerste plaats inneemt , omdat 
invloed en Vorstengunst blijkens de statuten geheel zijn buiten- 
gesloten en voor Neerland's zonen dat juweel alleen te ver- 
overen is , door het kostbaarste te wagen wat den mensch gerekend 
wordt te bezitten , zijn leven. 

Wanneer een telegram in de dagbladen bijvoorbeeld meldt, 
«Na een tweedaagschen marsch bereikte eene patrouille onder 
«de kapitein N . . . eene vijandelijke nederzetting te B . . . . ; die 
«nederzetting werd genomen en den vijand uiteengedreven , waarbij 
«wij slechts één doode en vier gewonden bekwamen, waaronder twee 
«zwaar; een dezer overleed reeds bij de terugtocht,» dan wordt 
dit meestentijds eenvoudig voor kennisgeving aangenomen en trekt 
wellicht minder de aandacht, dan het bericht eener verbrande 
boerderij , waarbij al 't vee omkwam , «dat niet geassureerd was^» 



4 INLEIDINa 

want aan dergelijke berichten uit Indiê is men gewoon en be- 
vroedt niet, wat gedurende dien opmarsch van twee dagen en dien 
even langen terugtocht geleden en doorgestaan wordt door die 
patrouille, wier feit slechts zoo kort in een paar woordenis vermeld. 

Het zijn vier dagen van afmattende en uitputtende worsteling 
in een moordend klimaat, door zoo goed als onbegaanbaar terrein; 
het zijn drie nachten in de open lucht , gedeeltelijk wakende , 
dikwerf in natte kleeding en slechts met een steen tot hoofdkussen 
doorgebracht; het is een strijd van i tegen lo, een gevecht 
t^en een goed verschansten vijand; het is een terugtocht met 
zwaargewonde makkers, waarvan één gedurende dien terugmarsch 
overleed, wiens lijk zoo mogelijk toch wordt medegevoerd uit 
kamaraadschappelijke piëteit, om het eene eervolle rustplaats te 
bezorgen en te behoeden voor de schendende vijandelijke hand. 

Er waren dus slechts twee dooden en drie gewonden, maar 
niemand weethoevelen van de laatsten nog bezwijken, trots de 
zorgvolle verpleging onzer nooit genoeg geroemde Ambulance- 
dienst, hoevelen voor geheel hun volgend leven in hunne ge- 
zondheid geknakt zijn geworden 

£n voor dat alles, als eenige opwekking, de hoop om den 
vijand te kunnen verslaan, als eenige belooning, de voldoening 
het doel bereikt te hebben, als eenige aansporing tot volharden, 
plichtbesef. 

Zoo'n telegram, dat in enkele woorden eene geheele episode 
van heldhaftige worsteling vermeldt, is een oogenblik na de 
lezing reeds vergeten, omdat de lezer wegens onbekendheid met de 
omstandigheden, die op de krijgskundige handelingen zoo storend 
inwerken en volhardend overwonnen moeten worden, de diepe 
beteekenis niet voelt en omdat dergelijke telegrammen in de 
laatste 25 jaar als 't ware gewoonte zijn geworden; alleen zij 



INLEIDING O 

die een oordeel kunnen vellen en vooral zij die daardoor in 
rouw gedompeld worden, herinneren zich nog lang die veel 
beteekenende woorden. 

De hardnekkige strijd die het Indische Leger zoo dapper in 
die verre gewesten voert, bezit in hooge mate het bijzondere 
dat de krijg tegen Indische volksstammen kenmerkt. 

Er is geen georganiseerd vijandelijk leger dat in het open veld 
stand houdt en verslagen moet worden, maar de vijandelijke 
krijgsmacht bestaat uit kleine, roovende, plunderende benden, 
die heden bijeen zijn en morgen uit elkaar gaan, om elders 
weder op te duiken, onvatbaar en meestentijds onzichtbaar, de 
echte guerilla; het is een vijand gluipend, loerend, sluw, dweep- 
zuchtig, listig, die een enkele maal in dolle blinde woede aan- 
valt, maar er overigens de voorkeur aan geeft om den troep 
bij verrassing te overrompelen en van achteren aan te vallen. 

Van de woeste terreinen waar de troepen moeten opereeren 
bestaan meestentijds, althans in het begin, geen kaarten, geen 
terreinbeschrijving en geen statistieke opgaven , of zoo die al be- 
staan, zijn zij gewoonlijk saamgesteld naar Inlandsche gegevens, 
die weinig betrouwbaar zijn, zoodat te voren geen vast operatie- 
plan te maken is. 

De bevolking is ons heden vredelievend gezind, maar staat 
morgen vijandig tegenover onze soldaten, die zij een oogenblik 
te voren nog gastvrij ontvingen, doch even later met verborgen 
gehouden wapenen aanvallen en bestrijden ; overal broeit opstand 
en smeult verzet, al is er ook geen rook zichtbaar die den brand 
verraadt, en wordt een der brandpunten van opstand genomen 
en getuchtigd, dan vormt zich een zelfde centrum weder op 
verren afetand. 



6 INLEIDING 

Ten einde de feiten juist en grondig te kunnen beoordeelen 
en op hunne rechte waarde te schatten , is het noodig in het oog 
te houden , dat die volbracht werden : 

in eene luchtstreek, met een moordend klimaat, waar de tropische 
zon de huid verschroeit en zelfs den sterkste eindelijk machteloos 
maakt en uitput; waar de alles overstelpende stortregens vanden 
West-moesson den krijger soms dagen achtereen in natte kleeren 
doen blijven, die van koude rillende, eene rustplaats voor zijne 
moede leden op den doorweekten bodem moet zoeken ; waar zoo- 
wel de zon als de regen ziekten verwekken die menig dapper sol- 
daat, hoe gehard ook, ten grave sleepte, of in zijne gezondheid 
geknakt, te vroeg aan zijn nuttigen werkkring onttrok; 

op terreinen, waar bijna eindelooze marschen gemaakt moeten 
worden langs zoo goed als onbegaanbare paden, of door on- 
gebaande eeuwenoude wouden, waar voor elke pas voorwaarts 
het struikgewas of de doomige lianen met het kapmes en den bijl 
moeten worden opgeruimd en soms de met rotsblokken bezaaide 
bedding eener woest stroomende rivier nog de eenigste en gemak- 
kelijkste weg is. al struikelt de soldaat ook telkens over de 
ongeziene hinderpalen onder het watervlak ; waar de troep voor- 
waarts rukt, stijgende en dalende langs hemelhooge rotsen, waar 
zelfs de ongeschoeide voet van den daaraan gewenden inboorling 
slechts met ongehoorde inspanning de natuurlijke hindernissen 
overwint, langs steile hellingen, glibberig door den regen of den 
zwaren nachtelijken dauw , waar dikwijks maar even plaats is om 
den voet te zetten en elke misstap een doodelijken val in den 
peilloos diepen afgrond ten gevolge kan hebben ; waar de richting 
van den marsch voert door waterloopen, die in gewone tijden 
doorwaadbaar, na hevige stortregens tot alles vernielende stort- 
vloeden zijn gezwollen, door natte sawah's, waar de troep de 



INLBIDINO 



smalle, glibberige dijkjes moet volgen, dan wel tot de knieën in 
de modder wegzakt, of over brandend heete vlakten zonder 
eenige schaduw , waar de krijger van dorst versmacht en dikwijls 
uitgeput amechtig neerzinkt; waar de gids, die den troep den weg 
zal wijzen , dikwerf zelf het spoor bijster raakt , wat tot afinattende 
omw^en aanleiding geeft en de aanvoerder nog ten slotte de 
richting moet volgen, die kompas of inzicht hem aanwijzen; 

in landstreken, waar zelfs de zich aan ons het meest ge- 
hecht voordoenden inboorling niet altijd te vertrouwen is en men 
elk plan om den vijand te verrassen of te overvallen tot het 
allerlaatste oogenblik voor allen stipt geheim moet houden, om 
te voorkomen dat de tegenstander daarvan ontijdig kennis draagt ; 
waar denachtmarschen en nachtelijke overvallingen van de krachten 
van den troep het bijna onmogelijke eischen , omdat de hinderpalen, 
bij dag reeds zwaar, nu eindeloos vergroot worden door de duister- 
nis, zoodat men op die onbekende terreinen, den niet altijd ver- 
trouwbaren gids volgende, zijn weg als ^t ware op den tast moet vin- 
den , de huid openrijtende aan struiken met lange giftige doornen , 
het lichaam bloedende door de steken der van de boomen vallende 
bloedzuigers, of brandende van den beet van reusachtige mieren, 
wier nesten verstoord werden door den een rustpunt zoekenden 
voet; waar men in de duisternis voortgaande, telkens struikelt 
over ongeziene hinderpalen, zich afgemat en gekneusd weder 
oprichtende, altijd in gespannen verwachting zijnde van eene 
onverwachte ontmoeting met den vijand, die overal verborgen 
loert en spiedt, trachtende met den blik de duisternis te doorboren, 
het gevaar nabij voelende en toch niet wetende van waar de 
tegenstander komen zal, of waar wellicht de ontrouwe gids ons 
in eene hinderlaag wil voeren ; waar men dan zonder iets te zien 
zich vermoeid voortsleept zonder rust en zonder verademing en 



«f 

8 INLEIDING 

toch zonder een klacht te uiten, zwijgend in doodsche stilte 
voortgaande, omdat het minste geluid aan den waakzamen, alles 
waarnemenden vijand het plan zou venaden en de met zooveel 
geduld op touw gezette onderneming op het laatste oogenblik 
doen mislukken, want als de tegenstander zich in de minderheid 
gevoelt , dan verdwijnt hij spoorloos , waarna hij weder naar een 
nieuw te ontwerpen plan moet opgezocht worden; 

in gewesten, waar men den strijd aanbindt met een dik- 
wijls onzichtbaren vijand, zich gemakkelijk en snel bewegende, 
bekend met alle schuilhoeken en door niets te onderscheiden van 
den vreedzamen burger, zoodat het eenvoudig verbergen zijner 
wapens in een nabijzijnd struikgewas, hem als niet-strijder in 
ons oog onschendbaar maakt; een vijand, standvastig, moedig en 
volhardend, doch verraderlijk en trouweloos als een vulgairen 
roover, wreed, woest, fanatiek en haatdragend, geen mededoogen 
of geen genade kennende en genot vindende in het martelen 
der ongelukkigen die in zijne handen vallen, zoodat de onzen een 
strijd voeren op leven en dood, want van overgave, gewond of 
niet, kan van onze zijde geen sprake zijn; het is een strijd 
waarbij wij bijna altijd aanvaller moeten zijn en nooit het getal der 
vijanden mogen tellen, al is de overmacht ook nog zoo overstelpend, 
want de ztgQ moet behaald worden ten koste van alles; is 
de overwinning onmogelijk, dan moet strijdende den terugtocht 
worden aanvaard, zonder één gewonde achter te laten, en is ook 
dat onmogelijk, dan is het beter den makker uit medelijden zelf 
het genadeschot te geven, om hem voor marteling te behoeden; 
zelfs voert men zoo mogelijk de dooden mede, want ook die 
heilige overblijfselen zijn niet veilig voor 's vijands schendende hand. 

Dus zoowel klimaat , als terrein, bevolking en vechtwijze vormen 
een treffend verschil met alles wat men daarvan in Europa en 



IMLBIDING V 

bij beschaafde natiën waarneemt; er wordt in Indië oorlog ge- 
voerd met fanatieke, in alles onbetrouwbare volksstammen, die 
niet alleen den Nederlander haten , omdat hij Nederlander en de 
meester, de overheerscher, maar ook omdat hij een Kafir, 
een Christenhond is; volkeren moeten worden bestreden die opge- 
zweept worden door de hoofden en de priesters , die wel voorgeven 
hunne vrijheid, hunnen godsdienst en him land tegen de over- 
weldiger te verdedigen, doch die alleen haat en dweepzucht 
onder het volk gaande houden om, kleine tirannen als zij zijn, 
vrij te kunnen heerschen zonder de lastige controle eener be- 
schaafde natie, en naar hartelust straffeloos te kunnen rooven, 
moorden en plunderen, het volk uitzuigende en de laagste klasse 
tot slaven makende. 

De guerüla-oorlog in Indië is een van de kwaadaardigste 
soort, een oorlog a outrance^ wreed, onmenschelijk en zonder 
eenige genade van 'svijands zijde. 

In de volgende bladzijden is getracht de namen onzer helden 
aan de vergetelheid te ontrukken, door hunne bijzondere hel- 
denfeiten bijeen te garen, want de geheele natie heeft er niet 
alleen belang bij die schitterende daden van Neerland's zonen 
te kennen, maar het is zelfs haar plicht, opdat zij die dapperen , 
die daar ginds goed en bloed veil hebben voor haar belang, 
naar verdienste kan schatten. 

Weg met alle misplaatste bescheidenheid! 

Laten wij Hollanders met de waarheid schitteren waar die zoo 
onvergelijkelijk schoon en verheven is, en de helden van het 
Indische Leger waardig verheffen uit de vergetelheid en onbe- 
kendheid. Nederland is dat verplicht aan hen, die om een sprankje 
eer en roem voor het Vaderland te behalen en Neerland's gezag te 



10 INLEIDING 

handhaven, als helden streden en duldden , en het offer van bloed 
en leven brachten. 

Moge de in de volgende bladzijden geboekstaafde, van alle 
bijwerk ontdane heldenfeiten als voorbeelden getuigen , wat elk van 
Nêerland's zonen in die verre gewesten, vèr van hun geboorte- 
grond en gescheiden van magen en vrienden in staat is te 
verrichten in het belang van het vaderland, strijdende onder de 
Oranjevaan en Nêerland's driekleur, overwinnende of stervende 
met den kreet van . . . «Leve de Koningin !» op de lippen , een 
kreet die de hijgende borst in den heeten strijd juichend ontsnapt 
en wonderen doet verrichten, zegevierende onder de begees- 
terende toonen van het geliefde Wilhelmus , en leven en gezond- 
heid veil hebbende om himne zware en gevaarlijke taak getrouw 
te volbrengen, slechts geleid door plichtsbesef en de hoop om 
een enkelen lauwer te verwerven, in ruil voor zooveel moed en 
zooveel zelfopoffering. 

Hoewel de inhoud dezer bladzijden, hoe welgemeend het pogen 
ook was, voorzeker slechts zeer gebrekkig weergeeft, wat op zich 
zelf zoo heerlijk schoon, zoo schitterend, zoo verheven en be- 
wonderenswaard is, zoo moge toch door de lezing daarvan de 
roemrijke namen onzer helden en hunne dappere daden zich in 
de herinnering hunner landgenooten eene eereplaats veroveren 
en voor het nageslacht ter navolging bewaard blijven met die 
onzer roemruchte voorvaderen ; moge het aan deze beschrijvingen 
gegeven zijn, dat na kennisnneming dier heldenfeiten, elk 
Nederlander zich vol bewondering één gevoelt met dat dappere 
Leger in de tropen, en moge ten slotte aan allen diep gevoeld 
en innig overtuigd], in geestdrift en uit volle borst de juichkreet 
van de lippen vloeien, 

Leve het Indische Leger! 



ALGEMEEN OVERZICHT 

Die Schilderung der Siege welche das 
eigene Heer mit Bahm bedeckten, erfüllt 
jedes Mitglied dosselben mit edlem National 
Stolze. 

J. B. Schels, tjber Geschichte. 

Van de instelling af der sedert zoo beteekenisvol en roemrijk 
geworden Militaire Willemsorde door Neerland's Eersten Koning, 
moesten gedurende de 19® eeuw door de Indische krijgsmacht 
verschillende onlusten, ongeregeldheden en opstanden bedwongen 
en noodzakelijke oorlogen gevoerd worden , ten gevolge waarvan 
't noodig was telkens expeditiën van meer of mindere sterkte uit 
te zenden, bestaande alleen uit Landmacht, of alleen uit Zee- 
macht, of uit beiden te samen, zoodat eigenlijk geen enkel jaar 
in de 19® eeuw voorbijging, zonder dat onze troepen in het 
een of ander deel onzer uitgestrekte Oost-Indische bezittingen 
een vijand te bestrijden hadden, 

18 16 Onlusten in het Krawangsche. 

1817 Onlusten in de Molukken; de geheele krijgsmacht der i® 
expeditie, onder majoor P. J. Beetjes, vernietigd. 

Tweede expeditie naar de Molukken (Saparoea, Ha- 
roekoe en Ceram). 

1818 Onlusten in Cheribon. 

181 9 Opstand in Palembang. Eerste expeditie derwaarts. 
Onlusten op Celebes. 

1820 Opstand op Riouw. 
Onlusten op Banka. 

1821 Tweede expeditie naar Palembang. 

1822 Onlusten en daarna opstand der Padrie's (Sumatra's West- 
kust). Deze onlusten en de daaruit voortkomende ver- 
schillende opstanden duurden met geringe tusschenpoozen 



12 ALeEMEBN OVERZICHT 

van schijnbare rust , zelfs na de verovering van het hechte 
bolwerk der Padrie's, Bondjol, op den 19®" Augustus 1837, 
nog tot het jaar 1841. 

1824 Opstand op Celebes (Boni). 

1825 Opstand op Java (Djokjakarta). Begin van den Java-oorlog, 
die zonder tusschenpoozen duurde tot 28 Maart 1830, den 
dag waarop Diepo Negoro gevangen genomen werd. 

Deze oorlog nam de krachten van ons leger zoodanig in 
beslag, dat gedurende dien tijd van een eenigszins uit- 
gebreid machtsvertoon in andere deelen van den Archipel 
zoo goed als geen sprake kon zijn. 

1827 Vijandelijkheden met den Sultan van Matam (Bomeo) tot 
en met het jaar 1828. 

1832 Oproer der Chineezen in Krawang, 

1834 Expeditie naar de Lampongs. 

1843 Gevechten tegen de zeeroovers. 

1846 Eerste Balische expeditie. 

1848 Tweede Balische expeditie. 

1849 Derde Balische expeditie. 

1850 Onlusten in Bantam. 

Onlusten onder de Chineezen (Wester Afdeeling van Borneo). 
Onlusten op Banka. 

1851 Expeditie tegen Amahey en Mahariko (Ceram). 
Opstand in Palembang. 

Expeditie naar de Lampongs. 

1853 Onlusten onder de Chineezen (Wester Afdeeling van 
Bomeo). 

1854 Onlusten in de Palembangsche Bovenlanden. 
Expeditie naar Bomeo's Westkust. 

1856 Expeditie naar Tomiri (Molukken). 
Expeditie van Mandar (Celebes). 

Onrustige bewegingen der Chineezen op Riouw. 
Expeditie naar de Lampongs. 

1857 Expeditie naar Timor en Flores. 
Expeditie naar Siak. 



ALGBMBEN OYEBZICHT 13 

Onlusten in het Palembangsche. 

1858 Tuchtiging der Berg-Alfoeren op Ceram. 
Expeditie tegen Djambi. 
Ongeregeldheden in Palembang. 

Ongeregeldheden der Chineezen in Cheribon en Krawang. 
Expeditie naar het landschap Reteh (Oostkust Sumatra). 
Verzet op Bali. 

1859 Onger^eldheden in het Sintangsche (Wester Afdeeling van 
Bomeo). 

Eerste Bonische expeditie. 
Onlusten en krijgsverrichtingen in Palembang. 
Opstand te Bandjermasin (Zuid- en Ooster Afdeeling van 
Bomeo). Deze opstand en de krijgsverrichtingen tenge- 
volge van de onlusten die daaruit voortvloeiden, duurden 
met enkele tusschenpoozen van rust tot 1871. 
Tweede Bonische Expeditie. 

1860 Onlusten op Ceram. 

Opstand te Semarang der tot het Leger behoorende 
Zwitsersche huurtroepen. 

1 86 1 Krijgverrichtingen tegen de zeeroovers op het eiland Saljoesoe 

1862 Vernieling der rooversvloot bij de Sangir-eilanden. 
Expeditie naar Manipi en Toeroengan (Celebes). 
Expeditie naar Mandar (Celebes). 

1863 Expeditie naar Nias. 

Expeditie naar de Torothea-landen (Celebes). 

1864 Verwikkelingen in het Sintangsche (Wester Afdeeling van 
Bomeo). 

Expeditie naar Marahoenoe (Ceram). 

1865 Strijd tegen de zeeroovers bij Menado (Molukken). 
Expeditie naar Assahan en Serdang (Oostkust Sumatra). 
Onlusten op Ceram. 

1866 Expeditie naar de Pasoemah-landen (Palembang). 
Expeditie naar Ceram. 

1867 Expeditie naar Mandar (Celebes). 

1868 Verwikkelingen op Bali. 



14 ALGBMEBN OVERZICHT 

1870 Demonstratie tegen den Mentawei- Archipel (Westkust 
Sumatra). 

1871 Ongeregeldheden in Pekalongan. 

1872 Verwikkelingen in het landschap Deli (Oostkust Sumatra). 

1873 Begin van den oorlog met het Rijk van Atjeh. 
Vertrek der eerste en tweede expeditie. 
Ongeregeldheden in Benkoelen. 

1874 Inneming van den kraton te Atjeh. Dood van den Sultan. 
Blijvende bezetting van dat Rijk. 

1875 Onlusten op Ceram. 
Ongeregeldheden op Menado. 

1876 Expeditie naar Siak. 

Ongeregeldheden op Halmaheira (Molukken). 

1877 Expeditie naar Langsar (Oostkust Sumatra). 

Onlusten op Celebes, opstand van Kraeng Bonto Bonto. 

1878 Expeditie naar Silindoeng. 

Vernieling van het zeerooversnest te Manoera (Zuid Flores). 

1880 Ongeregeldheden in Koetoeardjo (Bagelen). 

1881 Ongeregeldheden te Takalar (Celebes). 
Woelingen in de Ommelanden van Benkoelen. 
Zamenzwering in Palembang. 

1882 Verwikkelingen met Indragiri (Oostkust Sumatra). 
Onlusten in de Boven-Doesson (Zuid en Ooster Afdeeling 
Bomeo). 

1883 Ongeregeldheden in de Tobah-landen (Midden Sumatra). 
Ongeregeldheden te Amoenthai (Zuid en Ooster Afdeeling 
van Bomeo). 

1884 Expeditie naar Tenom (Westkust Sumatra). 

Onlusten onder de Chineezen te Mandor (Wester Afdee- 
ling van Bomeo). 

1885 Expeditie naar Mandor. 

Poging tot opstand in de Palembangsche Bovenlanden. 
Expeditie tegen de zeeroovers (Oostkust Sumatra). 
Gewapend verzet in de Noorder Distrikten van Celebes. 
Onlusten in Djambi. 



ALGEMEEN OVEBZICHT 15 

Ongeregeldheden te Poeloeng (Madioen). 

1886 Expeditie tegen de zeeroovers te Batoe Barah (Oostkust 
Sumatra). 

Moeielijkheden met de Raja Battaks (Oostkust Sumatra). 

1887 Onlusten in Troemon (Westkust Sumatra), 
Onlusten in de Toba-landen (Sumatra). 

1888 Onlusten te Tjilegon (Bantam). 
Woelingen in Midden- en Oost-Java. 

1889 Expeditie naar Edi (Oostkust Sumatra). 
Onlusten in de Toba-landen. 

Tuchtiging van de onruststokers in de Geelvinkbaai 
(Nieuw Guinea). 

1890 Expeditie naar Flores. 

Krijgstochten naar de onafhankelijke grenslanden (Suma- 
tra's Westkust). 

1891 Expeditie naar de Tebidah streek (Wester Afdeeling van 
Bomeo). 

1892 Rustverstoring op de Aroe-eilanden. 

1893 Invallen der Atjehers in het Noorden van de Residentie 
Oostkust van Sumatra. 

Tuchtiging der Aroe-eilanden. 

1894 Beide expeditiën naar Lombok. 

1895 Rustverstoring in de Afdeeling Sampang (Madura). 

1896 Verwikkelingen in de onder-afdeeling Melawie (Wester 
Afdeeling van Bomeo). 

Ongeregeldheden in de onderafdeeling Amfoeang (Timor). 
Ongeregeldheden in de onderafdeeling Oost-Lombok. 

1897 Ongeregeldheden in midden-Lombok. 
1899 Rustverstoring te Parigi (Menado). 

Herhaalde ongeregeldheden der mijnwerkers op Banka. 
Expeditie tot onderwerping der onafhankelijke landen V 
Kota's (midden Sumatra), tengevolge himner rooftochten 
op ons gebied. 

Rustverstoring te Kendangan (Zuid- en Ooster Afdeeling 
van Bomeo). 



16 ALGBMBEN OVERZICHT 

1900 Begin der onlusten in Djambi. 

Voortzetting van den Atjeh-oorlog sedert 1873. 

Gedurende datzelfde tijdsverloop werden in de Militaire Wil- 
lemsorde opgenomen, 

46 Grootkruizen, 
80 Kommandeurs, 
364 Ridders der 3® klasse, 
4952 Ridders der 4® klasse, 
ongerekend de talrijke «Eervolle Vermeldingen» (gouden kroon) 
en de voor betoonde dapperheid als Koninklijk eereblijk ge- 
schonken «Eeresabels». 

Die onderscheidingen werden door Neerland's Vorsten , Groot- 
meesters dier orde, verleend voor ongemeen schitterende wapen- 
feiten door Nederlandsche Elrijgslieden, zoowel van de Land- als 
van de Zeemacht, bedreven bij de krijgsverrichtingen in Europa, 
Oost-Indië, Japan en Afrika, en van dat aantal onderscheidingen 
viel het grootste gedeelte , vooral wat de Ridders der 3® en 4® klasse 
betreft, aan de dappere Indische krijgsmacht ten deel, 

In aanmerking nemende dat de Militaire Willemsorde, blijkens 
de statuten , niet door gunst kan verkregen worden , doch alleen voor 
werkelijke verdiensten in den oorlog, voor speciaal erkende bewijzen 
van moed, beleid en trouw, dan spreken die cijfers alleen meer 
dan boekdeelen kiumen verhalen, dantoonen zij, dat de helden- 
geest van Neerland's voorgeslacht zich nog in al zijne kracht 
doet gelden en dan doen zij nog tallooze daden van moed, 
beleid en trouw vermoeden, die óf met eene «Eervolle Vermelding», 
óf, met eene «Eeresabel» beloond werden, óf onbeloond bleven, 
want menige roemrijke daad gaat ongemerkt voorbij en blijft 
onbekend , omdat de bescheiden held óf zijne daad van te geringe 
waarde schat om eene belooning te verdienen, óf zich voldoende 
beloond acht door het streelende bewustzijn zijn plicht, ja meer 
dan zijn plicht te hebben gedaan. 

Die cijfers, in verband met de jaartallen der in 't kort opge- 
geven krijgsverrichtiugen , verhalen eene reuzenworsteling van eene 



ALaBMEBN OYBRZICHT 



17 



kleine, goed gediciplineerde, dappere krijgsmacht, om de rust 
te bewaren en dikwijls ontzachelijke opstanden te dempen in 
onze uitgestrekte kolonie met zijne heterogene bevolking, die, 
laag, listig, valsch, bijgeloovig, fanatiek en vooral onmenschelijk 
wreed van aard, in sommige streken van zeeroof levende, in 
andere slavenhandel drijvende, elders 't koppensnellen als 't hoogst 
zedelijk beginsel beschouwende, in 't algemeen gehoorzamende 
aan den invloed van heerschzuchtige hoofden en vorsten of van 
dweepzieke, intrigeerende en machtbegeerige priesters, spoedig 
geneigd is om tot oproer en verzet over te gaan; elke gelegen- 
heid zullen zij aangrijpen om te trachten zich van den voor hen 
lastigen teugel van ons gezag te ontdoen, ten einde himne slechte 
hartstochten te kunnen botvieren in moord en plundering en 
vooral om als Mohammedanen den hemel te verdienen, door 
het ombrengen van talrijke Christenhonden (Kafirs). 

Die cijfers getuigen van eene ijzeren discipline en een onbeperkt 
vertrouwen, van onverschrokkenheid en doodsverachting, van 
geestkracht en doortastendheid , van zelfopoflfering en zelfverlooche- 
ning, van volharding en vastberadenheid, van pliehtsbesef en kame- 
raadschappelijke trouw, van lijden en dulden, van gehoorzaam- 
heid en geoefendheid , van beleid en voortvarendheid , van zielen- 
adel en zielengrootheid zoowel van de aanvoerders als van 
de ondergeschikten, die allen, strijdende onder Neerland's drie- 
kleur of 's Vorsten Oranjevaan en onder 't schetteren van het 
geliefde Wilhelmus of de opwekkende toonen van het Volkslied, 
in edelen wedijver, met gevaar voor hun leven, tot één groot 
doel samenwerken, tot instandhouding van Neerland's macht, 
Neerland's roem, Neerland's grootheid en Neerland's Eer. 

Het aantal moedige daden die in de bekende geschiedroUen van 
het Indische leger omstandig beschreven worden, is zeer beperkt 
in vergelijk met het groote aantal der door de hooge Koninklijke 
belooning erkende hddenfeiten, doch velen worden die roemrijke 
onderscheiding waardig gekeurd voor daden van buitengewonen 
moed , die zonder eenige afwijking volkómen met die van anderen 

2 



18 ALGBMBBN OYERZICHT 

overeenstemmen en zich voortdurend herhalen, want bijv., telke 
als er eene stelling des vijands bestormd wordt, is de wedlo* 
om de eerste op de vijandelijke wallen te zijn zoo groot, d 
dikwijs 2 & 3 en soms meer gelijktijdig die koene daad volbrenge 

Het zoude ook onmogelijk zijn alle grootsche en dappere dad< 
van ons kranig Indisch Leger te beschrijven, niet alleen omd 
die taak eens schrijvers krachten te boven zoude gaan, wa 
het is een heerlijke , rijke oogst die gedurende al die jaren is ve 
gaard, maar vooral omdat vele dier feiten aan de aandacht d 
Chefs of der berichtgevers ontsnapten. 

Van hen, die óf door hmme bekwaamheid als aanvoerde 
van expeditiën, óf door het voorbeeld hunner eminente posit 
nieer dan anderen bijdroegen om de krijgsgeschiedenis onzer Oos 
Indische bezittingen, zoo heerlijk schoon, zoo roemrijk, ze 
Holland's Voorvaderen waardig te maken, kan het in het alg< 
meen onnoodig en overbodig geacht worden om hunne dapper 
beleidvolle en trouwe daden meer in het bijzonder te beschrijvei 
de namen dier helden schitteren in een zoo helder stralend lid 
door de roem die van hen uitgaat, dat de glans ook voor h 
nageslacht zal blijven schijnen , want reeds het noemen dier name 
alleen, roept een onafgebroken visioen van heldenfeiten tevoo: 
schijn, daar die met onuitwischbare letteren in Neerland's heldei 
boek gegrift zijn. 

Tot die heldenfiguren behooren: 

De Luitenant-Generaal J. H. Romswinckel , de Generaal-majooi 
H. J. J. L. de Stuers, C. A. de Brauw, R. J. Kellermani 
J. H. R. Kohier, C. L. S* A. M. de Roij van Zuijdewijn, e 
P. P. H. van Ham, die allen in de volgende bladzijden ter ge 
schikter plaatse uitvoerig herdacht zijn; 

de Luitenant-Generaal H. M. de Koek, de beleidvolle zege 

vierende aanvoerder van de tweede expeditie naar Paiembang 

de roemrijke opperbevelhebber van het Indische Leger in de: 

Java-oorlog, wien Z. M. den Koning de zeldzame onderscheidin 

van het Grootkruis der Militaire Willemsorde waardig keurde; 

de Luitenant-Generaal J. van Geen en de Generaal-majoo 



ALOBMBBN OYEBZIOHT 19 

J. B. Cleerens , de onverschrokken en voortvarende onderbevelheb- 
bers in den Java-oorlog, de aanvoerders van zoo menigen zege- 
rijken tocht, beleidvol geleid en moedig uitgevoerd, mannen wier 
verschijning op het slagveld, zelf de meest ontmoedigden met nieuwen 
moed bezielde. «Als Pierke (liefkoozende bijnaam door de soldaten 
aan Generaal van Geen geveven) er was, was alles inorde!>; 

de Kolonel A. J. Raaflf, Gouverneur van Sumatra's Westkust, 
de schitterende held van den Marapalm , wien op Padangs strand , 
bespoeld door de golven van den Indischen Oceaan, eene rust- 
plaats werd bereid, toen de dood hem, door allen diep betreurd, 
te vroeg aan zijne gewichtige taak ontrukte ; eene eenvoudige naald , 
reeds zeer ver uit den Oceaan zichtbaar, werd op de plek waar 
hij rust opgericht, ter eeuwige herinnering aan den moedigen 
krijgsman en den beleidvollen bestuurder; 

de Generaal-majoor A. V. Michiels, de kxmdige en vastbe- 
raden bevelhebber der troepen ter Sumatra's Westkust, de be- 
leidvolle en doortastende aanvoerder der 3® Balische expeditie, 
die op het roemrijke slagveld van Kasoemba als een held viel 
te midden zijner hem hoogvereerende soldaten; ter zijner nage- 
dachtenis is zoowel te Padang als te Batavia een fraai bronzen 
monument opgericht, het nageslacht verkondigende wat het Indische 
Leger en daardoor ook het Vaderland aan hem verloor; 

Z. D. Hoogheid Karel, Bernard Hertog van Saksen Weimar 
Eisenach, Generaal der Infanterie, de Vorstenlijke held, een der 
weinige grootkruizen der Millitaire Willemsorde, wiens te 'sGraven- 
hage door zijne tijdgenooten opgericht monument vermeldt, dat hij 
was,... ««een beschermer van kunst en wetenschap , een moedig 
en beleidvol krijgsman, Nederland onwankelbaar getrouw ;> 

de Luitenant-Generaal J. van Swieten de verdienstelijke aan- 
voerder van zoo menigen met roem geeindigden veldtocht; 

de opperofficier , die, toen hij reeds na eene roemrijke loop- 
baan de welverdiende rust genoot , op 's Konings wensch ander- 
maal het zwaard aangorde, toen het vaderland hem noodig had, 
en hoewel grijs van haar met jeugdigen moed uittoog als Civiel 
Regeerings Commissaris en Militair opperbevelhebber der 2® expe- 



20 ALOEMEEN OVERZICHT 

ditie tegen Atjeh, waarvoor de Vorst hem eene zeldzame eer schoi 
en hem benoemde tot Grootkruis der Militaire Willemsorde; 

De Generaal Majoor D. L. de Brabant, de ridderlijke Oppe 
officier, die zich op menig slagveld onverwelkbare lauweren ve 
wierf, moedig, onversaagd en voortvarend in handelen, groot 
daden, maar karig in woorden, die, toen zijne braven voor ee 
hoogstgevaarlijke en moeielijke bestorming gereed stonden, h 
aanmoedigde door op de stelling des vijands wijzende , te zegge 
€z^' er uit en wif er in /».... en het gevolg was de zege ; 

de Luitenant Generaal Jhr. G. M. Verspyck , als het ware gebor 
aanvoerder en gebieder, wiens veldheerstalent reeds uitblonk, to 
hij als hoofdofficier gedurende den Banjermasinschen opstand (Zui 
en Ooster Afdeeling van Bomeo) de hoofdaanvoerder der troep 
was en zoowel met vaste hand, als door beleidvolle aanvoering d< 
opstand bedwong, en alle emstigen tegenstand den kop indrukt 
de opperofficier die, hoe onbetwistbaar hij ook aanspraken moe 
doen gelden en erkenning vragen voor zijne groote verdiensti 
als veldheer, een voorbeeld was van zelfverloochening en militai 
gehoorzaamheid, door trots miskenning en achteruitzetting zi 
plicht als soldaat te doen, waar Koning en Vaderland die nood 
hadden; de held wiens moed, voortvarendheid en beleid alg 
meen erkend werden, wiens indrukwekkende tegenwoordighe 
zijne soldaten bezielde en tot grootsche, roemrijke daden o] 
wekte, hopende in zijn stalen blik goedkeuring en lof te leza 
zoodat hij wellicht meer mocht wagen dan anderen en onsta 
miger mocht voortdringen, want waar hij als een Ney beleic 
volle aanvoering toonde, daar kon hij ook onstuimig dapp< 
zijn als een Murat; 

de Generaal Majoor J. L. J. H. Pel , als Luitenant Kolonel de Im 
kende onverschrokken en beleidvolle aanvoerder van het Rechtei 
half 14® Bataljon Lifanterie gedurende de 2® Atjehsche expeditie 
dat onder zijne bevelen en leiding, trots 's vijands hevig vuur, zoo bc 
daard en volmaakt ageerde als was het op een excerdtie terrein; ai 
Kolonel en Generaal Majoor de doortastende, doch omzicht^ 
opvolger van Generaal van Swieten, de bevelhebber die te midde 



ALOBMBBN OYBBZICHT 21 

zijner overwinningen op zijn zegerijken tocht door de XXVI Moe- 
kims, op het toppunt van zijn roem, den 24®° Februari 1876 in de 
pas veroverde kampong Tonga aan een slagaderbreuk overleed; 
van deze Generaal vinden wij geboekstaafd *) : ««De schitterende 
««loopbaan is nu gesloten van een even dapper als kimdig officier, 
««die bestemd scheen , Koning en Vaderland nog de gewichtigste 
««diensten te bewijzen. Hij was een even rechtvaardig als wel- 
««willend chef, die steeds de belangen zijner ondergeschikten 
««behartigde en van wien men, als van Turenne, zeggen kon, 
««dat hij de zorgvolle vader zijner soldaten is geweest Op het 
««oorlogsveld was Pel de afgod van allen, die onder zijne bevelen 
««waren gesteld ; . . . . De generaal Pel bezat ook al die hoedanig- 
««heden die , zooals generaal Knoop ergens opmerkt, den geestdrift 
««voor een legerhoofd moeten opwekken: beleid; snelheid van 
««beraad; helderen blik; kalmte, ook te midden der grootste 
««gevaren; goedheid des harten, zich in minzaamheid jegens allen 
««openbarende; een gemoed dat geen vrees kende.»>; 

de Luitenant Generaal K. van der Heyden, in het Leger, als 
van hem gesproken werd, meestentijds eenvoudig ««Kareltje»» 
genoemd, door de Atjehers gevreesd en bij hen bekend als 
«Generaal» of «Koning Eenoog»; de opperofficier die reeds als 
sergeant-majoor het Kruis der Militaire Willemsorde verdiende, 
zich later bij tal van gelegenheden in verschillende streken van 
den Archipel onderscheidde en eindelijk als opperbevelhebber te 
Atjeh dat rijk met vasten wil en onverzettelijke voortvarendheid 
zoodanig Jtot rust bracht, dat de Regeering het raadzaam achtte 
de teugels van het bewind uit de ijzeren Militaire hand in die 
van het meer milde Civiele Bestuur te leggen ; de self-made man , 
die na de hoogste onderscheiding genoten te hebben , zijn dagen 
eindigde in den dienst als Kommandant van Bronbeek, waar 
de Generaal-invalide , die zijn oog in den strijd verloor, zich 
geheel tehuis gevoelde tusschen de Oud-Indische krijgers, die 
door de mildheid van Z. M. Koning Willem III in die schoone 



O Beschrijving van den Atjeh-oorlog van E. B. Kielstra. 



22 ALGEMEEN OYERZICHT 

heerlijke stichting hunne laatste levensdagen in welverdiende 
doorbrengen; hij was tot het laatste toe op en top de kra 
krijgsman, de fiere zelfbewuste Generaal; 

de Generaal-Majoor C. Deijkerhoff , die als Militair bevelhel 
te Atjeh instond voor de rust in dat voortdurend woelige 
weerspannige gewest, toen alle krachten van het L^er no 
waren om het verraad van Lombok's Vorst te straffen en die 
zekering gestand deed door beleidvol bestuur en krijgsmans bd 

de Luitenant Generaal J. A. Vetter , de bevelhebber der b 
Lombok expeditiên, die, door het verraad van den vriends< 
huichelenden vijand getroffen, zijne door die groote ramp 
spreide legermacht weder beleidvol bijeenbracht endengezoi 
moed der zijnen door zijne kalme , zelfvertrouwende houding wj 
doen herleven ; die , toen hij zich sterk genoeg gevoelde , met n 
en beleid het gepleegde verraad strafte, het Balineesche rijl 
Lombok uit de rij der Staten wischte en den grijzen, trouwela 
vorst zijne laatste levensdagen in ballingschap deed eindigei 

last not least, de Luitenant Generaal J. B. van Heutz, 
jeugdige , vastberaden , beleidvolle Generaal met zijne schittert 
en roem volle carrière, tot wien de geheele natie metvertroï 
opziet om den langdurigen en kostbaren Atjeh-oorlog tot een | 
einde te brengen, en wiens daden recht geven om van zijn h( 
doorzicht, wijs beleid en vaste hand die goede uitkomst met 
trouwen te verwachten. 

Nog tal van namen zouden te noemen zijn van andere 
voerders en onderbevelhebbers en van officieren die nog < 
groote roemrijke toekomst voor zich hebben, die allen 
vormd zijn in de harde doch nuttige leerschool van den ^ 
eischenden guerilla-krijg , die sinds jaren in Atjeh gevoerd wc 
velen hunner maakten zich daar verdienstelijk en veroverden 
roemrijke namen , die reeds in de lagere door hen bekleedde rai 
een uitmuntenden klank hebben in het Vaderland , namen die 
de toekomst beloven dat Vaderland en Vorst ophund^en, 
beleid en hunne trouw als op een rots van graniet kunnen 
wen, zoolang hunne dappere vuist het zwaard kan voeren. 



De eerste Ridders der Militaire Willemsorde 
van het Indische Leger. 

1817. 

Goed voorgaan, doet goed volgen. 

De eerste dapperen van de Nederlandsch Indische krijgsmacht, 
die na de instelling der Militaire Willemsorde zich door daden 
van Moed, Beleid en Trouw onderscheidden, door Z. M. den 
Koning met het eeremetaal dier Orde beloond werden en voor 
het Indische Leger de groote reeks openden van die braven, 
die door den Vorst waardig gekeurd werden, om deel uit te 
maken van dat helden-legioen, werden bij koninklijk besluit van 
12 September 1818, N® 56 benoemd, en wel als volgt: 

Tot Kommandeur 
A. A. Buijskes, Schout-bij-nacht, tevens Regeerings-Commis- 
saris, belast met de leiding der operatiën in de Molukken. 

Tot Bidder der 3® klasse 
J. Groot, Kapitein ter zee. 
P. L. van Driel, Majoor der Infanterie. 

Tot Ridder der 4® klasse 
W. Brouwer, Kapitein der Genie. 
F. L. Vermeulen Krieger, Kapitein der Infanterie. 
P. G. J. Beijerinck, Luitenant t/zee i® klasse. 
H. P. M. 't Hooft, id. 

W. Geerts, Bootsman van Z. M. Evertsen. 
C. P. J. Elout, Kapitein- Adjudant v/d Gouv.-Generaal. 
Pietersen, Amboineesch officier. 

Het waren de expeditiën naar Ceram, Saparoea en andere 
eilanden der Molukken waar de opstand tegen ons gezag woedde , 



24 DE EERSTE BIDDERS DER MILITAIRE WILLEMSORDE 

die in het jaar 1817 die dapperen de gelegenheid aanboden , ( 
zich verdienstelijk te maken en zich te onderscheiden. 

Na de noodlottige nederlaag en de geheele vernietiging v 
de expeditionaire kolonne onder de majoor der Genie P. J. Bee^ 
die den 22^^ Mei 18 17 te Saparoewa landde om den opsta 
onder Matulesia te dempen en daar totaal verslagen werd, besb 
de regeering eene nieuwe krijgsmacht derwaarts te zenden , om i 
indruk dier nederlaag uit te wisschen en droeg aan den Scho 
bij-nacht M. Buyskes, tevens Regeerings Commissaris, de alj 
meene leiding der krijgsoperatiên van de gecombineerde land- 
zeemacht op. 

De Kapitein ter zee J. Groot was Kommandant op Z. 
fregat Maria van Reigersbergen en heroverde in de maand Ji 
181 7 op het eiland Saparoewa het, door de opstandeling 
bij verrassing genomen, fort Duurstede. Na den vijand 
sterkte ontweldigd te hebben, hield hij haar bezet en verdedij 
de positie kloekmoedig tegen de aanhoudende verwoede a 
vallen der opstandelingen , die het fort aan alle zijden met ste 
loopgraven omringd hadden, tot de komst der nieuwe exped 
onder de Majoor der Infanterie A. Meijer. 

Deze Hoofdofficier bestormde aan het hoofd zijner troep 
dapper ondersteund door den Luitenant ter zee i® klas 
H. P. M. 't Hooft en zijne marine landingsdivisie, deloopgra^ 
der opstandelingen, terwijl de Kapitein. Lisnet een krachtig 
uitval deed , en verjoeg den goed versterkten vijand door zijne h 
haalde krachtige aanvallen uit den omtrek der benarde veste. 

Zoowel de Majoor Meijer als de Luitenant 't Hooft deden i 
den spits hunner troepen wonderen van dapperheid. De Bootsn 
van Z. M. Evertsen, W. Geerts, stormde vooruit en bereikte het e< 
den vijandelijken wal, door de opstandelingen met de woede < 
wanhoop verdedigd, plantte daar onder een hagelbui van kog< 
lansen en pijlen Neerlands driekleur, en trots 's vijands herhaa 
pogingen wist hij met de dierbare vlag stand te houden, tot 
makkers toeschoten en den vijand met de bajonet verdrevt 
doch de Luitenant der Infanterie Frissart, die den dapperen -Ge^ 



TAN HBT INDISCHE LBOEB 25 

onverschrokken ter zijde stond, liet zijn leven bij de verdediging 
der vlag. 

Den II ®° November veroverde de kolonne met groot verlies 
de vijandelijke positie te Sirrisorri-Serani, doch bij den aanval 
op Ouw werd de moed en de volharding onzer dapperen op eene 
zware proef gesteld en waren de verliezen verschrikkelijk groot 

De Luitenant der infanterie Richemont, die den eersten aanval 
leidde, werd doodelijk gewond en was genoodzaakt voor den 
overmachtigen vijand terug te trekken. 

Daarna leidde de Majoor Meijer zelf den aanval, doch moest 
weldra ook doodelijk gewond het kommando overgeven aan den 
Kapitein Vermeulen Krieger, die, hoewel tweemaal ernstig 
getroffen, met ijzeren volharding de zijnen bleef voorgaan, ge- 
steund door de landingsdivisie onder den Luitenant 't Hooft, 
welke laatste, hoewel ook geblesseerd, toch den strijd niet opgaf , 
zoodat zij er eindelijk in slaagden den vijand te verslaan en 
te verdrijven. 

De Amboineesche Luitenant Pieterse sloeg zich, met gevaar 
van zijn leven, door een troep vijanden heen, die den hoofd- 
opstandeling omringden en nam eigenhandig Matulesia gevan- 
gen, aan welk heldenfeit ook de Kapitein Lisnet daadwerkelijk 
deelnam. 

Na die overwinning werden Antonie Rhebok en andere min- 
dere hoofden achtereenvolgens gevangen genomen, waarop de 
opstand op Saparoea als gedempt kon worden beschouwd. 

De Majoor P. L. van Driel was de aanvoerder der kolonne, 
die op Ceram zegevierend voortrukte, den vijand overal door 
de bajonet uiteendreef en den hoofdopstandeling van dat eiland, 
Oeloe Paha, gevangen nam. 

De verliezen door de onzen in dien veldtocht geleden waren 
smartelijk en vele, doch door den moed, het beleid en den 
trouw onzer braven, was de bloedige nederlaag der kolonne 
Beetjes op schitterende wijze gewroken en tevens de groote reeks 



26 DB EEBSTB BIDDEB8 DEB HILITAIBB WILLEMSORDE ENZ. 

van schitterende heldendaden geopend, door ons dapper Indi 
Leger jaar op jaar volbracht in alle gewesten van dien uit 
strekten Archipel, waar onze krijgsmacht, hoewel betrekke 
gering in aantal, door moed, beleid, trouw, volharding, zi 
verloochening , zelfopoffering en kameraadschappelijke gehechth 
in staat was de rust te handhaven en onze heerlijke driekl 
te doen eerbiedigen , of den hoon haar aangedaan streng te strafl 



De adelborst F. X. R. 't Hooft redt 
Neerland'8 vlag — 1817. 

Waai uit dan , o Vlag : z\j een tolk onzer bêe 
Om Trouw en om Vroomheid en Moed ! 

De "Wereld ontzie u op golven en rêe . . . . 
Doch — daalt g^* op strand weer of vloed , 
W^j heffen uw Wit uit de schuimende zee, 
En voeren naar 't Blauw van den hemel u mêe — 
Al kleurt zich uw Bood met ons bloed. 

Vlaggelied Dr. J. P. Heije. 

De verschrikkelijkste en bloedigste nederlaag ooit door het 
Indische Leger geleden, is die teSaparoeain de maand Mei 1817, 
want van de 378 officieren, onderofficieren en manschappen die 
de expeditionaire kolonne sterk was, bleven 364 dood op het 
slagveld liggen, na één gevecht van slechts enkele uren. 

In het begin van het jaar 1817 had een invloedrijk hoofd 
te Saparoea, Matulesia genaamd, de bevolking van het eiland in 
het geheim tot opstand aangezet en daarbij vooral gebruik ge- 
maakt van de godsdienstige dweeperij der inwoners, die daar, 
even als overal elders in de Molukken, zoogenaamd den Christelijken 
godsdienst belijden; deze is echter schrikbarend vermengd met 
heidensche gebruiken en bijgeloovige dweepzuchlige opvattingen, 
zooals ook niet anders te verwachten is van de weinig ontwikkelde 
bevolking, wie de Christelijke godsdienst tal van jaren te voren 
door dweepers opgedrongen was en door hen aangenomen, omdat 
zij óf daartoe door 't zwaard gedwongen werden , óf dit vrijwillig 
deden uit eigenbelang, om zich door het geloof de gelijke te 
meenen van de overheerschers. 

Tegenwoordig nog gevoelen de inwoners der Molukken, zich 
boven de Inlanders uit de andere deelen van den Archipel ver- 



28 DB ADELBOBST 't HOOFT 

heven. Ze zijn dan ook in het Leger, waar zij onder de algemeei 
benaming «Amboineezen» voorkomen, boven de gewone Inla: 
ders bevoorrecht, want zij genieten hoogere soldij en mogen ev< 
als de Europeanen schoenen dragen , wat aan de andere Inlarn 
sche soldaten, op enkele uitzonderingen na, ontzegd is. Hoeix 
zij zich door het uiterlijk bijna niet van de overige Indische rass< 
onderscheiden, is echter hun aard en karakter zoodanig, dat hum 
dienstneming als soldaat op hoogen prijs wordt gesteld, want h 
zijn bedaarde, degelijke, matige en ordelievende militairen, d 
naar hunnen aard erg godsdienstig zijn en te velde bewez< 
hebben, dat men himne waarde als dapper en volhardend veii 
soldaat niet te hoog kan schatten. 

Matulesia, wien het om macht en aanzien te doen was, z; 
in den overgangstoestand waarin men verkeerde, doordat h 
Engelsche bestuur nog pas door het Nederlandsche vervangi 
was, eene goede gelegenheid om elk juk dat hem drukte ( 
hinderde af te schudden, en de dweepzieke bevolking te ove 
heerschen. 

Alle opruiingen waren zoo in 't geheim gedaan en alle mas 
regelen zoo voorzichtig genomen, en zoo zorgvuldig was tegi 
mogelijk verraad gewaakt, dat de Resident nog van niets w 
en niets vermoedde , toen de opstand eensklaps in al zijne krac 
uitbrak. 

De Resident J. van den Bergh met zijne familie en de £ur 
peanen, zoowel als allen die door hunne betrekking aan het Nede 
landsche bestuur verbonden waren , werden wreedaardig vermoort 
de zwakke bezetting van het fort «Duurstede», in vollen vr« 
op zoo iets niet bedacht, werd overvallen en over de klii 
gejaagd^ alles wat draagbaar was en waarde had geroofd, h 
overige vernield en de aanstoker Matulesia door de bevoUdi 
als vorst en geestelijk opperhoofd erkend. 

Slechts een kindje van den Resident werd, hoewel zwa 
gewond uit het bloedbad gered door eene inlandsche vrouw i 
door deze liefderijk opgenomen en verpleegd. Dit kind we: 
later, toen Majoor Meijer en Kapitein Vermeulen Elrieger < 



BEDT NBEBLAND's VLAG 29 

opstandelingen in de maand October van datzelfde jaar verslagen 
hadden, wedergevonden en aan de naaste familie op Java 
teruggegeven. 

Toen het verpletterende bericht van dien algemeenen moord 
te Amboina aankwam, haastte zich de Resident aldaar niet 
alleen om het hoofdbestuur te Batavia daarmede in kennis te stellen, 
maar hij verzamelde terstond eene sterke troepenmacht, om de 
opstandelingen zoo weinig mogelijk tijd tot organisatie te laten 
en te beletten dat de geest des opstands zich ook over de 
naburige eilanden verspreidde. 

De daartoe in alle haast uitgerustte expeditionaire kolonne 
werd onder de leiding gesteld van den Majoor der genie P. J. 
Beetjes en was genomen uit het te Amboina aanwezige garnizoen , 
versterkt met eene marine landingsdivisie van het ter reede liggende 
oorlogsfregat «De Evertsen ,> welke divisie onder de bevelen stond 
van den Luitenant ter zee Munter en de Adelborst i« klasse 
F. X. R. 't Hooft 

In tien Orembaai werd de geheele troepenmacht, tot eene 
gezamenlijke sterkte van 13 officieren en 365 onderofficieren en 
manschappen, over zee naar Sapoeroea gevoerd, waar zij in den 
namiddag van den 22^^ Mei aankwam; niettegenstaande het late uur, 
werd toch onmiddelijk tot het debarkement overgegaan , zoo onge- 
duldig was men om den gepleegden moord te wreken en te straffen. 

Op de debarkementsplaats was het strand hoogstens 4 ^ 5 M. 
breed, zoodat dit weinig ruimte aanbood om de troepen behoorlijk 
op te stellen en dan ook die opstelling, even als het debarkeeren, 
onder 's vijands werkzaam vuur geschieden moest, daar deze door 
wallen en struikgewas verborgen, in de onmiddelijke nabijheid 
was en zelfs de ontscheepte troepen met lansen kon bewerpen. 

Onder hen die reeds bij het naar het strand roeien het 
slachtoffer werden van die onbesuisde en onvoorbereide han- 
deling, was de Luitenant ter zee Munter, zoodat nu het bevel 
over de marine landingsdivisie overging op den jeugdigen adel- 
borst 't Hooft. Deze nauwelijks aan de kinderschoenen ontwassen 
jongeling, was iemand van weinig ervaring, maar met onstuimigen 



80 DE ADBLBOBST 't HOOFT 

moed, wiens vaderlandsliefde en begeerte om zich roemv 
.te onderscheiden voor die van den meest geharden en ervar< 
krijger niet onderdeed. 

Nadat de troepen moedig onder 'svijands vuur gedebarkee 
waren, verdeelde de Majoor Beetjes zijn troep in drie koIonn< 
die ieder afzonderlijk tegen den vijand zouden optreden. I 
adelborst 't Hooft werd met de marine landingsdivisie ingedeeld 1 
de 3* kolonne , die onder de aanvoering van den i® Luitenant d 
Infanterie Verbrugge eene omtrekkende beweging zoude maken ; a; 
den jeugdigen adelborst werd de Nederlandsche driekleur toevc 
trouwd, die, als de opstandelingen verslagen en teruggedrevi 
waren , onmiddelijk op de vijandelijke sterkte moest worden geplai 

Trotsch op die eer en dat in hem niettegenstaande zijne jeu| 
gestelde vertrouwen, zwoer hij bij zich zelven dat hij die heilij 
vlag moedig ter overwinning zoude voeren, die ongerept < 
onbesmet bewaren ten koste zelfs van zijn leven, en haar no< 
in 'svijands handen laten vallen, wat er ook gebeuren mocht 

Reeds dadelijk zijn de drie kolonnes elk afzonderlijk in he\ 
gevecht gewikkeld , want de vijand was niet ver af. De 3® kolom 
ondervond emstigen tegenstand , doch voorafgegaan door 't Hoc 
dringt zij moedig vooruit en al vallen er ook velen bij de vc 
vulling dier moeilijke taak, toch blijft als door een wonder < 
dappere vaandeldrager, hoe roekeloos hij zich ook bloot std 
geheel ongedeerd. 

Eindelijk kan de kolonne niet verder; reeds tweemaal is z 
trots de moedige en onversaagde aanvallen, waarbij steeds h 
Vaandel den weg wijst, teruggeslagen en reeds maakt Verbruggi 
zich gereed met den opnieuw verzamelden troep den vijand U 
derde male met den bajonet aan te grijpen, toen eensklaps 
zijn rug van de zijde der hoofdkolonne het haastig geblaz< 
signaal <^^rettreeren»i> klonk. 

Hoezeer hem dit ook verbaasde en hoe gaarne hij ook ( 
vijand, die hem juichend uitdaagde, nogmaals had aangegrepei 
toch gaf hij terstond bevel tot den terugtocht naar de debark 
mentsplaats, die in goede orde werd volbracht, den vijai 



BEDT NEEBLANd's TLAG 31 

Steeds door moedig strijden op eerbiedigen aüstand houdende» 

Op de plaats van uitgang aan het strand teruggekeerd, zagen 
zij een tooneel zoo verschrikkelijk bloedig en afzichtelijk, dat 
het zelfs den hardvochtigsten krijger met afgrijzen vervulde. 

De vijand was in groote sterke drommen bezig hunne dappere 
makkers, de laatste overblijfselen der beide andere kolonnes^ 
die zij zoo vol hoop op overwinning verlaten hadden, onder 
bloeddorstig gejuich, vermengd met godsdienstig gezang, tot den 
laatsten man af te maken en overal , waar een'^gewonde nog tee- 
kenen van leven gaf, den machteloozen gekwetste met klewang- 
houwen en lanssteken te vermoorden. 

't Was geen strijd meer, het was eene ware slachting. 

Wat was er gebeurd! 

De beide kolonnes die zonder eenig onderling verband ope- 
reerden, vonden even als de 3* kolonne heftigen tegenstand en 
waren weldra door een in aantal zeer overmachtigen vijand over- 
vleugeld en ingesloten. 

Toen liet de kommandant het signaal retireeren blazen. 

Dapper baanden de troepen zich een bloedigen weg door 
's vijands massa^s naar het strand om zich bij de schepen^ die hen 
overgevoerd hadden, weder te verzamelen en zoo noodig daarin 
terug te trekken. 

Helaas! de terugtocht was onmogelijk, want de prauwen waren, 
er niet meer! Ze waren verdwenen! Door een onbegrijpelijk 
verzuim was er geen wacht bij de vaartuigen achtergebleven en 
deze, wellicht door vijanden losgekapt, door de eb weggevoerd, 
en door den wind afgedreven. 

Geen uitweg meer ziende, noch vóór-, noch achteruit, ver- 
kochten de dapperen hun leven zoo duur mogelijk en wisten van. 
geen overgave ; aUen bleven op het veld van eer, in het ver- 
schrikkelijke handgemeen en werden door den razenden vijand^ 
tot den laatsten man afgemaakt. 

Ziedend van toom en wraaklust, alleen haren moed en de 
lust om de makkers te wreken raadplegende, valt de reeds ver- 
zwakte 3® kolonne de moordenaars-bende onversaagd met de. 



32 DB ADELB0B8T 't HOOIT 

bajonet aan, voorafgegaan door den Luitenant Verbruggen, naast 
wien de jonge adelborst de hem toevertrouwde driekleur, reeds 
met talrijke schoten doorboord, zegevierend omhoog houdt 

Zonder eenig weifelen ging het dappere hoopje een zékerea 
dood te gemoet, met de kracht der wanhoop tal van v^anden 
nederleggende, waarbij de brave, kranige «jantjes» zich met«koit- 
jan» en «enterbijU niet onbetuigd lieten. 

Eindelijk stond 't Hooft, reeds op twee plaatsen gewond, zoo goed 
als alleen te midden der gevallen makkers, doch al was zgn 
zwaard gebroken door het bloedige werk dat het verricht had, 
nog steeds omklemde zijn linkerhand de vlaggenstok en waaide 
Neerland's vlag nog onverzwakt boven zijn hoofd, dat hij hoog 
opgericht hield, terwijl zijne van moed en strijdlust schitterende 
oogen den bloeddorstigen vijand onbevreesd aanzagen. 

Voor de eer der vlag te sneven was plicht en met overtuiging zoa 
hij gaarne zijn leven g^even hebben, maar dan moest dat dier- 
baar kleinood in 's vijands handen vallen en dat wilde hij niet, m 
hij bij zich zelf gezworen had het te behouden; kon hij de vlag al 
niet terugbrengen, toch zou de vijand haar niet als teeken van over- 
winning, met zijne door moorden bezoedelde handen medevoeren. 

Hoe de vlucht hem ook tegen de borst stuit en bijna niet 
mogelijk is voor zijn dapper kloppend hart, toch moet het ge- 
beuren als eene laatste poging om de driekleur te redden. 

Hij grijpt ras een enterbijl uit het bloed der gevallen makkezs 
op; dit verschrikkelijk wapen met krachtigen arm zwaaiende, 
dringt hij door den vijand heen, steeds de stok der vlag om- 
klemmende en werpt zich, die vlag medeslepende, in de golven, 
door den vijand met schoten en lansworpen vervolgd, die hem 
echter gelukkig voorbij snorren. 

Daar het intusschen donker geworden is ontsnapt h^ weklra 
aan 's vijands oog , maar nergens, hoe hij ook over het oppervlak der 
zee tuurt, ontwaart zijn oog iets , waaraan hij zich kan vasthouden. 

Toch geeft hij hoe verzwakt ook door vermoeienis en bloed- 
verlies den strijd niet op en laat de vlag niet los; zwemmende 
gaat hij verder. 



REDT NEEBLANd's VLAO 33 

I 
\ 

Na eenlgen tijd voelt hij dat de krachten hem weldra geheel 
zullen begeven en nog altijd hoort hij de overwinnende vijand 
schieten, scheeuwen en juichen. 
i- Als de vijand eene boot machtig kon worden was het met 
r hem gedaan en zou de vlag den vijand in handen vallen, maar 
i dat zal naar zijne meening ook gebeuren , als later zijn lijk de vlag 
omklemd houdende op het strand aanspoelt Dat wil hij voorkomen. 
i Met de tanden scheurt hij al zwemmende het dxmdoek van 
r den stok , wikkelt de dierbare vlag om het pistool dat hij nog in 
I den gordel heeft en vertrouwt de hem ter bewaring gegeven drie- 
1 kleur, die hij niet meer redden kan, aan de diepte van den Oceaan. 
I Nu de vlag buiten 'svijands bereik is, nu kan hij sterven. 
Op dat beslissende oogenblik nadert hem zwemmende de matroos 
Vink en ondersteunt met zijn krachtigen arm , den bijna on- 
machtigen trouwen vaandeldrager. 

Eensklaps vertoont zich een zwart voorwerp voor hunne oogen 
en zij herkennen een der prauwen die hen herwaarts voerden; 
weldra heeft Vink, den adelborst en zich zelven aan boord ge- 
holpen en zien zij in het vaartuig het lijk van Munter liggen, 
die reeds vóór het heillooze debarkeeren den heldendood stierf. 
Nu zijn zij betrekkelijk veilig, maar zij vermoeden dat er wel- 
licht nog meer zwemmers zijn als zij en zullen wachten tot het 
daglicht weder aanbreekt, om ondertusschen zoekende te redden 
wat te redden is. 

Op die wijze werden nog 1 2 anderen aan den dood onttrokken 
en bij den dageraad niets meer bespeurende, zetten zij het zeil 
bij en stevent het treurig overschot van den zoo vol verwachting 
uitgetrokken troep naar Amboina terug. 

Twaalf officieren en 352 onderofficieren en manschappen vonden 
dien dag den dood door 's vijands staal in een ontzettend bloedig 
handgemeen. 

Den i6«° Maart 1860 overleed de held van Saparoea^ als 
Vice-Admiraal onzer kranige Marine en als Ridder van onder- 
scheidene orden, waaronder de beide Nederlandsche. 



Drie helden voor Palembang 

1821 

Cenx qai en vrais héros sont morts ponr U patrto, 
Ont droit qn'è leur tomboMi la fonle ▼ienne et jm. 

VicTOB Hueo. 

De eerste expeditie naar Palembang om den Sultan van dat 
gewest te onderwerpen, die op aanstoken der Engelschen van 
uit hunne bezitting, Benkoelen, tegen ons gezag in opstand was 
gekomen, was mislukt, omdat wegens gebrek aan debarkements- 
middden de hinderpalen in de rivier niet te overwinnen waren, 
de scheepsmacht te klein bleek om de bijzonder sterke steDing 
des vijands in het vaarwater en aan den oevers der Soensangte 
forceeren, en ziekte de troepen decimeerde, zoodat op 30 Octo- 
ber 18 19 de terugtocht werd aangenomen, met bepaling dat de 
rivier-mondiDg door een deel der zeemacht geblokkerd zoude 
blijven, tot den tijd dat met voldoende macht eene 2® expeditie 
zou kunnen worden ondernomen. 

Eerst den 10^ Juni 1821 zeilde eene goed uitgeruste krijgsmacht 
uit talrijke oorlogsschepen, vele transportvaartuigen, eene sterke 
landmacht en voldoende debarkements-materieel bestaande, de 
Soensang binnen en ankerde in de nabijheid van 's vijands stel- 
ling, waarvoor de eerste expeditie het hoofd gestooten had. 

De Soensang is eene der vele mondingen in de delta die de 
breede en diepe Moesie-rivier aan den Smnatra-wal vormt, terwijl 
verder bovenstrooms de sterke kraton of hoofdplaats des Sultans, 
Palembang, gelegen is. 

Ter hoogte van den minder breeden, op den rechteroever der 
Soensang gelegen zijtak, de Pladjoe, vormt de rivier een vrij 
groot eiland, Gombora genaamd. De oevers, zoowel van de 
Pladjoe-tak als van de Soensang, zijn zeer moerassig en met 
doomige risophoren begroeid; deze streek is zoo goed als onbe» 



DBIB HELDEN VOOB PALEMBAKe, 1821 85 

woond, daar zij bij vloed steeds onder water staat en het verblijf 
door de giftige uitwasemingen van den moerassigen bodem zeer 
ongezond is, terwijl zoowel de rivier als de oevers wemelen van 
vraatzuchtige kaaimannen en krokodillen. 

Was vroeger 's vijands stelling zoo sterk geweest, dat wij tot 
den terugtocht genoodzaakt werden, nu had hij ruim den tijd 
gehad om de positie zoo geducht te versterken, dat zij in zijne 
oogen bepaald onneembaar was. De macht, die deze stelling 
tegen onzen aanval moest verdedigen, was veel sterker dan 
vroeger, omdat des Sultans invloed en aanzien door onze schijn- 
bare nederlaag zeer gestegen was en al de roovers, door ons 
met succes van de eilanden Banka en Billiton verjaagd, zich bij 
den vijand hadden aangesloten. 

De moed der verdedigers werd ten zeerste verhoogd door 
him vast vertrouwen op eene tweede nederlaag onzer troepen 
voor hunne zoo geduchte stelling, maar zij rekenden buiten de 
kordaatheid onzer Jantjes en zoowel de doodsverachting als de 
volharding der landingstroepen, doch wat den doorslag gaf, zij 
rekenden buiten de uitmuntende uitrusting en de goede leiding. 

Wel teisterde ook nu weer de vreeselijke cholera onze troepen- 
macht, doch onze dapperen lieten zich daardoor niet ter neder- 
slaan en verlangden slechts om zich met den vijand te meten, 
ten einde deze te toonen, dat oud-Holland zijn gezag weet te 
handhaven. 

Van af den zijtak, de Pladjoe, vóór langs het eiland Gombora, 
was de rivier over de geheele breedte door een uit reusachtige 
ingeheide boomen bestaand staketsel afgesloten, waarin op doel- 
matige wijze openingen waren gelaten, om van^ tijd tot tijd 
branders op onze talrijke vloot af te zendói, als de gelegenheid 
bij afloopend water gunstig was. 

Die afsluiting werd verdedigd door talrijke schansen , batterijen 
en van geschut voorziene doorloopende borstweringen op beide 
oevers en op het eiland Gombora, terwijl bovendien nabij dat 
eiland nog geblindeerde drijvende batterijen in de rivier gelegd 
waren. 



36 DBIS HELDEN YOOB PALEMBANa, 1821 

De rechter rivieroever was gedekt door den geducht ver- 
sterkten en van geschut voorzienen Pladjoe-tak, die met de 
drijvende batterijen en die van het eiland bij hunne doorvaart de 
schepen, die, als zij de versperring forceerden, daarlangs moesten 
zeilen, aan beide zijden konden bestoken. 

Het was dus noodig om, alvorens de versperring te kimnen 
opruimen en naar Palembang door te varen , de geduchte verster- 
kingen aan den wal op de beide oevers en het eiland te nemen 
en den vijand onschadelijk te maken. 

Eene poging om met sloepen de versperring te forceeren en 
op te ruimen moest opgegeven worden wegens 'svijands ver> 
schrikkelijk vuur, hoe moedig de matrozen ook hunne uiterste 
pogingen in 't werk stelden. De verliezen waren te groot 

Nauwelijks aan boord teruggekeerd, bleek 't, dat de vijand 
een grooten brander had afgezonden, die ditmaal bijzonder ge- 
vaarlijk zou zijn voor het fr^^t van der Werflf, er brandende 
recht op aan dreef, zich aan het schoone oorlogsschip dreigde 
vast te hechten en dit in brand te steken. De brave matrozen aar- 
zelden geen oogenblik om met de enterbijl tusschen de tanden in 
het water te springen , den gevaarlijken brander , trots 's vijands 
vuur, te enteren en als ware duivels te midden der vlammen het 
vlot uit elkaar te hakken, zoodat 't weldra, in verschillende kleinere 
deelen gescheiden, uitdoofde en onschadelijk voorbij dreef. 

Dit met zoo goed gevolg door onze zeelieden volbrachte ge- 
vaarlijke en stoute stuk wekte ieders bewondering op. 

Daar de versterkingen langs den rechteroever, de zoogenaamde 
Pladjoe- versterkingen, gedurende bovengenoemde pogingen de 
geduchtste en de gevaarlijkste bleken en tevens bij den opper- 
bevelhebber de overtuiging bestond , dat als die aaneenschakeling 
van wallen met hun talrijk geschut genomen was, dan ook de 
positie van den vijand op het eiland Gombora voor dezen on- 
houdbaar zoude worden, zoo werd besloten eene sterke kolonne 
op onze. linkerflank te doen debarkeeren, die dan moest trachten 
de Pladjoe-tak over te steken en de hinderlijke reeks versterkingen 
door een aanval in den rug te vermeesteren, welke beweging 



DBIE HELDEN YOOB PALBHBANe , 1821 87 

ondersteund zoude worden door eenen algemeenen frontaanval 
der oorlogsschepen. 

In den vroegen morgen van den i6*° Juni werd die kolonne 
onder Kolonel Bisschofif aan wal gezet, en worstelde zij zich 
met veel moeite door het woeste, moerassige terrein, zoodat het 
reeds dadelijk onmogelijk bleek om de stukken geschut mede te 
voeren, die nu met den voorraad moesten achtergelaten worden. 

Den geheelen dag werden de meest onvermoeide en gewaagde 
pogingen gedaan om de Pladjoe op het een of ander punt over 
te steken, doch de sterke vijandelijke macht, haar overwegend 
geschutvuur en de gebrekkige hulpmiddelen waren oorzaak dat 
allen mislukten. 

Uitgeput , zonder voedsel en steeds door den vijand bestookt , 
bracht de kolonne den nacht vanden i6®° op den 17*° Juni door, 
tot aan de knieën in den modder staande en met het geweer 
in den arm, want nergens was een droog plekje te vinden, 
omdat de vloed de geheele streek had overstroomd. Menig sol- 
daat werd door 'svijands lood getroffen, velen werden door de 
cholera aangetast en gaven den geest in den modderpoel waarin 
zij kermende wegzonken, doch geen gemor werd gehoord, geen 
enkele weifeling in den dapperen troep waargenomen. 

Ook de op den 2o«° Juni herhaalde aanval mislukte. 

Nu besloot de opperbevelhebber den aanval op de minder sterke 
vijandelijke linkerflank te doen en voorloopig te trachten zich 
van het eiland Gombora meester te maken, zoodat dan alle 
krachten tegen de Pladjoe-versterkingen konden aangevoerd 
worden, want voor dat men den tocht op de rivier kon ver- 
volgen, moesten ook deze door den vijand ontruimd zijn. 

Den 24®° Juni, des morgens heel vroeg, debarkeerden de noodige 
landingstroepen op den linker rivieroever en dreven den vijand, 
trots de talrijke verliezen, moedig voor zich uit, terwijl een deel der 
versperring onder het werkzame vuur van het eiland Gombora werd 
opgeruimd, zoodat nu de sloepen één voor één passeeren konden. 

Onverschrokken sprongen de landingstroepen in die vaartuigen, 
voorafgegaan door hunne officieren en onder een hagelbui van 



38 DRIB HBIiDSN YOOB P^LBUBANG, 1821 

kogels werd de overtocht van den rivier-arm volbracht, die 
Gombora van den vasten wal scheidde. 

Nauwelijks hadden de eersten op het eiland voet aan wal gezet , 
of zij stormden onverschrokken voorwaarts, zonder een enkel 
schot te lossen; alleen vertrouwende op de bajonet, beklommen 
zij den steile wallen, die onder het voortdurend gedonder der 
kanonnen en het ratelend geweervuur dood en verderf braakten, 
terwijl daar binnen de met lans en klewang gewapende dappere 
en strijdlustige vijand gereed stond, om de roekelooze bestor- 
mers warm te ontvangen. 

Nu ontstond er een verschrikkelijk woedend handgemeen met 
den zich wanhopend verdedigenden vijand, waarbij geen genade 
gevraagd en ook niet gegeven werd, tot de laatste verdediger 
onder de bajonet gevallen was. 

Dadelijk liet de Kapitein der artillerie A. R. W. Geij van 
Pittius, de veroverde vijandelijke kanonnen op de drijvende 
batterijen en de Pladjoe- versterkingen richtten, zoodat ook de 
eersten weldra in onze handen waren. 

De Pladjoe-forten echter bleven hun regen van kogels uit hunne 
talrijke vuurmonden op de veroveraars van Gombora afzenden, 
ten einde dezen de positie onhoudbaar te maken. 

Ook hier ging de dappere Kapitein Geij van Pittius allen voor. 

Met vijftig artilleristen werpt hij zich in eene praauw, steekt 
onder 's vijands vuur, doch beschermd door den over de rivier 
hangenden kruitdamp, den breeden rivier-arm over die hem van 
de forten scheidt en valt ze onverschrokken met zijne kleine 
macht aan, zoodat de verrastte vijand ook daar begint te wijken. 

't Dappere troepje is echter terstond gevolgd door infanterie, 
die aan de overzijde gekomen, onmiddellijk het grootste en 
sterkste fort bestormt. Moedig en vastberaden beklimmen zij de 
hooge wallen, voora%egaan door den sergeant-majoor T. B, Velt- 
man, doch boven gekomen is 's vijands vuur zoo sterk en zijn 
tegenaanval met het blanke wapen zoo ontzettend, dat de dap- 
dere doch vermoeide troep een oogenblik wijkt. 

Niet alzoo de brave Veltman. 



KAPITSIN emj VAN PITTIÜS 3^ 

Geheel alleen blijft hij stand houden; ofschoon uit talrijke 
wonden bloedende , weet hij van geen wijken en doet door zijne , 
reeds door den strijd eenigszins verbogen bajonet, menigen vijand 
sneven. 

Dat voorbeeld werkt electriseerend ! Zonder verder dralen rukken 
de soldaten andermaal tot den aanval vooruit, steeds voorgegaan 
door den dapperen sergeant-majoor die geen wonden voelde, geen 
uitputting kende en weldra was na een verschrikkelijk bloedig 
handgemeen deze versterking genomen. 

Ook de geduchte Radjoe versterkingen waren ons, doch die 
strijd kostte ons 169 dooden en gewonden. 

De weg naar de hoofdplaats lag open. 

Vele grootsche daden van moed en doodsverachting waren 
door de onzen verricht, doch de eer van den dag kwam naar 
't algemeen gevoelen toe aan den Kapitein der artillerie A. R. W. 
Geij van Pittius en den sergeant-majoor T. B. Veltman en naast 
hen aan den Luitenant K. J. A. W. Schenck, die, oüschoon 
reeds door een kogel gewond, de eerste was die de geduchte 
wallen op het eiland Gombora beklom, onverschrokken in de 
versterking sprong en het eerst den strijd aanbond met de 
daarbinnen wachtende verdedigers, zoodat hij den weg baande 
voor de hem volgende soldaten, welk heldenfeit hij echter nog 
met eene lanssteek en drie klewanghouwen betaalde. 

De Kapitein der artillerie A. R. W. Qe(| van Pittius. 

Het leven van dezen held was eené aaneenschakeling van 
krijgsbedrijven; hij scheen te herleven te midden van den kruit- 
damp en den strijd, en overal waar hij kwam onderscheidde hij 
zich door moed, beleid en ware doodsverachting, zoodat zijne 
heldenfeiten , waarvan hierboven een klein staaltje is vermeld, 
boekdeelen zouden vullen. 

In 1805 werd hij door Napoleon , bij den veldtocht in Duitsch- 
land, op 't slagveld voor zijn betoonden moed tot officier bevorderd. 

In 18 12 herhaaldelijk eervol vermeld en wegens moed weder 



40 LUITENANT SCHENCK 

op het slagveld tot Kapitein der artillerie bevorderd, ontving hij 
tevens 't ridderkruis van *t Legioen van Eer in Moskou. 

In 1813 weder herhaaldelijk eervol vermeld bij Leipzig en Erfurt. 

In 181 5 als Kapitein der rijdende artillerie in Hollandschen 
dienst, was hij de eenige Kapitein, die het kruis der Militaire 
Willemsorde 3® klasse verwierf. 

Bij Pladjoe gewond (182 1), werd hij voor zijn buitengewoon 
moedig en beleidvol gedrag, bij keuze tot Majoor bevorderd. 

In 1824 en 1825 werd hij bij de onlusten op Celebes tweemaal 
gewond, maar bleef toch het bevel over zijn afdeeling voeren, 
en werd voor zijn dapper gedrag bij keuze tot Luitenant Kolonel 
benoemd. 

In 1825 — 26 — 27 onderscheidde hij zich herhaaldelijk in den 
Java- oorlog tot hij, ten gevolge zijner talrijke wonden in zijne 
gezondheid geknakt, naar Europa moest terugkeeren. 

Doch ook nu rustte hij niet. 

Als Luitenant Kolonel der artillerie maakte hij den tiendaagschen 
Veldtocht in België mede en ontving voor zijn moedig gedrag het 
ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw en den Kolonelsrang. 

Elke rang en elke onderscheiding had hij veroverd ten koste 
van zijn bloed en met gevaar van zijn leven, met trouw de zaak 
dienende waarvoor hij zijn edel zwaard .aangordde. 

De Luitenant der Infanterie K. J. A. W. Schenck. 

Deze jeugdige Officier werd voor zijn moedig gedrag bij Gombora 
benoemd tot Ridder der Militaire Willemsorde 4® klasse. 

Na van zijne wonden hersteld te zijn, werd hij ter Sumatra's 
Westkust geplaatst en vinden wij hem daar later terug als de 
beroemde Kapitein Schenck, de geliefde kommandant van eene 
kompagnie van de onverschrokken en gevreesde Jagers van den 
onsterfelijken Vermeulen Krieger, die een volkomen vertrouwen 
stelde in zijn dapperen Kapitein, die hij zijn vriend noemde 
en die hij als een broeder liefhad om zijne edele eigenschappen , 
terwijl de Jagers den braven Schenck in dezelfde mate vergoodden 



LUITENANT SCHENCK 41 

als hun Chef Vermeulen Krieger, die beiden met den dapperen 
Jagers-troep tot alles, zelfs tot het onmogelijke in staat waren. 

Hij onderscheidde zich herhaaldelijk in verschillende gevechten 
ter Simiatra's Westkust, en in het jaar 1823 streed de Luitenant 
Schenck met den Overste Raafif den moeielijken en doodelijken 
strijd op den jooo voet hoogen Marapalm, tegen de duizende 
woedend aanvallende Padrie's , die met eene nederlaag en terug- 
tocht onzer troepen eindigde, doch waar Schenck zich onver- 
welkbare lauweren vlocht. 

Negen jaar later, den i6«° f ulij 1832 zag Schenck, als Kapitein 
van de Jagers, onder zijn Chef Vermeulen Krieger dien hoogen 
bergpas terug, die toen in onze handen was, doch die nu 
doorgegaan moest worden, om onder aanvoering van Krieger de 
Padrie's in hunne geduchte sterke bergstelling te BoekitKamang 
te overvallen en daaruit te verdrijven. 

In de nachtelijke stilte sloop de troep door den pas, rillende 
van koude, doch brandende van begeerte om de verradelijke 
wreede Padrie's te verrassen en dé nederlaag toe te brengen, al 
was ook als naar gewoonte 'svijands overmacht het tiendubbele. 

Den geheelen nacht werd doorgemarcheerd en tegen den morgen 
deboucheerde de dappere troep in de onmiddelijke nabijheid van 
's vijands stelling, die, hoewel verrast, onmiddelijk zijn vuur opende. 

Zes achtereenvolgende versterkingen werden in één aanloop 
met de bajonet genomen, waarbij Schenck zijne dappere Jagers 
den weg wijst, als ging 't naar een feest. 

In de zevende benting hielden echter priesters stand , die zich 
ten doode gewijd hadden, na gezworen te hebben dat zij zouden 
overwinnen of sterven. Zij weigerden zich over te geven. 

Dan moeten zij sterven, roept Schenck, en weder stormt 
hij voorwaarts, doch helaas, de eerste die bij dit laatste hand- 
gemeen gewond wordt, is de dappere Schenck, wien een lans- 
stoot de edele borst doorboorde. 

Wel had hij nog de kracht het wapen met eigen hand uit de 
wond te trekken en zijn vijand neer te leggen, doch zijne Jagers 
aanvoeren kon hij niet meer. Verwoed over het verlies van hunnen 



42 LUITENANT SOHENCK 

aanvoerder, vielen de Jagers den vijand als razenden aan, die allen 
als zoenoffer voor hun braven Kapitein tot den laatsten man werden 
afgemaakt, al moest ook menig Jager er het leven bij inschieten. 

Wel was Schenck's uitroep bewaarheid, doch hij zelf beleefde 
de overwinning niet meer. 

Dien nacht sliep Krieger niet. Hij vond den overwinning te 
duur gekocht met den dood van Schenck. 

Hij treurde over 't verlies van den man, dien hij als vriend 
en jongeren broeder beschouwde, den man die hij, de moedige 
onversaagde krijger en bewonderde aanvoerder, hoog vereerde 
voor zijn on tembaren moed en doodsverachting, voor zijn kalm 
beleid en degelijke aanvoering, den man dien hij 't liefst het 
bevel over zijne dappere Jagers toevertrouwde. 

Schenck werd op den hoogen Marapalm begraven, waar eene 
eenvoudige zuil met zijn naam, op dien top die de wolken doorboort, 
aan het nageslacht de plaats aanwijst, waar de dappere held rust. 

Den 2*^ November 1832 , toen Vermeulen Klrieger weer eenigzins 
hersteld was van zijne bij de bestorming van Bondjol bekomen 
wonden, ging deze voor zijn eersten tocht met zijne jagers en de 
kompagnie, nog steeds de ^^kompagnie Schenck»'» genoemd, naar 
den Marapalm, als voor eene bedevaart naar ^t graf van zijn 
dapperen, onvergetelijken vriend Schenck, de geliefde en betreurde 
aanvoerder zijner Jagers. 

£n daar, 7000 voet boven de oppervlakte der zee, temidden 
dier grootsche indrukwekkende natuur, stonden die ruwe onver- 
schrokken, in talrijke oorlogen geharde krijgers, overigens 
ongevoelig voor het verlies van een menschenleven, zwijgend 
en eerbiedig voor die eenvoudige zuil, die de overblijfselen van 
hun aangebeden aanvoerder bedekte. 

In alle stilte herdachten zij hem , terwijl Neerland's driekleur die 
boven hunne hoofden wapperde , als herinnering aan den gevallen 
held, in de witte baan den naam ^Schench» vertoonde, eene 
vlag die zij overal medevoerden, gehecht aan de lans die hunnen 
dierbaren aanvoerder doodde; eene bloedige tropee die hun nog 
steeds den weg tot roem en eer wees , zooals hun Kapitein vroeger 



SEBGEAMT-MAJOOB YELTMAN 43 

deed en hen aanspoorde altijd diens dapper voorbeeld te volgen. 

Menig oog werd vochtig en Krieger schaamde zich de traan 
nietj die langs zijn gebruinde wang rolde. 

De geweren werden gepresenteerd, de vlag boog zich over de 
zuil en als een laatsten groet aan den dappere klonk een salvo 
met scherpe patronen, dat in 't gebergte weergalmde en als een 
donder van rots tot rots rolde, getuigende van de liefde van 
die dapperen voor hun onvergetelijken aanvoerder Schenck. 

De Sergeant majoor der Infanterie T. B. Veltman. 

Voor zijn bijzonder moedig en beleidvol gedrag bij de be- 
storming van Gombora en de Pladjoe-versterkingen werd de 
sergant-majoor T. B. Veltman terstond bij keuze bevorderd tot 
2® Luitenant, en eenigen tijd daarna benoemd tot Ridder der 
Militaire Willemsorde 4® klasse. 

Het duurde geruimen tijd eer hij van zijne talrijke en ge- 
vaarlijke wonden herstelde, waarna hij bij de troepenmacht ter 
Sumatra's Westkust werd ingedeeld, omdat men daar moedige en 
beleidvolle officieren noodig had in den bloedigen en hardnek- 
kigen strijd tegen de dweepzuchtige Padrie's, waarbij hij zich 
herhaaldelijk onderscheidde, meermalen eervol vermeld, en 
spoedig tot Kapitein bevorderd werd. 

Even als Schenck, was hij een der moedigste en dapperste officieren 
bij de noodlottige nederlaag op den Marapalm onder den Overste 
Raafif. Met de grootste onverschrokkenheid stormde hij op den zoo 
o vermachtigen vijand in, en wist diens herhaalde verwoedde aanvallen 
af te slaan, waarbij hij, hoewel ernstig gewond, toch de zijnen 
bleef aanvoeren en voorgaan, zoodat het grootendeels aan hem te 
danken was, dat de nederlaag voor onze troepen niet noodlottiger was. 

Pas hersteld van zijne vorige verwonding, werd hij reeds den 
27®° September 1822 andermaal zwaar gewond in het bloedige 
gevecht bij Kapau, waar zijn schitterend moedig gedrag de alge- 
meene bewondering wekte. 

Toen in 183 1 voor *t eerst de percussie geweren werden inge- 



44 SSBeXlNT-HAJOOB YBLTHAN 

voerd, wist men geen betere keus te doen, dan de algemeen 
om hare onverschrokkenheid en hare vele heldendaden beroemde 
^thompagnie Veltmanint daarmede te bewapenen, zoodat die bij 
hare ongehoorde waagstukken nog krachtiger kon optreden. 

Het was met die kompagnie, honderd man sterk, dat hij in 
datzelfde jaar de nederlaag op de Marapalm uitwischtte, door, 
na een stouten nachtelijken tocht, met die kompagnie alleen de 
werkelijk buitengewoon sterke stellingen des vijands bij ver- 
rassing te nemen, en na een hardnekkig gevecht, den vijand 
overal met de bajonet voor zich uit te drijven. 

Den ló*** Juli 1832 nam de kompagnie Veltman^ even als de 
Jagers van Schenck deel aan de verovering der versterkingen te 
Boekit Kamang, en het was Veltman die, hoewel zwaar gewond , 
de stervende Schenck in zijne armen opving en de soldaten tot 
wraak aanspoorde. 

Den 20®° Juli 1833 stierf de dappere, eerlijke, brave Veltman 
diep betreurd door allen die hem kenden en vooral door de 
mannen zijner beroemde kompagnie , die hem afgodisch liefhadden 
en die hij in zoo menigen strijd tot roem en eer had gevoerd. 

Slechts de dapperen Luitenant K. Rietveld werd waardig ge- 
keurd den held in dat kommando op te volgen en aangevoerd 
door dien officier, deden de mannen wonderen van dapperheid, 
aangemoedigd door den wapenkreet ^^Veltman»-», 

Zijn afsterven was een groot verlies voor het Indische Leger 
Hij was iemand van zeldzamen moed en met een gevoel van 
plicht in de edelste en heldhaftigste opvatting. Hij was een dier 
mannen, die even eenvoudig sterven als zij geleefd hebben, die 
de eer en den roem hunner loopbaan slechts aanvaarden met de 
vrees de onderscheiding niet ten volle waardig te zijn en die 
moed en doodsverachting als iets heel natuurlijks beschouwen. 

Hij was een dier heldentypen , waarvoor men eerbiedig 't hoofd 
ontbloot als diens naam genoemd wordt. 

Zijne nagedachtenis werd vereerd , door aan een fort te Loebo- 
Limbotoe den naam te geven van ^*fort Veltman h-» 

Is er schooner Mausoleum denkbaar!? 



Eene heldendaad van den Luitenant Kolonel 
H. J. J. L. de Stuers op Borneo (Lara) 

1823 

C'est dans les ^irands dangers qu'ane &me magnanime 
Deploie ayec vigaeor la fermeté sablime. 

Frbdbbik II. 

Hoewel het in een gevecht van groot en gewichtig belang is, 
dat de aanvoerder zonder eenig weifelen bedaard en beslist zijne 
maatregelen neemt, om den indruk die de aangevoerde troepen 
van zijn zelfvertrouwen hebben niet te schokken en te toonen 
dat hij weet wat hij wil , hoewel hij daarom verplicht is , om zich 
door de woede van het gevecht niet te laten medesiepen, en 
zeer zeker zich buiten elke persoonlijke deelname aan den strijd 
moet houden, zoo komen er te velde in tijden van hevige actie 
toch oogenblikken voor, waarin het persoonlijk ingrijpen en voor- 
gaan van den aanvoerder een uiterste middel is, om den moed 
der strijdenden tot het hoogste punt op te voeren en in een oog- 
wenk eene noodzakelijke beslissende overwinning te verkrijgen, 
zonder welke anders, zoo niet eene nederlaag, toch zeker groote ver- 
liezen te duchten waren ; hij geeft dan een oogenblik de algemeene 
leiding prijs voor het dadelijk hoog noodige persoonlijke en daad- 
werkelijke ingrijpen en voorgaan op het belangrijkste punt, waar hij 
overtuigd is dat de beslissing kan en moet worden aangebracht 

Het is echter een uiterst middel , dat zooveel en zoolang mogelijk 
moet worden vermeden, omdat het hoogst nadeelige gevolgen 
kan hebben door het vallen van den algemeenen leider, die alle 
draden in handen heeft; ook hier is weder, zooals altijd, het succes 
de maat waarmede dan de zoo goed als roekelooze daad ge- 
meten wordt 



46 LT.-KOL. D8 8TUSBS OP BOBNEO (laBa) 1823 

Maar om tot zoo'n uiterste en gevaarlijke daad met kalm overleg 
de beslissing te nemen , en bedaard met het volle bewustzijn van 
den omvang het waagstuk uit te voeren , daartoe behoort meer dan 
gewone moed en doodsverachting , daartoe is noodig een onwrik- 
baar vertrouwen op het succes en de gehoorzaamheid der soldaten, 
die den aanvoerder bij dat dolkoene stuk moeten volgen, en 
bovendien stalen zenuwen, want hij moet kalm het juiste oogen- 
blik te baat nemen, en voor hij de uiterste gevaarlijke poging 
doet, de noodige maatregelen hebben getroffen, opdat, als hij 
mocht vallen, de nieuwe leider alles weet en de gevolgen vzui 
het waagstuk in dat geval voor het algemeen dus zoo gering 
mogelijk noodlottig zijn. 

Vooral in Indiê komen dergelijke gevallen dikwerf voor; vele 
onzer beroemde aanvoerders van expeditiën in de koloniën 
hebben zulke moeilijke opgenblikken beleefd en steeds was de 
uitslag zooals zij verwacht hadden, dank zij de dapperheid en 
de ijzeren discipline van het Indische Leger, maar ook meesten- 
tijds werden die brave aanvoerders min of meer het slachtoffer 
hunner, hoewel met beleid volvoerde, toch dol koene handeling. 

Een sprekend bewijs daarvoor is het optreden te Lara, Wester- 
Afdeeling van Bomeo, van den kommandant der expeditie in 
die afdeeüng, den toenmaligen Luitenant Kolonel Jhr. H. J. J. C. 
Ridder de Stuers, de latere Generaal Majoor kommandant van 
het Lidische Leger, van wien de Commissaris Generaal, de Bus 
de Ghisignies, aan Z. M. den Koning schreef, toen hij dien be- 
kwamen Generaal voor die hooge betrekking aanbeval :««J'estime 
««eet offide^-lè, k cause de sa tête, de son coeur et de sa valeur. 
««Il mérite de commander Tarmée; c'est Ie seul officier que j'estime 
«<en état de la diriger sur les lieux !»» en dat in een tijd toen het 
roemrijke Indische L^er zooveel dappere en verdienstelijke aan- 
voerders had , mannen rijk aan ondervinding en gehard in den oorlog. 

Wel had de Stuers van af 1803 alle Napoleontische oorlogen 
medegemaakt, maar in 1822, toen hij het bevel der expeditie 
aanvaarde, was hij eerst 2 jaar in de kolonie, dus nog zeer 
kort in geheel andere omstandigheden en onder geheel andere 



LT.-KOL. DB STUBRS OP BOBMBO (laBa) 1823 47 

invloeden dan in Europa, maar hoe groot het verschil ook moge 
geweest zijn, in zijne carrière had hij geleerd in moeilijke om» 
standigheden flink, onversaagd en beslissend op te treden, zoo» 
dat het bevel en de leiding der expeditie naar de Afdeelingen 
Sambas, Pontianak en Mempawa, die broeinesten van voortdurende 
opstand en onrust der Chineezen, waarlijk aan geen betere 
handen kon worden toevertrouwd. 

De expeditie kon reeds als geëindigd worden beschouwd; de 
Overste de Stuers en de Gouvemements Commissaris de heer 
Mr. J. Tobias, vroeger Resident van Bantam, waren op de 
hoofdplaats Pontian^ teruggekeerd en men had zelfis reeds eene 
groot deel der troepen naar Java teruggezonden, toen zich eene 
omstandigheid voordeed, die weder een onmiddelijk en beslist 
ingrijpen der militaire macht dringend noodzakelijk maakte. 

De kongsie der Tai-kong Chineezen van Lara, die zich vroeger 
wederrechtelijk van de mijnen van Loemar hadden meester ge» 
maakt, weigerde het geroofde aan de vroegere eigenaars terug 
te geven, zooals bij overeenkomst bepaald was, waarop de Stuers 
zich onmiddelijk weder naar Sambas begaf en een detachement 
troepen onder den Kapitein Schneider naar Loemar zond, tot 
bezetting dier plaats. 

Nu echter werd Loemar door de geheele Chineesche bevolking 
verlaten, die zich naar het vier uur verder gelegen Lara b^;af> 
zich daar met de ontevredenen vereenigde en weder de vaan 
des opstands ophief. 

Dadelijk bouwden de opstandelingen verschillende versterkingen 
en schansen om de nadering der troepen naar de kongsie-huizen te 
Lara, de kongsie-huizen Tai-kong en Sam-ti-kiouw, hunne hoofdstel» 
lingen en voorraadschuren, te verhinderen of althans zeer moeielijk 
te maken, zoodat die naar hunne meening onneembaar waren. 

De Overste de Stuers verzamelde spoedig alle beschikbare 
troepen te Loemar, waarvan 50 bajonetten, aangewezen onder 
de minst validen» de sterkte daar zouden blijven bezetten onder 
dQ orders van den Kapitein Schneider, wien het wegens eene 



48 LT.-KOL. DE STÜEBS OP BOBKBO (laBa) 1823 

ernstige ongesteldheid onmogelijk was mede op te rukken. Met 
de overigen, eene macht van ongeveer 200 bajonetten en twee 
handmortieren, zou de Stuers zelf tegen 's vijands stelling oprukken. 
Bij de kolonne , die voor de eene helft uit Europeanen en de 
andere helft uit Amboineezen bestond , twee nationaliteiten waarop 
zelfs bij de grootste inspanning en in de ergste gevaren steeds vol- 
komen te rekenen is, waren ingedeeld de Luitenants der Infan- 
terie van der Palm, van Hom, van Brienen en Bourdon, welke 
laatste reeds bij de 2® expeditie naar Palembang voor zijn moed het 
kruis der Militaire Willemsorde mocht verwerven en later nog , o. a. 
op Celebes, herhaaldelijk doorslaande bewijzen gaf van onversaagd- 
heid, ja zelfis van dol koenen moed; de Luitenant Stennekes was 
belast met het bevel over de beide medegenomen vuurmonden. 

Reeds zeer vroeg op den 19®° Januari 1823 marcheerde de 
Luitenant K. C. van Hom met 50 bajonetten voomit op den 
weg naar Lara, ten einde, ingevolge de lastgeving van de Stuers , 
op een half uur afstand van de eerste versterking des vijands, 
te Kem-Sang opgericht, post te vatten en het voorliggende ter- 
rein zooveel mogelijk te verkennen, waaraan hij met grooten 
ijver voldeed, zoodat hij, toen de kolonne op dat punt geheel 
verzameld was, de bevelhebber nauwkeurig en gedetailleerd kon 
voorlichten, waarna deze zijne dispositie's nam en de kolonne 
naar de vijandelijke stelling voorwaarts mkte. 

Vooruit ging weder de Luitenant van Hom met zijne 50 man als 
voorhoede, waarbij zich ook de aanvoerder van het geheel voegde. 

Tegen 12 uur des middags bemerkte men de vijandelijke ver- 
sterking te Kem-Sang, eene van lichte palissaden opgetrokken 
redoute, gelegen op eene heuvel te midden eener opene vlakte, 
zoodat de vijand van daar een mim uitzicht over het omliggend 
terrein had en dit, zoowel als de eenige weg volkomen met 
zijn geschut bestreek en met zijn geweervuur de toenadering zeer 
bezwarend kon maken. 

Zoodra de voorhoede in 't gezicht der versterking kwam , steeg 
een luid en vervaarlijk geschreeuw uit de vijandelijke benden op 



LT.-KOL. DB STU1EBS OP BOBNSO (laRa) 1823 49 

en openden deze een goed gevoed en werkzaam geweer- en lilla- 
vuur, waardoor wij reeds terstond eenige gewonden kregen , maar 
zonder daarvan de minste notitie te nemen, ging de Overste de 
Stuers alleen voorwaarts, om de positie meer van nabij te ver- 
kennen, waarna hij bedaard terugkeerde, zijne dispositiên voor 
den aanval nam en aan een ieder zijne taak aanwees, zoodat 
ook na eenige oogenblikken het vuurgevecht in vollen gang was. 

De Overste zelf ging met de voorhoede vooruit om te trachten 
in den rug des vijands te komen en zoo diens terugtochtslijn te 
bedreigen , wat in de meeste gevallen de verdedigers van Inland- 
sche versterkingen doet vluchten, vóór dat dit onmogelijk gemaakt is. 

Op de flank der aangevallen benting gekomen, bemerkt hij 
eensklaps op eene naburige hoogte drie vijandelijke benden, ten 
sterkte ongeveer van 1200 k 1500 man, die den rug der aan- 
vallende kolonne bedreigen en ook onmiddellijk het vuur onder 
luid geschreeuw openden. 

Dit was een kritiek oogenblik, daar ook 's vijands vuur uit de 
versterking, nu zij de ondersteuning bemerkten en de kolonne in 
een val geloofden, in hevigheid en juistheid toenam. 

Hoewel het eene roekeloosheid te achten was^ om zonder de 
noodige voorbereiding de goed verdedigde sterkte te bestormen, 
toch begreep de Stuers dat dit nu zijn eenige redmiddel was. De 
vijandelijke redoute moest gevallen zijn, vóór dat de sterke onl- 
zettingstroep op het slagveld verscheen en den troep tusschen twee 
vuren bracht, wat de ondergang der kolonne tengevolge kon hebben. 

De Stuers had echter reeds zijn besluit genomen. 

De Kommandant der reserve krijgt last de zijn rug bedreigenden 
vijand met alle kracht den overtocht van een ravijn, dat deze 
nog van de vlakte scheidde, te beletten, en daarna geeft hij het 
teeken tot den algemeenen stormaanval. 

Onder een regen van projectielen snelt de Stuers als voorbeeld 
voor de zijnen zelf vooruit ; terstond door twee ranjoe's gewond , 
rukt hij die van bamboe vervaardigde pinnen uit de pijnlijke 
wonden , grijpt de eerste palissade vast en trots vijands vuur rukte 
hij met wanhopige kracht dit beletsel weg. 

4 



50 LT.-KOL. OB 8TBUS8 OP BOBNBO (laRa) 1828 

De flankeur Sluitman is zijn aanvoerder op den voet gevolgd» 
legt met een schot een Chinees neer, die zijn overste een zwaard- 
houw wil toebrengen, rukt onmiddellijk een tweede palissade los 
en stormt met gevelde bajonet naar binnen, doch valt onmid- 
delijk zwaar verwond neder. 

De Luitenant van Hom , die vlak achter hem is , springt gevolgd 
door zijne soldaten over het lichaam van Sluitman binnen de 
versterking, en tast de zich wanhopend verwerende verdedigers 
met de bajonet aan. 

Tegelijkertijd heeft de Overste , de zaak in goede handen ziende, 
zich gevolgd door eenige soldaten ter zijde naar de poort gewend , 
om van Hom lucht te geven en een deel der vijanden tot zich te 
trekken. De poort wordt opengehakt, de Overste en de zijnen dringen 
door hun verwoeden aanval den vijand terug, terwijl op hetzelfde 
oogenblik de dappere Luitenant Bourdon met de sergeant 
P. Dunion en flankeur J. M. Eools aan de derde zijde naar binnen 
springen, gevolgd door bijna de geheele kolonne Europeanen. 

Nu ontstaat binnen de versterking een onbeschrijfelijk verwoed 
en bloedig handgemeen , waarbij wonderen van dapperheid worden 
verricht, doch dat weldra in ons voordeel beslist is. 

In een verwonderlijk kort oogenblik is , door het voorbeeld van 
den aanvoerder, de sterke stelling genomen. Wat van den vijand 
niet valt , springt van de wallen en vlucht in de grootste wanorde , 
terwijl de ter ondersteuning opgemkte vijandelijke afdeelingen, de 
nederlaag bespeurende, zelfs geen poging doen om hunne makkers 
te helpen, doch voor de dreigende houding der reserve afdeinzen. 

Deze verrassende uitkomst werd alleen verkregen, door de 
kloekmoedige daad en de besliste handeling van den aanvoerder , 
die de algemeene leiding, wegens het spannende van den toestand, 
een oogenblik ondergeschikt achtte aan een persoonlijk ingrijpen 
in den strijd, en daardoor eene heldendaad verrichte, die de 
geheele kolone voor ondergang behoedde. 

Nog is de strijd niet geheel geëindigd, of in de nabijheid 
van den Overste heeft er eene vreeselijke ontploffing plaats» 
De vijand had eenige vaten buskruid met eene lont verbon- 



LT.-KOL. DB STUBRS OP BORNBO (laRa) 1823 51 

den, en deze voor zijne vlucht op het laatste oogenblik ontstoken. 

Fehalve eenige soldaten werd ook de Overste de Stuers aan 
aangezicht, handen en voeten deerlijk geschroeid, zoodat de 
gehavende en brandende klêeren hem van het lichaam gerukt 
moesten worden en door eene Inlandsche kleeding vervangen. 

De vijand liet 40 dooden in de stelling achter, doch de 100 
man sterke aanvals kolonne was door 2 dooden en 50 gewonden 
tot op de helft verminderd. 

Hoeveel de Steurs ook leed door de pijnlijke wonden die in 
de gloeiende zon als vuur brandden, toch draalde hij geen oogen- 
blik om zelf zijn troep te verzamelen en na eene korte rustpoos voort 
te rukken, want van den te weeg gebrachten indruk moest partij 
getrokken worden, om het verkregen succes te vervolgen. 

Na nog eene vijandelijke versterking genomen te hebben, was 
de troep, hoe afgemat ook door den strijd, de hitte en de in- 
spanning, toch in staat door te rukken, aangemoedigd door het 
voorbeeld van den aanvoerder, die de dringende noodzakelijkheid 
inzag om zonder dralen voort te gaan, en het ruime kongsiehuis 
te Lara te nemen, ten einde zijne gewonden te kunnen verplegen en 
te beletten dat de vluchtende vijand dat gebouw in brand stak, 
waardoor de toestand der kolonne in deze woeste streek zeer 
treurig geworden zoude zijn. 

Zijn doel werd bereikt I Aan de eene zijde stormden onze dapperen 
naar binnen, terwijl de vijand aan de andere zijde een goed heen- 
komen zocht, en om vier uur was de Stuers meester van de geheele 
stelling, niettegenstaande de meer dan 10 maal overmachtigen , 
goed verschansten vijand, die zich weldra overal weder onderwierp. 

Dit waren de zegerijke gevolgen van die enkele koene ^ doch 
goed en kalm bedachte heldendaad van den dapperen aanvoerder. 

Van de 200 man sterke kolonne waren 80 buiten gevecht 
gesteld of gesneuveld , wel een bewijs hoe hardnekkig en verwoed 
de strijd was, die hoofdzakelijk door onze dappere landslieden 
van het Indische leger gevoerd en beslist was. 

Eere den aanvoerder die zoo voorging, doch ook eere den 
soldaten die zoo dien aanvoerder wisten te volgen. 



De bestorming van Tanette (Celebes) 

docr den MJE^oor der Infanterie 
M. Q. C. Baron van Coehoorn van Houwerda. — 1826. 

Zwak is slechts l^j, die zich zwak gelooft. 

Bij het uitbreken van den Java-oorlog in 1825, werd de 
Generaal J. Baron van Geen met het grootste deel van de troe- 
penmacht op Celebes naar Java ontboden, omdat men meende 
dat de nist op dat eiland voldoende hersteld was, en dat de 
schrik voor onze wapenen eene herhaling van den opstand 
zoude voorkomen, terwijl alle beschikbare troepen hoog noodig 
waren, om den geduchten opstand van Diepe Negoro op Java 
te dempen. 

£r was op Celebes veel en bloedig gevochten, en even als 
overal elders in de kolonie, hadden onze brave troepen weer 
blijken gegeven van moed, onversaagdheid en volharding. 

De gewesten Kadjang en Sindjai hadden onze macht gevoeld 
en waren streng getuchtigd, de geduchte versterkingen van Man- 
gara Bombang en Badjoa genomen, het onneembaar geachte 
Boni ontmanteld en het rijk van Soepa, dat even te voren een 
deel onzer troepen eene verschrikkelijke bloedige nederlaag had 
toegebracht, was onderworpen en vernederd , dank zij de doods- 
verachting onzer soldaten en de oordeelkundige leiding der aan- 
voerders. 

Na het vertrek van den Generaal bleek het echter spoedig, dat 
Celebes veel te vroeg van troepen ontbloot was en dat er nog over- 
blijfselen van den opstand smeulden, want nauwelijks was Gene- 
raal van Geen met zijne macht vertrokken, of de verschrik- 
kelijke Lapatauw , Koning van Tanette , hief weder de vaan des 
oproers op. 

Deze vorst, slim, voortvarend en doortastend van karakter. 



OB BBSTOBHINa VAN TANETTB (CELBBfis) 53 

Steunende op zijne onneembaar geachte, op eene steile hoogte 
gelegen hoofdplaats en vertrouwende op zijn grooten invloed, in 
verband met het nog smeulende vuur van den bedwongen doch 
niet geheel gebluschten opstand, verzamelde een geducht leger, om 
met eene verpletterende macht en groote kracht zijn slag te slaan. 

Die macht, door sommigen geschat op 30000 man, vond hare 
grootste sterkte in de Boegineesche kavallerie en dat zijn zeker ge- 
duchte, niet te verachten tegenstanders; het zijn echte centauren , 
woeste ruiters zonder zadel op vurige rossen gezeten, met lans en 
zwaard gewapend, wier verschrikkelijke en onstuimige aanvallen 
bijna onweerstaanbaar zijn en die in 't heetst van het gevecht en 
in den snelsten gang vooruitvliegende , hun gevallen makkers van 
den grond beuren, voor zich op 't rijdier leggen, en hen zoo 
buiten 's vijands bereik brengen, 't Zijn als 't ware geboren ruiters. 

Onze toestand was kritiek, want Kolonel Bisschoflf, na 't ver- 
trek van Generaal van Geen Militaire kommandant te Maskassar , 
had voor eene expeditie slechts eene kompagnie Europeanen , 
eene kompagnie Amboinezen, vijftig huzaren, vier stukken ge- 
schut en eene kleine landingsdivisie der marine disponibel en 
daarmede moest hij nu niet alleen Lapatauw's geduchte leger- 
macht bestrijden , maar ook diens buitengewoon sterke hoofdplaats 
Tanette doen veroveren , welk bolwerk door den vijand zeker met 
wanhopigen moed verdedigd zou worden. 

Gedraald mocht er echter niet worden! 

Spoedig , energiek en onverschrokken handelen was een eerste 
vereischte om uitbreiding van den opstand te voorkomen, want 
bij de minste weifeling van onze zijde zou het verzet algemeen 
worden, en zou het ten koste van zooveel bloed verkregen succes , 
vergeefs behaald geweest zijn. 

Maar ook eene nederlaag zou hoogst noodlottig zijn in hare 
gevolgen. Wat die keurbende echter aan getalsterkte tegenover 
's vijands machtige drommen te kort kwam , moest vergoed wor- 
den door ^discipline en onwankelbare moed der braven, die 
reeds gewoon waren den vijand in die streken te bestrijden, 
maar vooral door de keus van den aanvoerder, die met zoo'n 



54 OE BBSTOBMINa YAN TANBTTB (cELEBBS) DOOK OEN MAJOOR 

betrekkelijk kleine macht de moeielijke onderneming moest wagen 
en vooral tot een goed einde brengen. 

Voor die hoogst moeilijke en gevaarlijke taak, was de Majoor 
M. G. C. Baron van Coehoom van Houwerda , een afstammeling 
van onzen grooten vestingbouwkundige, de aangewezen man, 
niet alleen naar 't gevoelen van den Kolonel, maar ook vooral 
naar de meening der ondergeschikten, die in hem een onbeperkt 
vertrouwen stelden, onder zijne leiding alles durfden ondernemen 
en dan niets en niemand vreesden. 

Dapperder, voortvarender en doortastender aanvoerder geschikt 
om zoo'n groot waagstuk te beproeven en bijna zeker tot een 
goed einde te brengen, bestond er toen in ^t Indische Leger niet. 

Reeds in de Fransche oorlogen had hij zijne sporen verdiend , 
waarvan *t Legioen van Eer getuigde, dat hem door den grooten 
Keizer eigenhandig op 't slagveld op de borst was gehecht; hij 
bezat een vasten onbuigbaren wil, als hij zich iets op goede 
gronden had voorgenomen en hij was, zoo als wij reeds zeiden, 
door zijne dapperheid, oprechtheid en ridderlijkheid een persona- 
grata bij de ondergeschikten, die als bij intuïtie en uit onder- 
vinding in hem den aanvoerder bij uitnemendheid gevoelden, 
aan wiens adelaarsblik, zelfs in 't grootste gevaar, geen enkele 
omstandigheid hoe gering ook ontgaat, die zijne troepen met 
élan in het vuur en tot bestorming zal voeren, maar ook de noo- 
dige maatregelen nemen zal om hen, als 't tegenloopt, zoo 
veilig mogelijk terug te trekken. 

Den 6*° Juni 1826 vertrok de kleine kolonne op eenige 
oorlogsschepen, die reeds den volgenden dag in de baai van 
Tanette het anker uitwierpen. 

Zooals zijn last inhield, zond de Majoor Coehoom, ofschoon 
hij er niets degelijks van verwachtte , onmiddelijk een Inlandschen 
parlementair naar den Vorst van Tanette om van den woesten, 
trotschen Lapatauw onmiddelijke en onvoorwaardelijke onderwerping 
te eischen, benevens ontbinding der verzamelde krijgsmacht. 

Zonder eenige weifeling weigerde de Vorst, die, wetende hoe 



M. Q, C. BABOM VAN COEHOOBN VAN HOÜWEBDA 55 

klein de macht was die tegenover hem stond, zich sterk ge- 
voelende door zijne numerieke overmacht, en steunende op zijne 
onneembaar geachte stellingen, zich zeker van de overwinning 
waande. 

Als goed en doortastend aanvoerder had Coehoom geen 
oogenblik verloren laten gaan om de noodige maatregelen te 
nemen^ 20odat, toen de parlementair met het verwachtte weigerend 
Antwoord terugkwam, de kolonne reeds geheel gedebarkeerd en 
in slagorde opgesteld was en de aanvoerder de noodige ver- 
kenning gedaan had van de eerste sterkte, die zich tegen zijn 
opmarsch zoude kunnen verzetten. 

Zoodra hij het bericht van den parlementair ontvangen had, 
klonk zijn commando €€voorwaarts ,»* en zegevierend nam de 
kleine legermacht de eene stelling des vijands na den andere. 

Daar de troep een zeer vermoeienden dag had gehad , zoowel 
door de inspanning bij het debarkement, als in den heeten 
strijd , terwijl de dag te ver gevorderd was , om vóór het duister 
Tanette zelf te bereiken, liet Coehoom in de veroverde vijan- 
delijke versterkingen het bivak betrekken. 

Gunde Coehoom de dappere vermoeide strijders de noodige 
rust, voor zich zelf vond hij dat niet noodig en bijna geheel 
alleen toog de onverschrokken maar voorzichtige aanvoerder er 
op uit, om verder nauwkeurig 's vijands stelling te verkennen. 

De sterke hoofdplaats Tanette bleek gebouwd te zijn op een 
heuvel, die als 't ware als een steile kegel uit de vlakte oprees 
en het voorkomen had, als hadden Titanen ruwe massieve rots- 
blokken van reusachtige afmetingen tot eene geweldige hoogte 
ordeloos op elkaar gestapeld. 

Langs den voet dier hoogte bruischte eene woeste, snelstroo- 
mende rivier, wier beide oevers door talrijke forten met sterke 
wallen verdedigd werden, aansluitende aan eene reeks doelmatig 
aangelegde versterkingen, ten tijde van Daendels gebouwd door 
een, uit den Hollandschen dienst ontslagen, Fransch officier. 

Ten gevolge zijner, zelÉs gevaarlek vèr doorgezette verkenning, 
kwam de beleidvolle en ondervindingrijke aanvoerder tot de over- 



56 DB BESTOBMIMa VAN TAIOBTTB (CXLEBES) DOOR DEN XAJOOB 

tuiging, dat aan een aanval van die zijde niet gedacht kon worden , 
want behalve de talrijke versterkingen die nog stormenderhand 
genomen moesten worden, zou men onder 's vijands werkzaam 
vuur de rivierovergang moeten doen, en was men daarin ge- 
slaagd, dan stonden de troepen nog voor eene aan die zijde 
bijna loodrecht oprijzende, zoo goed als onbeklimbare rotswand. 

Aan de Zuidzijde zou een flink doorgezetten aanval met meer 
vrucht kunnen geschieden en daarom besloot de aanvoerder de 
veroverde positie's dadelijk op te geven en de hinderlijke rivier 
zoo spoedig mogelijk aan de monding over te trekken. 

Onmiddelijk werd het bivak opgebroken, de veroverde vijan- 
delijke stukken vernageld en zoo stil mogelijk de terugmarsch 
naar de debarkementsplaats aangenomen. 

Bij het aanbreken van den dag, op den 8®° Juni, stonden de 
troepen, andermaal in gevechtsorde geschaard, doch nu was de 
bezwarende overtocht volbracht. 

Na eene nog gedeeltelijk bij duister door den bevelhebber 
volbrachte verkenning, gaf hij de voor den aanval noodige 
bevelen. 

De marine landingsdivisie zoude met de gewapende sloepen 
de rivier oproeien en alle versterkingen op de linkeroever gelegen , 
waartegen de linkerflank der aanvalskolonne aanleimde, ver- 
overen, om zoo die flank der kolonne te dekken. 

Het detachement kavalerie onder den onversaagden ruiter-aan- 
voerder, de Luitenant F. C. A. Lahure *), zoude den rechter- 
vleugel dekken tegen de woeste aanvallen der overmachtige 
horden bereden Boeginezen , waartegen de dappere Lahure reeds 
zoo dikwerf met vrucht gestreden had en steeds overwinnend uit 
den strijd was teruggekeerd. 

De vier stukken veldgeschut werden onder dekking van infan- 
terie doelmatig op eene hoogte opgesteld, zoodat zij den aanval 
met succes konden voorbereiden en steunen. 



*) Deze Lahure ging in 1821 als onderoillicier naar Indië, bekleedde daar 
verschillende rangen, allen veroverd door zgn ontembaren moed en was 
later Luitenant-Generaal Adjudant van Z. M. den Koning der Belgen. 



M. G. C. BABON VAK COEHOOBN VAN HOUWBBDA 57 

Een deel der infanterie bleef in reserve om den rug te dekken 
en zoo noodig met de kavallerie samen te werken. 

Met het overschietende uitgezochte hoopje dapperen zou de 
aanvoerder, de dappere vermetele Majoor Coehoom, zelf den 
stormaanval doen. 

De gesteldheid van het terrein waar langs die eigenlijke storm- 
aanval zou moeten geschieden , was trouwens van dien aard , dat 
slechts een klein aantal dapperen te gelijk aan de bestorming 
konden deelnemen, zoodat de hoogst gewaagde, ja roekelooze 
onderneming dus alleen met eene kleine, doch uitgelezen bende 
moest volbracht worden. 

Bijna overal was de hoogte, waarop Lapatauw's hoofd verster- 
king gelegen was, wegens de vele reusachtige steile rotsblokken 
zel£3 in gewone omstandigheden onbeklimbaar, doch nu onder 
's vijands werkdadig vuur, behoorde het tot de onmogelijkheden. 

Slechts eene smalle, maar vrij steile weg slingerde zich tusschen 
die rotsenmassa's door uit de vlakte naar den top, doch werd 
reeds aan den voet der hoogte door eene aaneengeschakelde rij 
van versterkingen met zware wallen verdedigd, terwijl hooger 
op drie sterke bewapende batterijen op verschillende pimten der 
helling, boven elkander zoodanig waren aangelegd, dat zij op 
dat voetpad zoowel uit geweren als kanonnen overal kruisvuur 
konden geven, en was de eerste dezer batterijen door den aan- 
valler veroverd, dan kon het plongeerend vuur der andere, 
den veroveraar het vasthouden dier stelling zoo goed als on- 
mogelijk maken. 

Rekent men hierbij dat de licht bewapende inlanders van La- 
patauw's legermacht, onder bescherming hunner kanonnen, 
achter rotsblokken verscholen, de bestormers met het blanke 
wapen den doortocht konden betwisten, dan zal een ieder inzien 
dat de aanvoerder eene groote mate van onverschrokkenheid, 
zelfvertrouwen en vertrouwen in de zijnen moet bezeten hebben , 
om dat waagstuk te ondernemen , met de kans dat eene verplet- 
terende overmacht zijn reserves kon aanvallen en verslaan. 

Maar voor Coehoom bestond niets dat hij onmogelijk achtte. 



58 DB BESTORMINa YAN TANBTTB (OELKBEs) OOOB DBN KAJOOB 

en hij was gewoon dat de soldaten die hij aanvoerde en 
voorging, hem overal volgden. 

Zou reeds de aanblik dier geducht versterkte hoogte en de te 
overwinnen moeilijkheden verschnkkelijk genoemd kunnen worden , 
zoodra het vuur onzer artillerie geopend werd en de vijand dit 
krachtig beantwoordde, was het voorkomen der te nemen stelling 
ontzettend. 

Alles scheen in vuur en vlam te staan! 

De kegel geleek een vuurspuwenden berg die te midden van 
donder en bliksem, tusschen dikke rookwolken door, ijzer en 
lood uitbraakte. 

Aan alle zijden en van elk plekje dreunde het kanon en knet- 
terde het geweervuur, terwijl een dichte kruitdamp den berg in 
een wolk hulde, waar tusschen de vuurstralen der geweren en 
kanonnen als bliksemflitsen doorbraken, ook de verdedigers om- 
hulde en onzichbaar maakte, die, woest en uitdagend schreeu- 
wende en gillende, met het gebulder van 't geschut instemden 
tot een oorverdoovend concert. 

Het was een helsch tooneel! Maar Coehoom en de zijnen 
versaagden niet, ofschoon de opperbevelhebber zeer goed het 
buitengewoon moeilijke van den toestand inzag. 

't Was voor hem , overwinnen of sterven ! 

Coehoom nam de noodige maatregelen en gaf de vereischte 
bevelen voor 't geval dat hij sneuvelen mocht, of niet in staat 
was verder de leiding te voeren; nu de toestand zoo gevaarlijk 
was en alles van één goeden zet afhing, was hij, trots de op- 
merkingen zijner officieren, meer dan ooit besloten zelf den 
moeielijksten en meest gewaagden zet te doen, hoe vermoeid hij 
ook was, want sedert 24 uur had hij geen rust genoten, maar 
de kruitdamp en de voorbereiding tot den heeten strijd werkten 
opwekkend op dien strijdbaren held, die de zijnen altijd voor- 
ging in de meest gewaagde en gevaarlijkste ondernemingen. 

£ven voor hij tot den doodelijken aanval zal oprukken , schrijf t 
hij een briefje, dat hij onmiddelijk per prauw verzendt en waarin 
hij den Militairen kommandant te Makassar meldt, dat hij gereed 



M. a. C. BARON VAN COBHOOBN YAN HOUWKBDA 59 

is om den stormaanval te ondernemen en dat hij hem om 4 uur 
bericht zal zenden van de overwinning, of dat hij anders de 
stoute onderneming met zijn leven heeft betaald. 

Daar het woeden van den strijd op den linkervleugel den voet 
van de hoogte naderde, en dus de marine hare taak met het 
meeste succes scheen te volbrengen, stelt Coehoom zich aan 
het hoofd van het van ongeduld trappelende hoopje Hollandsche 
jongens, ziet hen een oogenblik met van strijdlust schitterende 
oogen aan, wijst met zijn zwaard 'svijands stelling en zonder 
een woord te zeggen stormt hij vooruit, gevolgd door de 
zijnen, en werpt zich te midden van den kogelregen op de 
eerste wallen. 

In één ontzettend élan worden de versterkingen aan den voet 
der hoogte met de bajonet genomen en tusschen den kruitdamp 
klinkt 't overwinnend hoera! der dapperen, onmiddelijk beant- 
woord door een luidklinkend hoezee! op de linkerflank, geest- 
driftig geuit door de overwinnende zeelieden der landingsdivisie, 
die goed en degelijk werk had verricht en nu te voorschijn kwamen 
met opgestroopte hemdsmouwen, als ware duivels, zwart van den 
kruitdamp, de bebloedde enterbijlen zwaaiende. 

£n als ging 't naar een feest, stormden nu beide troepen 
dappere Hollanders him beminden aanvoerder na, de hoogte 
op, de gevaarlijkste stellingen te gemoet. 

Velen vielen, doch de aanvoerder bleef als door een wonder 
ongedeerd, en over de gevallen makkers stormden allen juichend 
den held na, die hen als een wegwijzer voorging. 

Hijgend en eenigzins uitgeput kwam de gedunde troep dank 
zij den kruitdamp, bijna ongemerkt bij de eerste batterij, toen 
de vijand hen nog ver af waande. 

Doch nu werd 't vuur zoo ontzettend en de lansen door 
krachtige handen geworpen vielen in zoo groote getale in de 
stormenden troep , dat zel& deze dapperen een oogenblik weifelden. 

Coehoom beseft dat de minste aarzeling bij dat gevaarlijke 
werk de nederlaag in zich sluit; hoe krachtig zijne stem anders 
ook is, hij kan 't geweld van 't kanongebulder en 't uitdagend 



60 DE BBSTOBMINa VAN TANBTTB (CELEBBS) DOOK DEN MAJOOB 

geschreeuw des vijands niet overstemmen, en toch moest er iets 
gedaan worden om het élan te hernemen. 

Hij rukt zich de beide epauletten van de schouders en slingert 
die over de borstwering der batterij te midden der vijandelijke 
drommen, wijst met schitterenden blik zijne soldaten dat zij die 
moeten volgen , en bestormt zonder aarzelen de vijandelijke sterkte. 

Dat helpt ! 

Als geêlectriseerd volgen allen den held, werpen den vijand, 
verbaasd over zooveel moed en doodsverachting , met de bajonet 
terug, en volgen hem waar hij terugwijkt, hoe dapper hij ook 
nu en dan tracht stand te houden. 

Vooruit! is de leus en zonder meer te weifelen stormt alles 
voorwaarts, den onweerstaanbaren Coehoom na. 

Alle batterijen worden achter elkaar in denzelfden aanloop ge- 
nomen, zonder een schot te doen, want daartoe was geen tijd. 
De bajonet besliste alles. 

En toen dat dappere hoopje bovenkomende, hoewel hijgende , 
toch luid juichende, met bebloedde bajonet en enterbijl als baarlijke 
duivels op de hoofdversterking losstormt, waar de dappere 
Majoor hen reeds voorging, hield geen vijand meer stand en 
vluchtten zij naar alle zijden , opgevangen door de kavallerie onder 
Lahure, die den vijand voor zich uitjagende de achterzijde der 
hoogte bereikt had, en alles neersabelde wat nog poogde zich 
in de vlucht te verzetten. 

De bestormers waren buiten staat om den vijand te vervolgen, want 
zij waren doodelijk uitgeput; zelfs Coehoom viel onder een ver- 
overd vijandelijk kanon neder en bleef een oogenblik als dood 
liggen. Ook dien ijzersterken man was de inspanning te sterk ge- 
weest en 't vermoeide lichaam had een oogenblik rust noodig, 
doch een deel der reserve, dat de bestormers volgde, en dus 
minder uitgeput was, waakte en vervolgde het succes. 

De bestorming had 3 volle uren geduurd I Drie uren van onaf- 
gebroken klimmen, klonteren, stormen en strijden onder een hevig 
vuur! Drie uren van ontzettende, doodelijke inspanning! 

Maar de overwinning was volkomen en juist om 4 uur schreef 



M. a. C. BABOM VAN COBHOOBN YAN HOÜWSBDA 61 

Coehoom, die weder spoedig 't bewustzijn onder de zorg der 
zijnen herkregen had, zijn overwinnings bulletin zooals hij be- 
loofd had. 

Na drie dagen rust werd de vijand weder overal aangrepen 
en verslagen en weldra onderwierp de overwonnen vorst van 
Tanette zich aan alle voorwaarden. 

De toestand was gered! 

£ene kleine macht had een leger van 30000 man in een 
paar dagen verslagen en uit elkaar gejaagd. Onneembaar geachte 
versterkingen in één aanloop genomen en getoond dat met 
Holland's macht niet te spotten viel, dank zij de dapperheid 
der onzen, maar vooral dank zij den aanvoerder die de zijnen 
zoo wist te bezielen en voor te gaan. 

Drie weken na zijn terugkeer te Makassar overleed de dappere 
Coehoom aan de gevolgen van de vermoeienissen bij dien ont- 
zettenden reuzenstrijd , een der schitterendste wapenfeiten van het 
Indische leger, en dat leger verloor in hem een sieraad, een 
zijner beste, meest beminde en dapperste officieren. 

£en eenvoudig monument, door zijne strijdmakkers opgericht, 
wijst de plaats aan waar de held rust en vermeldt alleen den 
naam van M. G. C. Baron van Coehoom van Houwerda. 

Die naam alleen zegt meer dan boekdeelen voll 



Onverschrokken gedrag van den Luitenant der Infanterie 
J. ik Roeps in den Java-oorlog — 1828 

Na negen dagen keer ik weer, 
£n neem' uw wraak begin: 
Ik laat tot borgen woord en e^ 
En mil hem heilig in. 

H. Tollens, Albrecht fieiling. 

Onder hen die gedurende hunne militaire loopbaan door hun 
grooten heldenmoed in alle omstandigheden, hun kalm beleid 
in de grootste gevaren, hunne onwrikbare trouw en hooggeplaatst 
gevoel van eer een sieraad van het fiere Indische Leger waren, 
bekleedt zeker J. J. Roeps eene eerste, hoogstwaardige en hoogst- 
eervolle plaats, eene plaats die in onze Vaderlandsche geschiedenis 
de ridderlijke Nederlander Albrecht Beijling inneemt. 

Door zijne meerderen was hij geacht, door zijne makkers 
bemind, door zijne minderen vereerd, door den vijand gevreesd 
en bewonderd, en zijn vroegtijdigen heldendood in den strijd 
liet eene plaats open in het Indische Leger die moeilijk was aan 
te vullen, want hoe weinig iemand in eene krijgsmacht als de 
Indische onmisbaar geacht kan worden, officieren als Roeps zijn 
bezwaarlijk in hunne volle waarde tes vervangen. 

In het jaar 1810 trok hij op vijfjarigen leeftijd met zijn vader 
naar Indië, en werd op zijn 18® jaar (12 Aug. 1823) benoemd 
tot 2® Luitenant bij het Indische Leger. 

Gedurende den Java-oorlog, waar hij zich zoo boven allen onder- 
scheidde, was hij bijna voortdurend ingedeeld bij de 3® mobiele 
kolonne, aangevoerd door den dapperen voortvarenden Luitenant- 
Kolonel J. Ie Bron de Vexela, die reeds als Majoor op Celebes 
de riddersporen verdiend had en voor den Java-oorlog het kruis 
der Militaire Willemsorde 3® klasse ontving. 



ONYEBSOHBOKKBN GBDRAa VAN OBN LT. J. J. B0EP8 68 

Gedurende dien oorlog werd Roeps voor zijne heldendaden» 
zijne grootsche wapenfeiten en zijne onschatbare diensten , achter- 
eenvolgens beloond met. 

De Militaire Willemsorde 4® klasse. 

De Nederlandsche Leeuw en bij keuze tot kapitein bevorderd. 

In het jaar 1831 in het Vaderland met verlof zijnde om zijne 
wetenschappelijke kennis te vermeerderen , bood hij zich terstond 
aan toen het vaderland al zijne dappere zonen noodig had en 
allen als om strijd gehoor gaven aan de roepstem des Konings. 
Hij volgde als adjudant zijn vroegeren chef in den Java-oorlog, 
Kolonel J. Ie Bron de Vexela, in het 5* district (Zeeland). 

Het was geen wonder dat die dappere, doortastende Kolonel 
zich Roeps tot adjudant koos, want hij had dien brave op zijne 
menigvuldige gewaagde en moeilijke tochten in den Java-oorlog 
leeren kennen en hij was overtuigd dat hij nu altijd iemand bij zich 
zou hebben, die zich door groote, schitterende militaire hoedanig- 
heden boven allen onderscheidde en door de opgedane onder- 
vinding in den waren zin des woords zijn rechterhand zoude zijn. 

Des Kolonels verwachting werd natuurlijk niet bedrogen en 
Roeps toonde zooveel moed en beleid, en zijne nieuwe helden- 
daden vestigden zoo de aandacht op hem , dat Z. M. den Koning 
hem bevorderde tot Ridder der Militaire Willemsorde 3® klasse. 

Roeps verkeerde dus op 26-jarigen leeftijd, bij keuze Kapitein 
en schitterend gedecoreerd, door eigen verdienste in eene be- 
nijdenswaardige positie, die voor de toekomst alles beloofde. 

Doch een krijgsman, die voor zijn land strijdt, is helaas dik- 
werf het einde zijner loopbaan zeer nabij, want 's vijands lood 
treft somtijds de meest waardigen. 

Na een uiterst vermoeienden marsch op den ii*° November 
1828, gedurende den Java-oorlog, vernam de Luitenant- Kolonel 
J. Ie Bron de Vexela, kommandant der 3* mobile kolonne, des 
morgens te half drie van een zijner spionnen dat Eliaij-Modjo, 
een der dapperste, beleidvolste en invloedrijkste aanvoerders der 
opstandelingen, eene stoute onderneming in het Padjangsche, in 



64 ONYBRSOHBOKKBM OKDBAG VAN DEN LUITENANT 

de onmiddelijke nabijheid der 3® kolonne op het oog had en 
langs den rechteroever der Bedokrivier noordwaarts rukte. 

Ofschoon zijn troep van de vermoeienissen van den vorigen 
dag nog niet geheel bekomen was, aarzelde de aanvoerder, zijne 
dapperen kennende, geen oogenblik om zijne kolonne onmiddelijk 
onder de wapens te doen komen, ten einde den vijand met aÜe 
kracht te vervolgen, en toen ook de troep het doel van den 
tocht vernam, was alle afmatting terstond geweken, want de kans 
om, zij 't ook met ongehoorde inspanning, den Kiaij te verslaan 
en wellicht gevangen te nemen, bezielde allen naar het voorbeeld 
van den Chef met nieuwen moed en geestkracht 

Alles wat dien geforceerden marsch ook maar eenigzins kon ver- 
tragen werd achter gelaten in het bivak en ieder der manschappen 
van de noodige levensmiddelen voor één dag voorzien , ten einde 
zich zoo vlug mogelijk te kunnen bewegen en het den vijand in 
snelheid af te winnen. 

Overal waar de kolonne kwam, vernam men dat Kiaij Modjo 
nog steeds vooruit was en te Boender aankomende, berichtte 
men den kommandant dat de voorsprong des vijands nog van 
dien aard was, dat hij moest wanhopen hem voor Zonsondergang 
te bereiken. 

De voortvarende Overste wilde eehter niets onbeproefd laten 
om den tocht te doen gelukken ; daarom besloot hij onmiddeUijk 
de marsch met den meesten spoed voort te zetten, na zijne 
soldaten uit de versterking te Boender nog voor een dag levens- 
middelen te hebben doen verstrekken en hoe vermoeid de 
krijgers ook waren , toch gingen zij gewillig en welgemoed verder , 
altijd vol hoop om dien vijandelijken aanvoerder onschadelijk te 
maken. 

Te Pontjo aangekomen vernam Le Bron de Vexela dat de 
vijand, ongeveer 500 man sterk, zonder iets kwaads te ver- 
moeden in een djagong-veld nabij kampong Babedan gelegerd was. 

Het kwam er nu op aan den vijand te omsingelen en te ver- 
rassen, want dat deze in aantal zeer overmachtig was en 
reeds geheel uitgerust, dat waren bijzaken die bij die dapperen 



J. J. ROIPS IN DKN JAYA-OOELOO — 1828 65 

niet in aanmerking kwamen en ook niet behoefden te tellen ^ 
want moed, discipline en geoefendheid wogen ruimschoots tegen 
die overmacht en dat voordeel op. 

De Kolonne-Kommandant gaf aan Luitenant Roeps den last, 
om te trachten zoo snel mogelijk, doch met de meeste om- 
zichtigheid, met zijne mannen den vijand in den rug en op 
de flanken te komen, zoodat deze geheel ingesloten zoude zijn. 

En Roeps volbracht die beweging zoo behendig en tactvol, 
dat de vijand eerst bemerkte dat hij aan alle zijde door onze 
troepen omringd was en aan hun moordend kruisvuur blootgesteld 
zoude zijn, toen de aanvalskolonnes reeds op pistoolschotsa&tand 
van zijn bivak in slagorde geschaard en tot het gevecht gereed waren. 

De vijandelijke aanvoerder stond verplet op die geheele onver- 
wachte en onmogelijk geachte verschijning der troepen; zijne 
mannen renden verschrikt dooreen om een uitweg te zoeken, die 
echter aan alle zijden afgesneden was, terwijl hen dreigend de 
waarschuwing van den Overste in de ooren klonk, om stil te 
staan, daar hij anders allen zou laten neerschieten. 

Onmiddellijk verzochten eenige priesters om te mogen onder- 
handelen en wel door tusschenkomst van den Luitenant Roeps, 
dien zij herkend hadden en dien zij , al was hij ook hun vijand , 
bijzonder hoogachtten. 

Terstond begaf de kranige luitenant zich ongewapend te 
midden der opgewonden, wanhopige vijanden en eischte uit naam 
van zijn Chef onmiddelijke overgave binnen twee minuten, daar 
anders het vuur geopend zou worden, en dat zonder de minste 
vrees te doen blijken, dat de vijand, hem in zijne macht hebbende, 
eene wanhopige poging zou kunnen doen , waardoor hij tusschen 
den vijand en 't vuur der eigen troepen zou staan, en wellicht 
het eerste slachtoffer zijn. 

Maar Roeps kende geen vrees. 

De vijand gaf zich dadelijk over, en bewaakt door den kleinen 
troep werd terstond naar de versterking te Boender teruggemar- 
cheerd, zonder dat de Chef het noodig achtte om den vijand de 
wapens te ontnemen; die wapens zou men later wel krijgen, 

5 



66 ONYBBSOHBOKKSN GBDBAO VAN DBN LUITSNANT 

want nu zou men die hebben moeten vervoeren en op die wijze 
droeg de vijand ze zelf, die gelukkig geen poping deed om er 
gebruik van te maken, want hij kende de onzen. 

Te Boender biva^eerden de gevangenen onder het bereik van 
het kanon der versterking; aan Roeps werd de hoogst gevaarlijke 
opdracht gegeven alleen te midden dier gewapende en altijd ver- 
raderiijke vijanden te blijven , om te trachten het vertrouwen van 
Kiaij-Modjo te winnen , zoodat van diens invloed op Diepo Negoro 
en zijn onderbevelhebber Sentot gebruik kon worden gemaakt. 

De dappere Roeps stelde andermaal zonder aarzelen zijn leven 
in de waagschaal, waar zijn plicht en het belang van zijn land 
hem riepen. 

Dit was het begin der onderhandelingen met de beide voor- 
naamste hoofden van den opstand, waartoe Roeps gebruikt werd, 
als 't meest op de hoogte der Inlandsche gebruiken en de finesses 
der Javaansche hof-taal. 

Gedurende die onderhandelingen liet Diepo Negoro, hetzij uit 
onbekendheid met de oorlogsgebruiken , hetzij dat hij 't niet noodig 
achtte zich daaraan te storen, den onderhandelaar gevangen 
nemen en veroordeelde hem ter dood , aan Sentot opdragende 
dat vonnis te voltrekken. 

Sentot voldeed niet dadelijk aan dien last, doch zette middels 
den gevangen Luitenant Roeps de onderhandelingen voort, hem 
echter op zijn woord van eer latende beloven vrijwillig terug te 
zullen keeren en zich weder gevangen te geven. 

Hoewel Roeps wist dat zijn vonnis geslagen was en het slechts 
van de luim van een Inlandsch despoot, van Sentot, afhing dat 
het voltrokken werd, hoewel Chefis en vrienden en zelfs eene 
geliefde vrouw hem smeekten te blijven, daar toch Diepo Negoro 
wederrechtelijk gehandeld had, toch ging Roeps, trouw aan zijn 
gegeven woord, terug en stelde zich weder in handen van den 
man, op wiens eenvoudige wenk de beul zijn werk zou kunnen 
doen, want zijne eer was hem dierbaarder dan zijn leven, dier- 
baarder dan de vrouw die hij liefhad. De vijand moge eerloos 



J. J. ROBPS DU DEN JATA-OOBLOO — 1828 67 

gehandeld hebben, hij zou zijn eerewoord gestand doen, en, een 
Albrecht Beijling gelijk, wisselde hij 't gegeven woord tot drie- 
maal toe weder in, tot verbazing en eerbied van den vijand over 
zooveel trouw. 

Eindelijk werd hij uitgewisseld tegen een Inlandsch hoofd van 
vorstelijken rang, door Diepo Negoro naar den opperbevelhebber 
gezonden, die nu dat hoofd gevangen nam en weigerde los te 
laten, voor dat Roeps ongedeerd was uitgeleverd. 

Zoo handelde Albrecht Beijling in vroegere eeuwen en is daar- 
door vermaard in de geschiedenis, zoo handelde een Luitenant 
van het Indische Leger, diens roemrijke naam komt slechts in hoogst 
enkele werken voor, en Nederland kent dien niet. 

Den 9*" April 1829 liep de met Diepo Negoro en diens onder- 
onderbevelhebber Sentot gesloten wapenstilstand ten einde en 
werd , wegens de negatieve resultaten die verkregen werden , niet 
voortgezet 

In de maand Julij kreeg de Kommandant der 3® mobiele kolonne 
bericht, dat een van Sentot's onderbevelhebbers, Djojomengolo , 
een stout, ondernemend en dapper krijgsman^ zich met zijne 
bende op eene hoogte, Geger genaamd, gelegerd had, vandaar 
uit voortdurend strooptochten maakte en het omliggende land 
brandschatte. De op die hoogte door dat hoofd gebouwde ver- 
sterking werd door dezen, wegens den bijzonder gunstigen toestand 
van het terrein, voor onneembaar geacht. 

Hij had daarbij echter niet gerekend op de dapperen der 3® 
kolonne, voor wie onder aanvoering van mannen als Ie Bron de 
Vexela en Roeps, niets onneembaar was. 

De opmarsch naar Geger leverde zeer groote bezwaren op , daar 
slechts een nauwelijks merkbaar voetpad daarheen voerde door 
man's hooge alang-alang, over reusachtige rotsblokken en breede 
kloven en zich langs steile bergwanden en door diepe ravijnen 
opwaarts slingerde. 

Reeds bij het begin van den tocht, op den 17*" Julij 1829, werd 
de kolonne in het sterk geaccidenteerde terrein door eene bende 



68 ONVBB80HBOKKEK OKDBAO VAN DEN LXnTBNAKT 

opstandelingen hevig aangevallen, doch lang hield dit de kolonne 
niet op, daar Roeps haar verdreef en krachtig vervolgde. 

Hoe meer de kolonne de vijandelijke positie naderde, hoe 
moeielijker de tocht werd, daar het bosch dat men bereikte bijna 
ondoordringbaar was en bij eiken pas voorwaarts met de klewang 
een weg door de welige, woeste plantengroei gebaand moest worden. 

Eindelijk berichtte de gids dat men vóór Geger stond, doch 
van de plaats waar hij zich bevond, eene kleine met alang-alang 
begroeide vlakte , zag de aanvoerder niets dan een ondoordringbaar 
woud, dat voor zijne voeten bijna loodrecht oprees. 

Daar boven moest de versterking liggen. Alles was echter zoo 
stil en er was zoo weinig waar te nemen , dat Ie Bron de Vexela 
dacht, dat óf de gids hem misleidde, óf dat de vijand de stelling 
reeds verlaten had; het eene vond hij al even onaangenaam als 
het andere. 

Plotseling werd de kolonne echter van uit het dicht geboomte 
met een hevig kanon- en geweervuur begroet, gepaard aan een 
woest en uitdagend krijgsgeschreeuw. 

Men was dus blijkbaar waar men wezen moest 

Dadelijk zond de Kommandant den Luitenant L. Stokbroo af , 
om met eenige manschappen eene naburige hoogte, die de rots 
van Geger scheen te beheerschen, te bezetten, en ging toen tot 
verkenning over, ten einde te trachten eene opening te vinden 
om in die %vildemis door te dringen. 

De aanval bleek alleen in front mogelijk te zijn, want de 
steile hoogte waarop de versterking gelegen was, paalde van 
achteren aan een diepen afgrond, waarover de rots als 't ware 
heenhing , zoodat eene omtrekking niet mogelijk was. De gezochte 
opening werd wel gevonden, doch men zag tevens dat die toegang 
door veldwerken beschermd werd en door doornstruiken en 
voetangels zooveel mogelijk ontoegankelijk was gemaakt. 

Overwegende dat een vuurgevecht doelloos verspillen van 
munitie zoude zijn, omdat toch geen vijand zichtbaar was, besloot 
de Kommandant om maar dadelijk tot den stormaanval over te gaan. 

Herhaaldelijk voerde Ie Bron de Vexela zelf zijne soldaten 



J. J. ROEFS IN DBN JAYA-OORLOO — 1828 69 

tot de Storm aan, doch met de grootste inspamiing kwam men 
niet verder dan aan den rand van een rotsachtig plateau, van 
waar de vijand de troepen telkens met verlies terug wierp en de 
aanvallers verpletterde onder granietblokken die naar beneden 
geslingerd werden. 

Ook de Luitenant Stokbroo keerde onverrichter zake terug, 
want de hem aangewezen hoogte had hij onbeklimbaar bevonden. 

Reeds had Ie Bron de Vexela een brieQe aan Kolonel Cochius 
gezonden waarin hij om versterking vroeg , toen Roeps , die met 
de zijnen bij de vervolging van den vijand wat ver van de 
kolonne was afgedwaald, bij den troep terugkeerde. 

Nog eenmaal zoude nu de aanval beproefd worden langs 
verschillende punten, waarbij Roeps op zijn verzoek den aanval 
in het front zoude leiden. 

De storm-marsch klinkt andermaal en voorwaarts stormt Roeps , 
als altijd de soldaten vooruit 

Trots een hagelbui van kogels en steenen blijft hij de zijnen 
voorgaan en na eene ontzettende krachtsinspanning gelukt het 
hem vasten voet op het rotsplateau te krijgen, waarna de vijand 
als door tooverslag verdwenen was. 

Een nieuwe kegel staat voor hem, van waar de vijand ander- 
maal zijn looden en steenen projectielen onder triomfantelijk 
krijgsgeschreeuw neerzendt op de hoofden der ongedekt staande 
aanvallers, die zich op het open rotsplateau bevinden. En die nieuwe 
kegel is nog steiler dan de vorige, ja helt op sommige punten 
zelfs voorover; slechts aan den top heeft zich eenig struikgewas 
vastgehecht, dat weder den vijand voor hunne oogen verbergt. 

De terugtocht is hier niet meer mogelijk, want dan zouden 
allen onder het afdalen verpletterd worden, of naar beneden 
springend zich zelf verpletteren tegen de rotsen. Vooruit, is de 
eenige weg die redding kan aanbrengen en alleen de uiterste ver- 
metelheid kan hier de overwinning bezorgen , want Djojomengolo 
moet uit zijn arendsnest verdreven worden ten koste van alles. 

Dit gaat Roeps als een bliksemstraal door de gedachte en hij 
begrijpt tevens, dat die laatste worsteling een gevecht zal zijn op 



70 ONYBBSGHBOKKEK GEDRAG VAN DEN LUITENAMT 

leven en dood, waarbij met uiterste woede en wanhoop gestreden 
zal worden. 

Doch dit schrikt de dappere Roeps niet af! 't Moet ! Al is zijn 
troep nog zoo gedund door achterblijvers en gewonden , hij moet 
vooruit, al zou hij alleen gaan en voor menschen van zijn ge- 
halte, die trots alle gevaar kalm blijven en den toestand met 
helderen blik overzien, is denken en handelen één. 

Hij bemerkt een grooten Waringin-boom , wiens reusachtige 
wortels zich op het steilste gedeelte in de rots hebben vastgezet. 

Attaqueeren ! klinkt zijn kommando, al voelt hij ook dat hij gewond 
is; hij neemt den degen tusschen de tanden en zich met beide 
handen aan de wortels vastklemmende, begint hij vooraan de 
gevaarlijke bestijging en hijscht hij zich tegen den loodrechten 
soms overhellenden rotswand naar boven, onmiddelijk gevolgd 
door den Javaanschen sergeant Soerio-Dento, de Luitenant Stokbroo, 
die zich met hem vereenigd heeft, de Inlandsche Luitenant 
Soerio-Prawiro, de Javaansche sergeant Mertodrono en de In- 
landsche fuseliers Boesa, Sjetro en Kamsie. 

Als een tros vruchten hangen die dapperen aan de wortels 
van den boom en klimmen langzaam opwaarts zonder zich te 
storen aan de hagelbui van projectielen van allerlei soort die de 
vijand hun toezendt, doch waartegen de wortels en overhangende 
rostblokken hen eenigzins beschermen. 

Roeps en de Inlandsche sergeant Soerio-Dento springen 't eerst 
buiten adem op het bovenste kleine plateau en worden terstond 
met groote onstuimigheid aangevallen, waarbij Soerio-Dento 
doodelijk gewond neervalt, na eerst den aanvoerder Djojomengolo 
door een bajonetsteek te hebben neergeveld. 

Het handgemeen dat nu volgt is verschrikkelijk! De degen van 
Roeps breekt ; dadelijk grijpt hij een geweer en valt met de bajonet 
aan, allen die hem en de zijnen tegenweer bieden neervellende 
of terugdrijvende, doch daar het plateau weinig ruimte aanbiedt , 
moeten zij die vluchten willen naar beneden springen in den 
diepen afgrond , die de achterzijde begrenst en waar zij te pletter 
vallen. 



J. J. BOEPS IN DEN JAYA-OORLOO — 1828 71 

Toen geen vijand meer te bestrijden was, rees een juichend, 
begeesterend hoera ! uit de hijgende borsten der overwinnaars op , 
terwijl zij tusschen de verslagen vijanden staande, hunne met bloed 
bevlekte wapens, die zij zoo dapper en doodelijk hanteerden, 
boven hun hoofd zwaaiden en beneden hen uit de vlakte klonk 
als een echo op dien jubelkreet, het opwekkend overwinnend 
Wilhelmus, juist toen de door Kolonel Cochius gezonden onder- 
steuning de kolonne bereikte. 

De overwinning was volkomen; de buit aan wapens en voor- 
•raad aanzienlijk; Roeps had weder zijn roemrijken naam gehand- 
haafd en een nieuwen lauwer verworven. 

Den 23®° Maart 1840 sneuvelde de dappere Roeps, slechts 
31 jaar oud, als Luitenant Kolonel, terwijl hij als naar gewoonte 
zijne soldaten voorging in den strijd. 

Baros (Sumatra's Westkust), waar Roeps het bevel voerde , was 
door Neêrland's erfvijanden, de Atjehers, aangevallen en door 
veldwerken ingesloten en hoe dikwerf Roeps hen ook verdreef, 
altijd keerden zij in grooteren getale terug. 

Den 23®° Maart 1840 rukte Roeps zelf uit aan het hoofd van 
100 onderofficieren en minderen en verdreef den vijand na een 
hevig gevecht, waarin wij 26 man aan dooden en gewonden 
verloren, doch helaas ook de dappere aanvoerder, die zijne 
soldaten als altijd overwinnend voorging en door een schot in 
de maag getroffen werd. 

Hij viel op het veld van eer tijdens eene glansrijke overwinning 
en stierf zooals hij geleefd had, als een brave, trouwe Neder- 
lander, als een ridder zonder vrees en zonder blaam, door allen 
diep betreurd. Het was een zwaar verlies voor het Leger en het 
Vaderland en het is de plicht van alle Nederlanders om er voor 
te waken, dat de roemrijke naam van die heldenfiguur voor het 
nageslacht bewaard blijft. 



Ruitergevecht aan de Progo 

Schitterende vervolging van Diepo Negoro in den 

Java-oorlog door den Luitenant Kolonel der 

Infanterie B. SollewUn — 1829 

Des hommes géants sur des cheveaux de fer. 
YiCTOB Huoo (de Inirassiers b\j Waterloo)» 

Door hunne woeste natuur, hunnen dikwerf zeer moerassigen 
bodem, hunne sawahgronden , hunne vele stroomloopen en 
vooral door hun weelderigen plantengroei, waar soms de infan- 
terist niet dan met de grootste moeite en slechts met behulp 
van een kapmes in doordringt, eigenen de terreinen, waar ons 
Indisch Leger oorlog voert, zich minder tot groote kavallerie- 
gevechten, wat dan ook de oorzaak is dat dit ridderlijke wapen 
in Indië soms zoo weinig op den voorgrond treedt en zelden in 
groote massa's aan den strijd deelneemt, die dan ook meest altijd 
door de andere wapens en hoofdzakelijk door Infanterie gevoerd 
en beslecht wordt. 

Op Java en Celebes, waar de Inlandsche vijand ook bereden 
troepen tegen ons aanvoert, heeft de kavallerie, zooals herhaal- 
delijk bij de verschillende expeditiën op Celebes en in den Java- 
oorlog gebleken is , ruimschoots de gelegenheid benut, om van al 
hare groote en edele eigenschappen , hare woeste kracht en onstui- 
mige dapperheid bij min of meer grootere massa's blijk te geven , 
doch in de andere gewesten en daaronder ook Atjeh , is de dienst 
der kavallerie gewoonlijk beperkt tot verkennings- en ordonnansen- 
dienst, waaraan somtijds nog meer gevaren verbonden zijn en 
die dikwerf den moed der bereden troepen nog meer op den 
proef stellen. 

Maar neemt de kavallerie deel aan den strijd als werkelijke 
gevechtskracht, dan weet zij zich te doen gelden even als hare 
makkers der andere wapens en toonen de dappere huzaren 



BUITEBGBVBCHT AAN DB PROOO — 1829 73 

zich als waardige loten van den Hollandschen stam boven allen 
lof verheven, onstuimig en onweerstaanbaar in het élan hmmer 
charges , bewonderenswaard door hmmen moed en hunne doods- 
verachting, en geven zij de bewijzen, dat zij zoowel als hunne 
rijdieren, hoe klein deze ook zijn in vergelijking met de paarden 
van buitenlansch ras, de deugd bezitten van voor de andere 
wapens van het Indische Leger niet onderdoende volharding, 
stalen wilskracht en een ijzeren discipline. 

Een der schitterendste kavallerie-gevechten had gedurende den 
Java- oorlog plaats bij de Progo rivier , waar onze dappere huzaren 
eene kolossale bereden overmacht chargeerden en wonderen van 
dapperheid verrichtten, maar waar ook de Inlandsche tegenstander 
de bewondering van vriend en vijand afdwong, niet alleen door 
zijn moed en zijne doodsverachting, maar vooral door zijne 
bijna voorbeeldelooze en edele zelfopoffering om door zijn dood 
zijn Sultan te redden, die dan ook daardoor alleen aan de han- 
den onzer dapperen ontkwam. 

Den i6«° September 1829 ontving generaal Cochius het be- 
richt, dat Diepo Negoro weder de Progo-rivier was overgetrokken 
en zich met een 300tal bereden volgelingen naar het Selarang- 
gebergte begeven had. 

Terstond werden de noodige verkenningstroepen uitgezonden 
en weldra kreeg de Chef de tijding dat Diepo Negoro met zijne 
benden te Silo gelegerd was. 

Silo is eene in gebergte, als in eene kom gelegen kampong, 
geheel door bergen omringd; tot die kom is slechts toegang 
door twee doorgangen tusschen de insluitende hoogten, een 
oostelijke en een westelijke. 

Daar het van het hoogste belang was, niet alleen den hoofd- 
opstandeling een nederlaag toe te brengen, maar zich ook van 
zijn persoon, hetzij levend of dood, meester te maken, wer- 
den door den bevelhebber de meest uitgebreide maatregelen 
genomen. 



74 RUITEBGKVBOHT AAN DKN PBOOO — 1829 

De 3® mobiele kolonne onder den Luitenant Kolonel J. Ie Bron 
de Vexela, die zich te Gamplong bevond, moest zijne ver- 
kenningen langs den linkeroever der Progo uitstrekken; 

de lo® kolonne, die te Kanigoro stond, zou, onder Generaal 
Cochius zelf , de streek tusschen deze plaats en Gamplong door- 
loopen, terwijl 

de I® kolonne onder den Luitenant Kolonel B. SoUewijn van 
uit Bantoel , ten oosten van Silo , derwaarts moest oprukken , 
zoodat de vijand als het ware langs de drie zijden van een 
driehoek was ingesloten en altijd in de handen van minstens 
een, doch wellicht ook van twee of mogelijk ook in de macht 
van alle drie de kolonnes te gelijk zou vallen. 

Het zij hier dadelijk gezegd, dat door toevallige omstandigheden 
de 3® en lo® kolonne, zoo goed als geen vijand zagen en de 
uitvoering van den beraamden tocht alleen op de i^ kolonne rustte, 
hoewel 't zoo goed als zeker is, dat vooral de aanwezigheid 
der lo® kolonne den vijand belette naar *t Noorden te ontko- 
men en weer naar het pimt teruggedreven werd, van waar zij 
gekomen was. 

Na uit Djoqocarta nog eene afdeeling van 25 huzaren tot ver- 
sterking gekregen te hebben, zoodat zijne kavallerie eene sterkte 
had van 80 paarden, onder den Luitenant F. de Latre (*), stond 
de I® kolonne des morgens ten 7 uur tot handelen gereed en 
rukte op zonder legertros of geschut, ten einde de snelheid en 
de marsch door niets te belemmeren. 

Voorop ging de voorhoede bestaande uit de jagers en scherp- 
schutters onder den Luitenant R. de Bruijn, een officier wiens 
beleid en moed boven allen lof verheven was, iemand waarop 
de aanvoerder als op een rots kon bouwen en die hoewel her- 
haaldelijk gewond , telkens , zoodra hij maar weder een sabel kon 
voeren, dadelijk aan de krijgsoperatien deel nam en als naar 
gewoonte de zijnen in alle gevaar ridderlijk voorging. 

(*) In sommige werken ook Delattre genoemd. 



BUITEEOKVEOHT AAN DB PROOO — 1829 75 

£r werd zoo beleidvol gemarcheerd , dat de scherpschutters en 
jagers reeds de hoogten nabij Silo beklommen hadden, om de 
kampong om te trekken, voor dat de vijand nog iets van onze 
nadering bemerkt had. 

Toen hij echter de Luitenant de Bruijn positie zag nemen, 
drong de vijand van alle zijden de kampong uit om den strijd 
te aanvaarden en te trachten den aanvallende troep tegen te 
houden, zoodat de sultan Diepo Negoro gelegenheid zou kunnen 
vinden om te ontsnappen; de Bruijn gunde hem echter niet 
veel tijd, en geen mogelijkheid ziende, om het den bereden 
troep des vijands met zijn infanterie in vlugheid af te winnen, 
bleef hij waar hij was en opende terstond een levendig goed 
gericht vuur op de zich verzamelende ruiters, waardoor de ver- 
warring in *t vijandelijk kamp meer en meer toenam. 

Dit vuur moest hij echter weldra staken , toen de eigen kaval- 
lerie in het gevecht een woordje mede sprak. 

Als een lawine stortte zich de Latre met zijn 80 ruiters op de 
meer dan 300 man sterken, goed gewapenden dapperen vijand; 
de schrik onder deze was ontzettend en er ontspon zich een 
schitterend gevecht , niet man tegen man , maar van één 
tegen vijf. 

Er werd met de grootste verbittering gestreden, doch tegen 
de machtige sabelhouwen onzer huzaren waren de Inlanders niet 
bestand. De strijd was bloedig en woest en er werden tal van 
dappere daden van beide zijde gedaan, doch alles volgde 
elkaar zoo snel op, dat geen pen in staat is het grootsche ge- 
heel van dien reuzenstrijd te beschrijven. 

Prawido Dirdjo (Sentot) , de meest vertrouwde onderbevelhebber 
van Diepo Negoro, maar tevens de dapperste en de meest be- 
leidvolle, begreep dadelijk dat aan den Sultan alleen de vlucht 
overbleef en daartoe gaf hij, dapper strijdende, de noodige 
bevelen, terwijl hij zelf met eenige ruiters goed merkbaar de 
wijk nam naar 't gebergte, om de aandacht op zich te vestigen 
en eene vervolging van zijn persoon uit te lokken, ten einde 
ooz de kans om te ontsnappen voor zijn vorst te vergrooten. 



76 BUITEBGEYBCHT AAN DE PB060 — 1829 

Terstond rent Luitenant Joubert (*) hem met eenige huzaren 
achterna. Een oogenblik houdt Sentot stand, doch de aaaval van 
Joubert en zijn liandje vol huzaren is zoo onstuimig, zij drongen 
zoo dapper op de vijand in, dat deze na een verlies van viji 
man de vlucht tegen de hoogte op voortzette. Onvervaard volgt 
Joubert hem en bereikt Sentot voor de tweede maal, verwondt 
hem door een sabelhouw, doch deze ontkomt toch door zich in 
een dicht begroeid ravijn te storten, wat hem alleen daardoor 
mogelijk was, omdat negen zijner dapperen door de opoflFering 
van hun leven zijne ontsnapping begunstigden. 

Te midden van dien worstelstrijd tegen de groote overmacht, 
die gaande weg uiteenspatte, zag zoowel SoUewijn als de Latre 
eensklaps een ruiter op een fraai zwart paard, gevolgd dooreen 
zeventigtal bereden volgelingen, naar den westelijken uitgang 
snellen. Door den donkeren tulband, de groene wapperende 
kabaai en de wit zijden onderkleeding hebben beiden den hoofd- 
opstandeling herkend , en beiden , overtuigd dat vooral deze niet 
mag ontsnappen, nemen ieder voor zich terstond de noodige 
maatregelen, om zich van dien vorst meester te maken. 

Onmiddellijk 't gevecht afbrekende, stormt de Latre, gevolgd door 
een twintigtal huzaren die in zijne nabijheid waren, den vluch- 
tenden troep achterna. Nabij den westelijken uitgang hebben deze 
zich in slagorde geschaard om den schok af te wachten, terwijl 
de vorst met eenige getrouwen de vlucht voortzet. 

De woeste aanval van de huzaren werpt echter dien troep 
met een verlies van twintig man overhoop en zonder zich verder 
om die vijanden te bekommeren rennen onze dapperen in toome- 
looze vaart den hoofdopstandeling na. De wachtmeesters Bloem en 
Cassenhoven, zoomede de brigadiers Klijn en Bentawick werden 
daarbij gewond, doch zij dachten er niet aan den troep te ver- 
laten , zoo bezielde allen den wensch om Diepo Negoro ten koste 
van alles gevangen te nemen. 

Ondertusschen heeft de Overste Sollewijn den Luitenant de 



(*) In sommige werken ook Jaubert genoemd. 



RUITKRÖBVEOHT AAN DE PBOGK) — 1829 77 

Bruijn, die met zijne Jagers het gevechtsterrein genaderd was, 
opgedragen verder 't gevecht te voeren en hem vervolgens door 
den westelijken uitgang te volgen, waarna hij <tverzamelen» voor 
de kavallerie laat blazen. 

Gehoorzaam aan 't signaal breken allen den strijd af en 
stormen den overste achterna, die reeds op het voetspoor van 
de Latre den vluchtenden Diepo Negoro volgt 

Nu gaat het in dolle, duizelingwekkende vaart vooruit , trots de 
omstandigheid dat de paarden reeds een vrij grooten rit en een 
belangrijk gevecht achter den rug hebben, doch deze schijnen 
als door denzelfden geest, hetzelfde verlangen als de ruiters be- 
zield , en de kleine krachtige paarden toonen waartoe zij in staat 
zijn, als zij door dapperen als onze huzaren worden aangespoord. 

Voort gaat 't over hoogten en laagten, over heggen en struiken, 
steeds den vluchteling in 't oog houdende , steeds den vijand over- 
hoop werpende, als deze zich een oogenblik met edele zelfop- 
offering tot wederstand schaart, om den Sultan een voorsprong te 
geven. De huzaren rennen als 't ware door den vijand heen , zich 
met het zwaard een weg banende en zich om de overigen niet 
meer bekommerende. 

Diepo Negoro is aller doel ! Vooruit is 't wachtwoord , vooruit 
dien éénen achterna, die meer waard is dan duizenden. 

Bij de Progo rivier gekomen werpt Diepo Negoro zich met de 
rest zijner volgelingen in den stroom, doch ook Sollewijn, de 
Latre, Joubert en eenige huzaren volgen bijna gelijktijdig, 
eenigszins boven-strooms , dat voorbeeld en beijveren zich den 
Hoofdopstandeling op den anderen oever vóór te zijn, doch hoe 
zij hunne hijgende rossen ook met ongeduld aansporen, het 
geluk is him niet gunstig, want zij moeten door den diepen 
stroom zwemmen, terwijl Diepo Negoro eene waadbare plaats veel 
sneller overtrekt. 

Daar zet de vluchtende Vorst voet op den anderen oever, maar 
ook de huzaar Doorenboom bereikt met ongeloofelijke inspanning 
te gelijk met hem den wal en valt hem terstond aan, al is de 
vorst ook door tal van getrouwen omringd. Naast Diepo Negoro 



78 BUITEBGSyBCHT AAN DB PROGO — 1829 

rennende lost hij zijn pistool, doch mist; nu grijpt hij naar den 
teugel van des vorsten paard, want in de haast door struiken 
dringende had h^ zijn sabel verloren, maar hij valt, door tal 
van lanssteken getroffen, zielloos van zijn paard. 

Joubert komt met een paar huzaren tijdig genoeg om Doo- 
renboom te wreken, echter te laat om zich van Diepo Negoro 
meester te maken, die, beschermd door de zich opofferende 
getrouwen, reeds voor aller oog verdwenen is. 

Sollewijn ziet in dat het nu onmogelijk is den goed bereden 
vluchteling te achterhalen, wegens de afgematheid zijner paarden. 
Door den ijver der vervolging is hij reeds op ij uur gaans van 
Silo en slechts enkele ruiters hebben dien woesten wedloop tot 
het einde mede kunnen maken. 

De vijand liet langs den vervolgingsweg 54 dooden achter, 
allen dappere getrouwe volgelingen, die hun leven vrijwillig 
offerden om hun Vorst te redden en daardoor de welverdiende 
bewondering afdwongen van allen die hen zoo dapper bestreden. 

Onder hen die zich bij dit schitterend gevecht bijzonder 
hebben onderscheiden, meldt het rapport van den Overste Sollewijn 
behalve de officieren R. de Bruijn, F. de Latre en A. T. F. 
Joubert, de wachtmeesters Bloem en Cassenhoven, de brigadiers 
Klijn, Bentawick, Bruellemans en Renard, zoomede de huzaren 
Amand, Michiels en Lindener. 

Zoodra generaal de Koek bedoeld rapport ontvangen had, 
werden de hierboven genoemde mindere militairen terstond tot 
belooning in rang bevorderd. 



Heldhaftige verdediging 

van het fort te Aljer Bangles (Sumatra's Westkust) door den 
Europeeschen flankeur A. Bernard — 1831 

L'occasion fait Tbomme 

In buitengewoon moeielijke en benarde oogenblikken waar soms 
alles van een oogwenk van kalm beraad en moedig doortasten 
afhangt, ziet men dikwerf personen op den voorgrond treden » 
die tot op dat tijdstip zich bescheiden op den achtergrond hielden 
en aan de algemeene aandacht ontsnapten, en wier moed, door- 
zicht, onversaagdheid en wilskracht eerst d^ schitterend aan 
het licht treden, als het gevaar 't grootst is en een vaste hand 
den doorslag geven moet. 

De omstandigheden dwingen hen als 't ware om zich zelf op 
den voorgrond te stellen en de anderen te leiden, die dan stil* 
zwijgen in hen den meerdere in militaire deugden erkennen en 
zich naar hunne bevelen voegen, als bij instinkt gevoelende dat 
de leiding in goede handen is, hoe weinig zij dat vroeger ook 
vermoed hadden. 

Dit was ook het geval met den Europeeschen flankeur van het 
Indische Leger A. Bernard 

Tot nog toe had hij in niets uitgeblonken en was alleen van 
hem te zeggen, dat hij, hoe jong ook, een degelijk, flink en op- 
passend soldaat was, die geen hoogere aspiratien had, dan als 
goed soldaat zijn plicht te doen, want hoe weinig toenmaals ook 
geëischt werd om een graad te bekleeden, zoo had hij daartoe 
toch nooit eenige moeite gedaan. Nooit stelde hij zich op den 
voorgrond, deed kalm zijn plicht en scheen zeer tevreden met 
zijn lot, hoe eenvoudig dit ook was. 

In het jaar 1831 maakte hij deel uit van de bezetting van 



80 HELDHAFTIOE YSBDSDIOINO YAN AUEB BANOIES 

ons fort te Aijer Bangies, een post aan zee gelegen in onze be- 
zittingen ter Sumatra's Westkust. Deze bezetting werd gekomman- 
deerd door een Europeesch sergeant en had eene sterkte van 
een Europeesch* korporaal , vier Europeesche flankeurs en vijftig 
Madureesche fuseliers , eene sterkte die men toen zeer voldoende 
achtte om een geheel district in onderwerping te houden en het 
oppergezag onder de Neerlandsche driekleur, die fier van den 
vlaggemast der sterkte waaide, te doen erkennen. 

Het fortje zelf was eene kleine vierkante redoute, bewapend 
met twee ijzeren kanonnen (zesponders) , omgeven door eene niet 
zeer breede gracht, doch goed voorzien van levensmiddelen en 
munitie, terwijl tevens een put binnen de sterkte genoegzaam 
water verschafte voor de behoefte dier bezetting met de daarbij 
behoorende vrouwen en kinderen. De omtrek van het fort was 
aan de landzijde over een afstand van ongeveer drie honderd 
pas geheel open , en die omtrek kon door de beide vuurmonden 
goed bestreken worden. 

Het was een rustig, kalm, aartsvaderlijk leven dat daar op dien 
eenzamen post door de bezetting geleid werd, doch hoe gemoe- 
delijk het leven ook daarhenen vlood, toch werd door den kom- 
mandant niets verzuimd om zijn post zoo sterk mogelijk te maken 
en goed te doen bewaken, want de dweepzieke, oorlogzuchtige 
en wreede secte der Padrie's , die telkens in opstand kwam , was 
nooit te vertrouwen, evenmin als de roofzuchtige, bloedgierige 
Atjehers, wier rooversprauwen overal de kust onveilig maakten. 

Daar onze troepenmacht ter Sumatra's Westkust, in verband 
met den pas geeindigden langdurigenjava-oorlog, die ons Indisch 
Leger bijna geheel in beslag nam, te gering was om alle onder- 
worpen landschappen in toom te houden en de werkelijk bevriende 
de noodige hulp en steun te verzekeren, werden de Padrie's 
langzamerhand hoe langer hoe stoutmoediger , vielen overal onze 
bezettingen aan en moordden en roofden naar hartelust, zoodat 
de onderworpen landschappen die gelegenheid benutten om ons juk 
af te werpen en gemeene zaak met den aartsvijand te maken , ter- 
wijl de getrouwe vrienden hetzij met geweld, hetzij door vrees 



DOOB DSN FLAl^KBÜB A. BEBNABD — ISSl 81 

genoodzaakt werden, zoo. al niet 'svijands zijde te kiezen, dan 
toch werkeloos en onzijdig te blijven. 

De toestand was toen zoo ernstig en dreigend, dat een troep 
van I200 gewapende Maleiers zelfe op de hoofdplaats Padang 
aanrukte, om zich van die stad meester te maken, alle Europeanen 
over de kling te jagen en naar hartelust te plunderen. 

Hoe zwak het garnizoen te Padang ook was, zoo wist de 
Militaire Kommandant toch, door tijdig, moedig en beslist op te 
treden, niet alleen den aanval af te slaan en den vijand zware 
verliezen toe te brengen, maar door krachtige vervolging hem 
geheel uit den omtrek te verdrijven. 

Wanneer de vijand zoo brutaal optrad tegenover den hoofdzetel 
van het bestuur, waar de grootste militaire macht vereenigd was, 
dan kan men nagaan hoe de toestand moest zijn van de ver in 
het binnenland gelegen posten met hunne zwakke garnizoenen, 
zooals Aijer Bangies er een was. 

De geruchten betreffende de werkzaamheid en buitengewone 
stoutmoedigheid onzer vijanden waren ook tot Aijer Bangies 
dcx)rgedrongen en de Kommandant spoorde zijne ondergeschikten 
aan tot verdubbelde waakzaamheid, daarbij tevens niets ver- 
zuimende wat het weerstandsvermogen van den hem toevertrouwde 
post zou kunnen vermeerderen. 

Zoowel aan de land- als aan de zeezijde liet hij op het glacis , 
in de gracht en op de borstwering randjoe^s in menigte planten, 
om de stormvrijheid van de versterking te verhoogen en de 
nadering der wallen voor den vijand, zoo al niet onmogelijk, 
dan toch hoogst moeUijk te maken ; alleen de weg die naar den 
ingang van het fort voerde werd vrij gelaten, doch die ingang 
middels een viertal Friesche ruiters versperd. 

£n spoedig bleek het dat hij door tijdig die maatregelen te 
nemen, als verstandig kommandant had gehandeld. 

Op zekeren morgen meende de schildwacht op den wal , vóór 
het aanbreken van den dag , buitengewoon veel beweging en rumoer 
in de nabij gelegen kampong waar te nemen, waartusschen 
duidelijk wapengekletter klonk, zoodat hij het raadzaam oordeelde 

6 



82 HBLDHAFTIOS VERDEDIGING YAN AUER BANGD&S 

den kommandant daarvan te verwittigen, die dan ook dadelijk 
op den wal verscheen en den omtrek zoo nauwkeurig waarnam» 
als de nog heerschende duisternis dit toeliet. 

Weldra zag hij donkere gedaanten buiten de kampong komen » 
die zich kruipende over het open veld in de richting der verster- 
king bewogen en nu aarzelde hij niet langer om de bezetting te 
waarschuwen en deze in alle stUte de alarmstelling te doen innemen^ 

Het aantal donkere gedaanten nam weldra zoo schrikbarend 
toe, dat de geheele vlakte om hetfortje daarmede bedekt scheen 
en zij aan alle zijden zoo stil mogelijk sluipend naderden. 

De sergeant had nu de zekerheid dat de wreede Padrie's in 
de nachtelijke duisternis het fort hoopten te verrassen, denkende 
dat de bezetting niet waakzaam was, en dan door hunne over* 
groote meerderheid de verraste bezetting te overrompelen. 

Toen het garnizoen geheel voor de verdediging gereed was 
klonk het ^werda» uit de versterking den sluipend naderenden vijand 
te gemoet , wat deze , zich ontdekt ziende , met een uitdagend 
geschreeuw, bloeddorstig gegil en een goed onderhouden ge- 
weervuur beantwoordde; nu de kans op verrassing vervlogen 
was, zou de overmacht moeten beslissen en wetende hoe zwak 
het garnizoen was, stormden de talrijke vijanden trots het 
krachtige vuur der bezetting moedig voorwaarts. 

Die aanval zou zeker gelukt zijn , want de aanvaller was meer 
den 3000 welgewapende mannen sterk, als niet de doelmatige 
randjoe-beplanting 'svijands razenden stormloop had tegenge- 
houden en tot staan gebracht. 

Nu had het krachtige vuur der bezetting uit geweren en kanon* 
nen op den opeengepakte vijand zoo'n groote uitwerking, dat 
deze het niet waagde om de versperring onder dat vuur op te 
ruimen en met groot verlies naar de kampong terugtrok. 

Wel was de vijand tot den aftocht gedwongen en den aanval 
glansrijk afgeslagen, doch ten koste van een belangrijk verlies, 
want de ijverige en practische sergeant-kommandant was gesneuveld 
^en de korporaal met een soldaat zeer ernstig gewond. 

Tegelijkertijd bleek nog toen het daglicht aanbrak, dat het fort ook 



DOOB DEN FLANKSUB A. BBBNABD — 1881 88 

aan de zeezijde door talrijke goed bewapende Atjehsche roovers- 
prauwen was ingesloten, zoodat nu zoowel van de land- als van 
de zeezijde alle gemeenschap was afgesloten. 

Wel wist men dat de sergeant vooruit maatregelen had genomen 
om met den meesten spoed een bericht naar Padang te zenden , 
voor het geval dat de versterking aangevallen en ingesloten mocht 
worden, maar men wist ook, dat de vijand zijn plan niet zou opge- 
ven, hoe bloedig hij ook den kop gestooten had en dat, als er niet 
spoedig ontzet kwam, zijne overmacht ten slotte moest zegevieren. 

De toestand was hachelijk en bovendien het garnizoen zonder 
aanvoerder, zoodat reeds menigeen der bezetting moedeloos het 
hoofd liet hangen en zelfs de Inlandsche soldaten de meening 
opperden, om een goed heenkomen te zoeken. 

Toen redde de flinke en besliste handeling van den flankeur 
Bemard de bezetting van den ondergang. 

In plaats van het hoofd te laten hangen en moedeloos te zijn 
even als velen zijner makkers, had hij in dien gevaarlijken toe- 
stand den moed en de geestkracht die noodig was om allen 
door zijn besliste handelwijze met nieuwe hoop te bezielen. 

Met vasten tred ging hij op den gevallen sergeant toe, ontnam 
het lijk met een krachtig en beslist gebaar den gouden chevron (*) , 
hechtte zich dien zelf op den mouw , verklaarde aan de verbaasde 
makkers dat hij als sergeant het kommando der versterking op zich 
nam, spoorde hen aan tot moedig volhouden en gaf hun de 
verzekering, dat hij eerder het fort in de lucht zou laten vliegen , 
dat zich over te geven. 

Die krachtige , onverwachte en met beslistheid uitgevoerde han- 
deling, dat groote zelfvertrouwen en dat met kalme, vaste en 
duidelijke stem uitgesproken voornemen, gaf de reeds wankel- 
moedige bezetting weer moed en vertrouwen en allen, zelfs de 
korporaal gaven juichend te kennen, dat zij hem als hun kom- 
mandant zouden eerbiedigen en gehoorzamen. 

(*) Ten dien tyde droegen de gegradueerden slechts één distinctief, op 
den rechter mouw met een haak bevestigd, om de katoenen kleeding te 
kunnen uitwasschen zonder de chevron te beschadigen. 



84 HKLDHAFTIOS VSBDEDIOING VAN AUBB BANGIBS 

De moed en geestkracht waren herleefd, want Bemard's voor- 
beeld bezielde allen en zijn vast optreden schonk het gehede 
garnizoen vertrouwen in zijne aanvoering. 

Reeds dadelijk liet hij , terwijl hij zelf de gewonden zoo goed 
mogelijk verbond, door eenige soldaten een der ijzeren kanons 
zoodanig plaatsen, dat de vuurmond den ingang der versterking 
bestreek en den daarlangs binnenstormenden vijand met schroot- 
vuur kon ontvangen. 

Vervolgens ging hij zelf, gevolgd door een paar anderen, 
kruipende naar buiten en trots het aanhoudende vijandelijke 
geweervuur, maakte hij de nadering langs den opengelaten weg 
onbruikbaar, door ook daarop de nog voorradige randjoe's te 
planten en overigens al de in de sterkte aanwezige ledige 
flesschen stuk te slaan en de stukken glas op den weg te ver- 
spreiden, eene versperring die voor den vijand, die blootvoets 
liep , onmogelijk of althans zeer moeielijk gepasseerd kon worden. 

Nu ving een rusteloozen strijd aan tegen een zoo overmach- 
tigen vijand , die zoowel van de land- als van de zeezijde aanviel , 
een strijd die vier achtereenvolgende dagen en nachten zonder 
tusschenpoozen voortduurde, doch door Bemard onvermoeid en 
met groot beleid werd gevoerd. 

Overal was hij tegenwoordig waar de vijand 't sterkst opdrong, 
om de strijders met woord en daad aan te moedigen , altijd was 
hij het eerst in 't vuur en de laatste die de bedreigde wal 
verliet. Hij scheen nooit te slapen of te rusten, want altijd trof 
men hem waakzaam aan en de vermoeienis scheen zijne stalen 
zenuwen niet te deren, want hoe de vijand ook stormde en 
vuurde, steeds gaf hij kalm en bedaard zijne bevelen ; altijd had 
hij eene nieuwe beweging des vijands vooruit vermoed en ook 
reeds dadelijk zijne maatregelen daartegen genomen. 

Het eenige nog beschikbare kanon liet hij telkens verplaatsen, 
om 't d&&r te gebruiken waar het 't meest noodig was, zoodat 
de vijand, die gelukkig geen vuurmonden bij zich had, dacht 
dat de versterking met talrijke kanonnen bewapend was, want 
hoe gebrekkig de artilleristische kennis der bezetting ook mocht 



DOOB DSN FLANKEUR A. BBBNABD — 1831 85 

wezen , de praktijk kwam hier te hulp en het kanon bewees uit- 
muntende diensten. 

Geen beroemd Generaal kan met meer vertrouwen door zijne 
soldaten gevolgd zijn en zij met stipter gehoorzaamheid aan zijne 
bevelen en wenken voldaan hebben, dan deze sergeant van eigen 
maaksel van zijne makkers ondervond, die door zijn kordaat 
handelen op hen zoo'n overwegenden invloed had gekregen, dat 
allen blindelings zijne bevelen volgden. 

Toch werd de toestand den vierden dag buitengewoon kritiek 

Steeds krachtiger en doortastender werden de aanvallen de 
vijands, verbitterd door de hem toegebrachte verliezen; het 
was hem reeds gelukt een groot deel der beschermende randjoe*s 
op te ruimen, zoodat een laatste goed doorgezette storm be- 
slissend zoude zijn, want van het door waken afgematte en 
door aanhoudend strijden doodelijk vermoeide garnizoen, waren 
in 't geheel reeds 14 man gedood of gewond, terwijl de sergeant 
Bemard nog de eenige levende Europeaan was, zoodat de zes 
nog valide Madureezen met hem in alles moesten voorzien. 

De gewonden , die daartoe in staat waren , lagen op de wallen 
de geweren af te vuren, die door de vrouwen geladen werden, 
terwijl Bemard met zijne zes Madureezen zich overal vertoonde 
om den vijand omtrent zijne zwakte te bedriegen en door hen 
op alles wat te na kwam liet vuren, zoodat de geweerloopen 
soms zoo warm waren, dat men ze niet meer kon vasthouden. 

Hoe hoog de nood ook steeg, toch behield Bemard uiterlijk 
hetzelfde kalme voorkomen alsof hij zeker was van de overwinning, 
gaf bedaard zijne bevelen, verbond en verzorgde de gewonden, 
moedigde de afgematten aan tot nieuwe krachtsinspanning, en 
legde met vaste hand een te dicht naderende Padrie door zijn 
zeker schot neer. 

Toen echter de nood 't hoogst was, was de redding het 
meest nabij. 

Des morgens, bij het krieken van den dag, hoorde de kleine 
door waken en strijden afgetobde bezetting een geweldig schieten 
en strijdrumoer aan de zeezijde , en reeds wilde Bemard aan zijn 



86 HELDHAFTIGE VEBDEDIOINO VAN AIJEB BANOIES 

voornemen gevolg geven om de versterking in de lucht te laten 
vliegen, want hij zou onmogelijk langer weerstand kunnen bieden, 
toen hij eenige schepen in scherp gevecht zag met de Atjehsche 
rooverspraauwen en toen deze hun heü in de vlucht zochten 
werden van die schepen onmiddelijk gewapenden aan den wal 
gezet, die terstond de belegeraars begonnen aan te vallen. 

Dat was de uitkomst ! Dat was het ontzet I ofschoon hij in de 
bevrijdende troepen geen Hollandsche uniformen herkende. 

Het was de Boegineesche handelaar Anachoda Langkap, die 
vernemende wat er gaande was, dadelijk met zijne goed ge- 
wapende en sterk bemande schepen tot ontzet naar Aijer Bangies 
stevende, de zeeroovers onverschrokken aangreep en verdreef 
en toen met leeuwenmoed zijne aartsvijanden, de Padrie's te 
lijf ging. 

Op dat gezicht kreeg de bezetting nieuwen moed. 

Bemard liet dadelijk door de gewonden het vuur op den vijand 
openen en deed zelf met zijne zes soldaten een uitval, de 
Padrie's verwoed met de bajonet voor zich uit drijvende. 

Dezen, zich onverhoeds van drie zijden aangegrepen ziende, 
gingen op de vlucht en verdwenen uit den omtrek. 

Toen de kapitein Hellwig den volgenden dag met een deta- 
chement van honderd man tot ontzet uit Padang opdaagde , waren 
van den vijand nog alleen de talrijke achtergelaten dooden in den 
omtrek te vinden en woei Neerland's vlag overwinnend boven de 
kleine dappere bezetting, die, hoeveel ellende zij in die weinige dagen 
ook had uitgestaan , uitgelaten was van vreugde over de zegepraal. 

Bemard bleef wat hij zich zelf maakte, sergeant, omdat 
hij door zijn kloekmoedig optreden zoo degelijk getoond had 
dien graad waardig te zijn en weldra sierde het eeremetaal der 
Militaire Willemsorde zijne kloeke borst; een ieder had den diep- 
sten eerbied voor den dappere beleidvolle verdediger van Aijer 
Bangies, wiens heldendaad nog lang daarna door de bevolking 
onder elkander verhaald werd, als een sprekend voorbeeld van 
Hollandsche moed, degelijkheid en onverwinbaarheid. 



De roemrijke terugtocht 

van den Luitenant Kolonel der Infanterie F. Vermeulen Krieger 
van Pisang naar Koriri (Sumatra's Westkust) — 1833 

OU vainqaear on vainca 

Qtü peut combattre encore n'a pas assez yécu. 

L. Abnault, Begulas. 

Den ii®° Maart 1864 trok de Infanterie, te Breda in garnizoen , 
als voor eene militaire wandeling met den Kolonel aan 't hoofd 
de stad uit en sloeg den weg naar Etten in. 

Het scheen wel dat die weg met een bijzonder belangwekkend 
doel gekozen was, want manhaftiger en met meer opgewektheid 
dan anders ging de kolonne opgeruimd en uit volle borst zingende 
voort, in het door eene levenwekkende voorjaarszon verlichtte land- 
schap, vroolijk met opgerichten hoofde rondblikkende, terwijl 
ook de muziek zich niet onbetuigd liet en telkens hare vroolijkste 
wijsjes deed hooren, zoodat zelfs de vriendelijke Noord-Braband- 
sche buitenlui, die den flinken troep ontmoetten, veel vroolijker 
dan anders hun €€gefnergen saomen»T> uitspraken. 

Te Etten gekomen, trok men met volle, helder klinkende 
muziek het dorp binnen; met luiden, gelijkmatigen pas mar- 
cheerende als voor een defileermarsch , volgde de troep een 
oogenblik de hoofdstraat en stelde zich daarna tegenover eene 
-eenvoudige burgerwoning in orde van parade op, waarbij alle be- 
wegingen met eene flinkheid en eene regelmaat werden uitgevoerd, 
als werd in de geheele troep slechts één geweer bewogen, als 
ware 't gelid door rechte lijnen afgebakend en als wilden allen 
ter eere van een hooggeplaatst of bijzonder hooggeacht militair 
toonen, welke degelijkheid en kracht er in onze brave Hol- 
landsche jongens zit. 

Allen staan als marmeren zuilen; geen geluid wordt gehoord; 
aller oogen zijn op de deur der woning gevestigd en als deze 
zich opent, klinkt er een kort kommando, waarop de troep als 



88 DS BOEXBUXX TEBÜOTOGHT YAN PISANG 

gedectriseerd in één forsche beweging de geweren presenteert, 
terwijl de officieren, de Kolonel 't eerst, het eerbiedig militair 
saluut brengen met hun zwaard en de muziek eene zoo luid 
mogelijk klinkende overwinnings-fanfare doet hooren. 

Een eerwaardig grijsaard is naar buiten gekomen en beant- 
woordt die eerbewijzing met militairen groet. Uit zqn geheele 
uiterlijk en zijne rechte, onberispelijke, martiale houding spreekt den 
ouden krijger, wiens schouders trots de last der jaren van geen 
buigen weten, terwijl de ordeteekenen van de Militaire Willems- 
orde 3® klasse, de Nederlandsche Leeuw en de Ëikenkroon, die 
zijne breede borst versieren, getuigenis afleggen van zijn dapper 
en onverschokken gedrag als krijgsman voor Koning en Vader- 
land en van zijn wel besteed leven als dienaar van den Staat. 

Het was de gepensioneerde Luitenant Kolonel van het Indische 
leger F.Vermeulen Krieger, de om zijne dapperheid, groot beleid 
en edele humaniteit vermaarde Overste, die dien dag zijn 82®° 
verjaardag vierde en daarom door de jongere kameraden van 
het Hollandsche leger eene welverdiende hulde werd gebracht, 
eene hulde die zoowel den brenger als den gehuldigde tot 
groote eer verstrekt. 

Rechtop en met schitterende oogen , als was hij nog in vroeger 
dagen, monsterde hij den kranigen troep, gevolgd door den heer 
G. Perk van Lith, zijn adjudant in moeielijke tijden, die met tal 
van vrienden en oude krijgsmakkers van den jubelaris voor dien 
feestdag was overgekomen. Met zichtbaar welgevallen schreed de 
Overste langs de gelederen dier brave Hollandsche jongens, die zoo- 
veel beloofden voor de ure des gevaars en wier blikken toonden , dat 
zij die belofte gestand zouden doen, zijn voorbeeld navolgende ^ 
blikken waaruit bewondering en eerbied spraken voor den held 
van 22 veldslagen, gevechten en bestormingen, voor de brave 
die viermaal zijn bloed stortte in den dienst van zijn Koning en 
zijn Land, voor den beroemden aanvoerder der vermaarde Jagers 
van Vermeulen Krieger, voor den kranigen leider van den zoo 
hoog geroemden terugtocht van Pisang naar Boekit Koriri op 
Sumatra, een terugtocht eenig in de Indische krijgsgeschiedenis , 



TAN F. VBBMBULSN KBIBOBB — 1833 89 

schitterende tusschen zooveel daden van Moed , Beleid en Trouw, 
voor den soldaat die zooveel gedaan en zooveel geleden had en 
ten slotte miskenning ondervond, doch die miskenning droeg 
met de eigenaardige militaire zelfverloochening. 

Het hart der brave jongens klopte hoog in den boezem van 
rechtgeaarden trots en toen de Chef na de inspectie in eenige 
korte, welgemeende, hartelijke woorden den jubilaris aller eer- 
biedige hulde vertolkte, toen klonk als uit één mond met een 
tot het hoogste punt opgevoerd enthousiasme, die kreet waaruit 
de hoogste vereering sprak, ^^Leve de dapperen Krieger.v% 

Het oog van den gevierden held werd vochtig en een kostbare 
traan parelde op den grijzen knevel , want hij was geroerd door 
zooveel kameraadschappelijke hulde, die zijn echt krijgsmanshart 
zoo goed deed en hem in eens alle miskenning vergoedde. 

Het was helaas zijn vóórlaatsten verjaardag, want hij overleed 
den 27»° September 1865. Een eenvoudige grafsteen dekt op 
de rustplaats der doodente Etten het graf van den hoogvereerden , 
beminden held en edele Nederlander. 

Moge de daarop vermelde roemrijke naam die spreekt van 
toewijding en plichtgevoel , voor 't nageslacht altijd eene aanspo- 
ring zijn tot navolging, en moge dat graf altijd in eere blijven, 
als eene voor Nederland heilige plek. 

De Overste Vermeulen Krieger had in talrijke gevechten in 
bijna alle streken der kolonie zijn leven gewaagd, maar vooral 
ter Sumatra's Westkust in den strijd tegen de Padrie's werd hij 
de algemeen bekende held, de beroemde onverschrokken beleid- 
volle aanvoerder, die aan het hoofd zijner dapperen, die hem 
aanbaden, alles durfde en alles kon ondernemen, terwijl het 
korps der naar hem genoemde jagers, z^n korps, een keurkorps 
was, gezien en geacht bij de krijgsmakkers, die het steeds de 
eereplaats inruimden, en door den vijand gevreesd wegens zijn 
ontembaren moed. 

Vermeulen Krieger was een der weinigen, die voor hunne 
vele verdiensten de eer genoten hun naam aan eene vaste 



90 DK BOEMSUKB TEBÜOTOOHT YAN PISANG 

versterking te geven, en zoo droeg een te Soengei PoeS. opge- 
richte benting, den naam van ««fort Vermeulen Krieger»». 

Door den beroemd geworden beleidvoUen en ontzettend moeie- 
lijken terugtocht van Pisang naar Boekit Koriri in Agam ste^ 
Vermeulen Krieger tot het toppunt van zijn roem. 

Een terugtocht, vooral onder die omstandigheden en zooals 
hij die volbracht, is een van de moeilijkste problemen van het 
oorlogvoeren en zelfs veel moeilijker dan om eene overwinning, 
hoe schitterend ook, te behalen, want daarbij zijn de krijgers 
aangevuurd door de merkbare kans op succes en worden als 't 
ware van zelf medegesleept, doch bij een terugtocht onder de 
moeielijke omstandigheid van 's vijands kolossale overmacht en 
hardnekkige vervolging, worden velen moedeloos, enkele wan- 
hopig, bijna allen neerslachtig. Alles en alles hangt dan af van 
den Chef die beveelt en door zijne kalmte en moed vertrouwen 
wekt bij de zijnen, om zoo'n terugtocht niet in eene wanhopige 
vlucht, een «sauve pui peut» te doen ontaarden, wat gewoonlijk 
en bijna zeker met aller ondergang eindigt 

Hoe ook geroemd, geprezen en gevierd toch bleef hij per- 
soonlijk dezelfde eenvoudige, degelijke soldaat, vol plichtgevoel en 
toewijding, al werd ook de bewondering van ^t geheel leger zijn deel. 

Weer smeulde er een opstand, aangestookt door de ons fel 
hatende, wreede, strijdlustige en fanatieke secte der Padrie's en 
overal zag men de voorteekenen van een naderenden storm. 

Den 29**° December 1832 waren twee Jagers, die van het fort 
te Bondjol naar Bjerro gegaan waren om te fourageeren, onder 
weg vermoord en beroofd , en daarom begaf Vermeulen Krieger , 
actief als hij was, zoodra hij op 5 Januari 1833 te Fort van der 
Capellen de tijding vernam, zich zelf naar Bjerro om de zaak te 
onderzoeken, gevolgd door zijn adjudant den Luitenant G. Perk 
van Lith, en een detachement jagers sterk 75 man onder den 
Luitenant W. G. Schouten. 

Te Bjerro het onderzoek tot geen goed resultaat kmmende 
brengen, daar geen der opgeroepen hoofden voor hem verscheen, 



VAK F. VSBHBÜLEN KBIEOEB — 1838 91 

ging hij den 7^ Januari met zijn detachement naar Pisang , waar zich 
eene kleine versterking bevond, bezet door een sergeant en 17 
soldaten, daarbij vergezeld door den Luitenant B. Bonman, dviei 
gezaghebber in Agam , den Luitenant J. Schoch, civiel hoofd der 
XII Kotta's en VII Loerah's en een getrouw Inlandsch hoofd, 
terwijl hij tegelijkertijd aan Luitenant M. de Wautier, komman- 
dant te Bondjol, den last zond om zich ook naar Pisang te 
begeven om met hem te confereeren. 

Te Pisang komende, vond hij het kleine garnizoen in groote 
onrust, omdat de Maleijers uit de omstreken en de nabijgelegen 
kampong hoe langer hoe brutaler en onbeschaamder werden, en 
eindelijk met vrouwen en kinderen den omtrek van het fort en 
de kampong Pisang hadden verlaten, eenige bekende teekenen, 
gelijkstaande met eene oorlogsverklaring, achterlatende. 

Daar de versterking te klein was, om de geheele troepen- 
macht die hem vergezelde te herbergen, besloot Vermeulen 
Elrieger met de zijnen de verlaten kampong, die zoo noodig 
zeer goed te verdedigen zoude zijn, te betrekken. 

Reeds dadelijk werden in de verlaten woningen der kampong 
bebloede overblijfselen van de kleeding en uitrusting der vermoorde 
jagers gevonden, zoodat men daardoor overtuigende bewijzen in 
handen had van de medeplichtigheid der bewoners van Pisang aan 
den roof en den moord, waaromtrent Krieger het onderzoek leidde. 

Luitenant de Wautier kwam den volgenden dag des middags 
te Pisang aan, vergezeld van een escorte van 9 jagers van het gar- 
nizoen te Bondjol en rapporteerde , dat hij in de streek , waar hij 
doorgetrokken was , niets verdachts of onrustbarends bemerkt had. 

Krieger, die echter den onrustigen en dreigenden toestand niet 
vertrouwde , gelastte dien officier om nog dienzelfden avond naar 
zijn garnizoen terug te keeren , doch stond ten slotte toe , op het 
aandringen van Luitenant de Wautier, dat het vertrek den vol- 
genden morgen zou plaats hebben, om de vermoeide jagers van 
het escorte een nacht rust te gimnen. 

Van deze goedkeuring tot uitstel, heeft Krieger altijd be- 
rouw gehad, want den volgenden morgen, geruimen tijd na het 



92 DB BOSMRUKS TXBUGTOOHT TAN PISANG 

vertrek van de Wautier, ontving hij middels een ontsnapte 
bediende van Bondjol het bericht, dat dienzelfden nachtwinden 
vroegen morgen voor zonsopgang , de post te Bondjol afgeloopen 
was en de geheele bezetting, sterk 27 Europeesche en 19 
Inlandsche onderofficieren en manschappen , op de wreedaardigste 
wijze was mishandeld en afgemaakt. 

De Luitenant de Wautier, onbekend met het voorgevallene en 
vol vertrouwen naar Bandjol terugkeerende , onderging op zijn 
terugmarsch met zijn 9 Jagers hetzelfde lot, waarvan Krieger 
nog dienzelfden dag de zekerheid kreeg. 

Des nachts zag men veel seinvuren in ^t gebergte van den 
omtrek ontsteken en was het merkbaar dat groote troepen 
inlanders heen en weer trokken, terwijl de Inlandsche Luitenant 
Prawiro Dirdjo, behoorende tot de bezetting van het fort Ver- 
meulen Krieger, het bericht bracht, dat ook in de nabijheid van 
dien post groote onrust heerschte. 

Al die omstandigheden te samen genomen schonken Krieger 
de overtuiging, dat hij zich te midden van den opstand bevond en 
dat verdere pogingen tot onderhandelen nutteloos waren , daar ook 
de hoofden van Pisang en omstreken aan de gedane oproeping geen 
gehoor gaven, ja zelfs weigerden om den boodschapper door te laten. 

Nu eerst kwam de dappere Overste, meer vecht-soldaat dan 
diplomaat en onderhandelaar, in zijn waar element en nam hij 
terstond de noodige maatregelen voor de veiligheid van den 
troep, met al de bedaardheid en zekerheid, den practischen 
en kundigen aanvoerder eigen. 

De toestand te Pisang was voor den daar gelegerden troep 
alles behalve rooskleurig. In het fort waar slechts op eene kleine 
bezetting gerekend was, waren geen levensmiddelen genoeg om 
den geheelen troep te voeden, terwijl in de kampong niets te 
vinden was en de opstandelingen wel zorg zouden dragen, dat 
de bezetting zich niet van elders voorzag. Bovendien bevond men 
de voorraad munitie zoo gering, dat voor elk geweerdragend 
man slechts het noodige voor 30 schoten in voorraad was. 

Krieger besloot daarom, om op het naar hem gedoopte fort terug 



VAN F. VBBMEULEN KBIBOBB — 1833 93 

te trekken, daar die weg, hoewel niet de kortste, toch de beste 
was en zond den last derwaarts, om hem met eene kolonne van 
ICO man te gemoet te trekken, want hij vermoedde met recht, dat 
de opstandelingen hem op dien tocht niet met rust zouden laten. 

De kleine patrouille Djajang-Segars , die met de overbrenging 
van die order belast was, kwam echter eenigen tijd later terug. 
De vijand had haar den weg versperd en met een verlies van 
twee dooden teruggeslagen, terwijl de kommandant der patrouille 
bovendien rapporteerde, dat de weg naar het fort Vermeulen 
Krieger niet meer te volgen was, daar de opstandelingen de 
brug over de ondoorwaadbare en snelstroomende rivier, de M^Lsang , 
hadden afgebroken; de overtocht, die in gewone omstandigheden 
zonder brug reeds hoogst gevaarlijk was, was nu onmogelijk, omdat 
de vijand wel zoude zorg dragen , om de rivieroevers sterk bezet 
te houden. 

De eenige weg waar langs den terugtocht nu nog mogelijk was, 
was de weg naar Boekit Koriri in Agam; hoewel deze weg de 
kortste en nauwelijks 12 uur gaans lang was, en slechts door 
twee snelstroomende doch doorwaadbare zijrivieren van de 
Massang voerde, was het eigenlijk niet veel meer dan een 
moeielijk begaanbaar breed voetpad, dat over steile hoogten, 
door diepe ravijen en somtijds door dichte bosschen voerde, 
terwijl die streek het sterkst bevolkt geacht werd en daar ook 
den meest heftigen tegenstand verwacht kon worden. 

Er bleef echter geene keus! De tocht moest gewaagd worden , 
want zooals de toestand nu was, was standhouden onmogelijk, 
hoe dapper de troep ook was. 

Den 12° Januari 1833 des morgens om 6^ uur stond alles 
voor den afmarsch gereed. Hoewel het nog zoo vroeg was, 
brandden toch reeds de zonnestralen en de onbewolkte lucht 
wettigde het vermoeden, dat de dag bijzonder heet zoude zijn. 

Tachtig geweerdragende onderofficieren en manschappen waren 
aangetreden onder het opperbevel van den Overste Vermeulen 
Krieger en daarbij bevonden zich de i® Luitenant adjudant G, Perk 
van Lith, de i" Luitenant W. G. Schouten en de 2® Luitenants 



94 DB BOBMBIJKE TEBüeTOGHT YAM PISANG 

B. Bouman en J. Schoch, zoomede de Inlandsche 2* Luitenant 
Prawiro Dirdjo en een getrouw gebleven Inlandsch hoofd. De 
grootste helft der geweerdragenden vormden de beroemde 
Hollandsche Jagers van Vermeulen Krieger, die him ouden roem 
van onverwinlijk te zijn moesten handhaven en de andere helft 
bestond uit Amboineezen , die volgzame , intelligente en heldhaftige 
soldaten van Indischen oorsprong, doch Christenen van geloof, 
die tot op den huidigen dag die groote eigenschappen bewaard 
hebben, die de Hollanders evenaren in moed en trouw, en onder 
de beste troepen van het Indische Leger gerekend worden. 

Al die dapperen zouden strijden onder de bevelen en onder 
de oogen van den hoogvereerden beminden Overste, die hun 
volkomen vertrouwen genoot en die zij blindelings zouden ge- 
hoorzamen, wetende dat hij hen steeds den besten weg zou 
wijzen en daarop voorgaan, de weg tot eer en roem, al voerde 
die weg ook ter dood. 

Elk man droeg zelf zijn karig aandeel in de overgebleven rijst , 
die gekookt medegenomen werd, terwijl het restant arak in 
onbreekbare kalebassen*) aan de zorg der onderofficieren werd 
toevertrouwd, om onderweg zoo noodig eene kleine hartsterking 
te kunnen uitreiken, want dat 't behalve een heeten dag, eene 
heete worsteling met de opstandelingen zoude geven, daarvan 
waren allen overtuigd, gewoon als zij waren de woeste en fanatieke 
Padrie^s te bevechten. 

Voor den afinarsch wees de Overste de zijnen er ernstig op, 
dat het een eerste vereischte was , om onder alle omstandigheden 
bedaard en aaneengesloten te blijven, alle orders stipt en terstond 
op te volgen en uithoofde van den geringen voorraad anmumitie 
alleen dè,n te schieten, als men zeker was van te raken, want 
geen enkele kogel mocht nutteloos worden verspild. 

De geweren werden met de meeste zorg geladen, de bajonet, dat 
in handen dier dappere soldaten zoo verschrikkelijke aanvalswapen , 
steviger bevestigd en daarna klonk het beslissende ^*voorwaarts,int 



*) Gemaakt van uitgeholde vruchten wier vorm veel van eene flesch heeft. 



VAN F. YBRMBÜLEN KBISGSB — 1883 95 

Wegens de geringe breedte van den weg was men genoodzaakt 
uit de flank op twee gelederen temarcheeren en daarom werd 
met uiterst bedaarden en kalmen pas vooruitgegaan, ten einde 
goed gesloten te kunnen blijven. 

Vooruit ging de Luitenant Bouman met 15 der beste schutters 
en in den rug werd de troep gedekt door den Luitenant Schouten 
met 20 dappere jagers. 

Hoewel van den beginne af aan de kleine kolonne door een 
tierenden, schreeuwenden , opgewonden en moordlustigen vijand 
vervolgd werd, werd toch de tred geen oogenblik versneld, en 
heerschte in de troep de grootste stilte, terwijl alleen Krieger's 
stem gehoord werd , die boven 's vijands getier uitklonk, de zijnen 
aanmoedigende tot bedaardheid en vertrouwen. 

De kalm voortrukkende troep was weldra aan alle zijden om- 
ringd door een 2000 tal woeste, tot de tanden gewapende 
Padrie's , die uitdagend en moordlustig den klewang zwaaiden en 
waarvan de zich onkwetsbaar achtende voorvechters de kolonne 
zelfs tot op 40 passen naderden, en toch werd er geen schot gelost , 
geen enkele haastige beweging gemaakt, zoo kalm bleef de 
troep, vertrouwende op den onverschrokken aanvoerder, zijn 
bevel met diezelfde kalmte afwachtende, als waren zij op een 
exercitieveld en niet tegenover de verschrikkelijke werkelijkheid. 

Bedaard en duidelijk deelt Krieger de zijnen met heldere en 
duidelijk verstaanbare stem mede, dat hij zoo dadelijk halt zal 
laten houden; dat dan de kolonne naar twee zijden front moet 
maken , voor en achter gedekt door vóór- en achterhoede, en op 
zijn kommando één salvo moet lossen in den dicht opeengedrongen 
hoop vijanden, doch vooral zorgen moet dat elke kogel zijn man 
en 't eerst de aanvoerders en voorvechters treft. 

De vijand is nu tot op 20 pas, ja enkelen zijn zelfs tot op 15 
en 10 pas genaderd, zonder dat eenige beweging 't voornemen 
van den aanvoerder verraadt, zonder dat een der jagers op dat 
woeste dreigende geschreeuw schijnt acht te slaan, al snorren 
ook nu en dan werp-spiesen door den troep. 



96 DB BOSMRIJKB TSBÜOTOGHT VAN PISANG 

Daar klinken eensklaps duidelijk, helder en krachtig boven alles 
uit, de kommando's ^^Halh* f ^Fronh / « Vaardig* ! ^Aan» / €« Vuun» ! 

Alsof zij automaten waren zoo voeren de Jagers die bevelen 
uit en er klinkt als 't ware slechts één schot! 

De indruk van die bedaarde en besliste handeling was over- 
weldigend, terwijl de uitwerking van dat met vaste hand afgegeven 
vuur in den verwarden hoop eene zoo verschrikkelijke slachting 
aanrichtte, dat de overmoedige bende als een hoop vreesachtig 
wild uiteenstoof. 

Onwillekeurig heffen de Jagers een overwinnend ^era!» aan, 
maar ^€stiltt»i^ kommandeeit de zoowel in voor- als tegenspoed 
altijd bedaarde Overste, ^€stilte!v» ik€Laadt de geweren!*-» 

Terstond is alles stil en hoort men alleen 't gejammer des 
vijands, vermengd met kreten van woede en spijt, benevens de 
vergeeüsche aanmoediging der vijandelijke aanvoerders en het 
dreigend geklikklak van het herladen der geweren , dat even nauw- 
keurig en regelmatig plaats heeft als op het oefeningsveld. 

Op het kommando van Krieger herneemt de kolonne weer kalm 
den marsch, gevolgd en omringd door den vijand, doch. die, 
hoewel de jagers een oogenblik opgehouden worden door eene 
versperring die omgetrokken moet worden, op eerbiedigen afstand 
blijft, want de leeuw heeft van zich afgebeten en de indruk 
daarvan duurt nog voort. 

Maar de toestand wordt moeielijker. 

Na het passeeren dier versperring moet eene steile, dicht be- 
groeide hoogte beklommen worden, waar 't van vijanden wemelt, 
terwijl duizende anderen de flanken en den rug bedreigen en de 
vijand nu ook van geweren gebruik maakt, zoodat de kogels, hoewel 
uit minder goede vuurwapenen en door ongeoefende hand afge- 
zonden, de Jagers toch om de ooren gonzen. Tusschen het geschreeuw 
en gegil mengen zich nu het aanhoudend knallen der schoten. 

De weg naar boven is geheel onbegaanbaar door de diepe 
kuilen en de omgekapte boomstammen, zoodat dat alles te 
samen als 't ware slechts ééne versperring vormt. 

Krieger geeft aan een sergeant en 15 jagers den last om zich, trots 



VAN F. YERMBÜLBN KBIBGBB — 1833 97 

alles wat gebeuren mocht, straks door bosch en kreupelhout om 
de versperring heen sluipende, naar boven te begeven en van 
daar een spaarzaam, doch goed gericht vuur op den vijand te 
openen; bij dezen troep voegt hij drie hoomblazers, die, als dat vuur 
geopend wordt, tegelijkertijd het den verschrikkelijken bajonetaanval 
der jagers voorafgaande en algemeen bekende signaal attakeeren 
moeten blazen, zonder dat echter de patrouille een aanval magdoen, 
allen moeten kalm blijven liggen en zorgen dat geen schot mist 

Nu gelast de Overste om alle paarden , die van nu af aan op 't 
moeielijke pad slechts hinderlijk zullen zijn , weg te jagen en alle 
overtollige bagage neer te werpen. 

Dit maakt des vijands roofzucht gaande , zoodat zijne aandacht 
daardoor van de kolonne wordt afgetrokken en de vooruitge- 
zonc|en patrouille met de drie hoomblazers maakt daarvan gebruik , 
om te trachten zoo spoedig mogelijk den top der hoogte te 
bereiken; ook de kolonne volgt terstond die beweging. 

Door struiken en slingerplanten met scherpe doornen, waarin 
de mannen verward geraken, gaat 't nu zoo snel mogelijk de 
hoogte op , doch de vijand heeft de list bemerkt en weldra wordt 
de kleine troep van alle zijden heftig beschoten, terwijl vanden 
top groote rotsblokken naar beneden worden gerold om de dap- 
peren te verpletteren. 

Maar weldra wordt het gejuich des vijands beantwoord door 
de bijna nooit missende schoten der vooruitgezonden jager- 
patrouille, die den top reeds heeft bereikt, terwijl te gelijkertijd 
het gevreesde signaal ^attakeeren» van boven luide over den 
omtrek weergalmt. 

De voorwacht is dus slaags; terwijl de vijand voor het kalme 
vuur en het dreigende hoorn-signaal wijkt, spoedt een ieder zich 
zoo snel mogelijk vooruit en weldra is de kolonne boven op de 
hoogte weder vereenigd en herademt daar een oogenblik. 

De bestijging heeft een vol uur geduurd en eene ontzettende 
krachtsinspanning gevorderd; hijgend en uitgeput komen de dap- 
peren boven , met verlies van één jager en twee Inlandsche bedien- 
den aan dooden en 12 gewonden. Krieger zelf is verbaasd dat 

7 



98 DS BOBMRUKB TERUGTOCHT VAN PISANG 

de kolonne, die onwillekeurig uit elkaar geraakte bg deze koene 
poging, door den zoo overmachtigen vijand niet geheel vernietigd is. 

Gedurende de bestijging zijn helaas door de beweging tusschen 
de dicht in een gegroeide doomachtige struiken de voorraad rijst 
en de kalebassen met arak losgerukt en verloren gegaan, zoodat nu 
ook niets ter opwekking genuttigd kan worden. 

De Inlandsche Luitenant Prawiro Dirdjo en het trouw gebleven 
Inlandsche hoofd zijn verdwenen* Het bleek later dat zij met 
levensgevaar tusschen de vijandelijke drommen waren doorgeslopen 
om een nabij gelegen post met het voorgevallene in kennis te 
stellen, zoodat dit fort daardoor voor een overval behoed werd. 

Weldra beginnen de een oogenblik afgedeinsde vijanden, aan- 
gemoedigd door himne kolossale overmacht, weder op te dringen 
en moet de troep, hoe vermoeid ook, vooruit, zonder den dorst 
te kimnen lesschen, want water is niet op die hoogte te vinden 
en alle andere middelen ter opwekking ontbreken. 

Met de gekwetsten in him midden vervolgt de kolonne den 
marsch, doch nu doet zich een schandelijk incident voor, dat 
gelukkig eenig is in de geschiedenis onzer oorlogen. 

De jager Zegers heeft bij de bestijging der hoogte een der ver- 
loren fleschen arak gevonden en is nu zoo smoordronken, dat hij 
geen voet kan verzetten. Niets helpt! Men zet hem overeind en 
ranselt hem vooruit met het plat van de sabel, doch als een 
gevoelloos dier stort hij weer neder. Alle krachten zijn noodig 
om te strijden en de brave gewonden te helpen, en men kan 
zich dus niet belasten met het vervoer van een beschonkene; 
de geheele troep geeft zijn afkeer luide te kennen. 

Hoe ongaarne ook, doch met blijkbare instemming der makkers y 
gelast Krieger om den onwaardigen jager aan zijn lot over te 
laten, dat dan ook weldra beslist is. £en paar minuten later 
hakken de oproerlingen , nog in het gezicht der kameraden, den 
dronkaard 't hoofd van den romp, en heffen dat, op eene piek 
geplaatst, als een zegeteeken omhoog. 

Zoo zagen de soldaten , dat elke ongehoorzaamheid , elke over« 
treding zich zelve strafte en den dood ten gevolge had. 



VAN F. VBEMEULEN KBIBGBB — 1883 99 

Bij de afdaling der hoogte, ongedekt en in 't gezicht van een 
talloozen vijand, zijn de verliezen veel grooter. 

Spoedig heeft de troep een verlies van 4 dooden en 8 gewonden , 
waarbij de zwaarste gekwetsten , door de minst gewonden gesteund 
moeten worden. De mimitie van hen die niet meer strijden 
kimnen, wordt zorgvuldig onder de anderen verdeeld. 

Maar voorwaarts gaat 't, altijd voorwaarts, al gaat 't langzaam, 
doch altijd vol vertrouwen in het beleid van den aanvoerder, en 
door zijn krachtig voorbeeld bedaard blijvende, wordt er geen 
schot gelost zonder zijn uitdrukkelijk bevel, want Krieger spaart 
de mimitie , die zoo onontbeerlijk is voor een goeden uitslag en 
laat alleen enkele schoten doen als de vijand te veel opdringt, 
maar dan vallen er ook evenveel voorvechters als er schoten 
gelost worden. 

Eindelijk nadert men eene, hoewel doorwaadbare, toch zeer 
snel stroomenden zijtak van de rivier de Massang, zoodat de 
overtocht, vooral voor de gewonden, zeer bezwaarlijk is , daar de 
vijand, zooals overal elders, de bestaande brug vernielde. 

Zoowel van de overzijde der rivier als in den rug en op de 
flanken der kolonne, ging een juichkreet op, zooals alleen eene 
fanatieke en bloeddorstige bende kan slaken, die zich meester 
acht van zijne prooi, terwijl zich aan alle zijden een talloozen, 
wraaklustigen vijand vertoonde, die de afgehouwen hoofden der 
gevallenen op pieken gestoken zegevierend medevoerde en blijk- 
baar zijn lust naar moord hoopte te kunnen bevredigen. 

Maar zij hadden gerekend buiten den beleidvollen , kalmen 
Krieger en zijne gedisciplineerde, onverschrokken jagers. 

Met een paar goed gerichte schoten wordt de overzijde der 
rivier schoon geveegd en terstond snellen eenigen door den 
stroom, om den overtocht te beschermen; Luitenant Schouten 
plaatst zich met eenige goede schutters in den rug der kolonne , 
om den vijand tegen te houden en daarna gaat de rest van 
den troep, elkaar bij de hand houdende, naar de overzijde , tot 
onder de armen door den snellen stroom wadende, doch zich 
met wellust door het koele heldere water latende besproeien. 



100 DB BOBMBUKE TBRÜOTOCHT VAN PISANG 

Het ontzag dat de overtalrijken vijand had voor dat dapper, 
taktvol en beslist optreden, maakte dat de troep een oogenblik 
op verademing kon komen, den verschrikkelijken dorst naar 
welgevallen lesschen en de gewonden zoo goed en zoo kwaad 
als 't ging verbinden. De zon wierp van den wolkeloozen hemel 
hare stralen bijna loodrecht neder en het was brandend heet. 

Daarna gaat het weder op den lijdensweg voorwaarts , want de 
duizenden, die als woedende hyena's 't kleine hoopje aan alle 
zijden huilend omgeven, hebben weder moed gevat en dringen 
onstuimig op, zoodat zij spoedig tot op loo pas genaderd zijn, 
zonder dat de troep veel durft te schieten, want zoo als reeds 
gezegd is, alleen de munitie zou him redmiddel zijn, daar een 
handgemeen, hoe dapper de jagers ook waren, door de kolossale 
overmacht des vijands de vernietiging der kolonne tengevolge 
zou hebben. 

Had de kranige , moedige troep in die betrekkelijk korte spanne 
tijd reeds veel geleden , nog was 't leed niet voorbij , en 't ergste 
moest nog komen. 

Het betrof hier niet, zich met een geduchten, krachtigen en 
goed doorgezetten aanval door den vijand heen te slaan, maar 
om, na het eene gevaar met moeite en dapperheid getrotseerd 
te hebben, het andere met onverflauwden moed onder de oogen 
te zien en tevens de gewonde, hulpelooze makkers te beschermen 
en te vervoeren. Het gold hier, trots de afmattende en hardnekkige 
vervolging van een zeer overmachtigen vijand , het eene oogenblik 
standvastig en volhardend voorwaarts te gaan en het andere oogen- 
blik dapper stand te houden of aan te vallen, het gold hier 
soldaat te zijn, dat is, zich moedig en zelfverloochenend te ge- 
dragen , met kalmte en bedaardheid te strijden en door discipline 
en gehoorzaamheid de eenheid van handelen te bewaren, zoo 
onmisbaar om 't gewenschte doel te bereiken. 

Aan die deugden ontbiak 't de dappere jagers, de brave 
jongens niet, onder Elriegers beleidvolle aanvoering. 



VAN F. YEBMSULBN KEUEGER — 1833 101 

Het pad, dat de kolonne daarna volgde, was als bezaaid met 
randjoe's en voerde naar eene kampong, waaruit 'svijands woest 
krijgsgeschreeuw hen reeds uit de verte tegemoet klonk als eene 
echo der moordkreten, die van alle zijden tot hen doordrongen , 
terwijl de kogels floten, de werpspiesen dreigend gonsden en groote 
steenen, door krachtige handen van de voorbijgetrokken hoogten 
geworpen, verpletterend nederploften , doch eiken vijand, die 
zich maar eenigzins bloot gaf, trof het nooit missende lood der 
kalme en zeker schietende jagers. 

Als men deze kampong is doorgetrokken, is het kleine hoopje 
strijders weder met eenige makkers verminderd en heeft de 
vijand weder eenige bloedige t'-opeeën meer op de van bloed 
druipende lanspunten, terwijl ook het aantal gewonden grooter 
is geworden; de troep is afgemat en uitgeput van den voort- 
durenden strijd en de verzengende hitte. 

« Voorwaarts* , klinkt zoo opgewekt mogelijk Krieger's donderend 
kommando, en voorwaarts gaat 't! Voorwaarts sleept zich dat 
handje vol dapperen, gevolgd en omzwermd door talrijke 
vijanden, die zich bij duizenden laten tellen, alsof de geheele 
bevolking zich op dat ééne punt verzameld had om dat dappere 
troepje te vernietigen, doch in afwachting daarvan, brullende 
van spijt, zijne woede koelt aan de achtergebleven lichamen der 
in den ongelijken strijd gevallen helden. 

Zoo gaat 't voortdurend berg op en berg af, langs of door 
sterk bevolkte en versterkte kampongs, telkens de rivier, die 
zich als eene slang door 't landschap kronkelt, weder overtrekkende, 
beschenen en verschroeid door de brandende tropische zon; 
't gaat langzaam, zeer langzaam, want 't aantal gewonden 
neemt voortdurend toe, maar onverpoosd gaat ^t voort elkaar 
kameraadschappelijk steunende , al teekent ook een bloedig spoor 
de weg die de kolonne volgt. 

Vele jagers kimnen zelfs geen buks meer hanteeren maar toch 
verliest men den moed niet en gehoorzaamt getrouw aan de 
bevelen, want Krieger, gelukkig nog ongedeerd, weet hen steeds 
te bezielen , weet den toestand te beheerschen en 's vijands voor- 



102 DB BOEMBUKB TEBUGTOCHT VAN PISANG 

nemen reeds vooruit te raden; zij toonden zich den eerenaam 
van ^Jagers van Krieger* ten volle waardig , als soldaten die zel& 
bij de ernstigste verwonding geen kreet van pijn laten hooren 
en zich gelukkig achten als een doodelijk schot hen treft, 
zoodat zij de dappere makkers niet tot last behoeven te zijn* 

Met gapende wonden en verbrijzelde ledematen slepen die 
braven zich voort, of worden, door de makkers gesteund , voort- 
gesleept, maar Krieger en zijne officieren schijnen onvermoeid 
en onvervaard, en toch begaven ook hen langzamerhand de 
krachten. 

Ejrieger is 't meest aan den staart der kolonne , waar 't gevaar 
't grootst en den strijd 't geweldigst is. 

Sergeant Visbeek, de brave kommandant van de zwakke be- 
zetting van wat eenmaal 't fort te Pisang was, is doodelijk 
uitgeput neergezonken en tegelijkertijd verbrijzelt een zwaar 
rotsblok hem de beide beenen. Opgenomen kan hij niet worden , 
want zoowel de mannen als de krachten daartoe ontbreken en 
zelfs gesteimd kan hij zich niet meer voortslepen. Hij gelast 
zijne makkers om hem te laten liggen , en eer de kolonne zich 50 pas 
heeft voortgesleept, is hij in 't gezicht der zijnen door klewang- 
houwen en lanssteken ondei bloeddorstig gehuil afgemaakt. 

De zwaar aan 't hoofd gewonde jager Groosbakker, een alge- 
meen bemind , braaf kameraad , kan niet meer en vraagt het 
genadeschot van vriendenhand. 

Krieger laat daarom een oogenblik halt houden, doch in dat 
oogenblik zijn de beide jagers , die den gewonde zullen steunen , 
zelve gewond door de kogels van den als razend opdringenden vijand. 

De toestand is onhoudbaar, langer stilstaan is onmogelijk en 
wellicht den ondergang van allen. Met een hart trillende van 
medelijden en afgewend gelaat, doch met vaste stem spreekt 
Krieger 't <kVOorwaarts> uit. 

De kolonne herneemt haren martelaars-weg en weldra valt er 
een schot. Een der jagers heeft den armen lijdenden Groosbakker 
den gevraagden vriendendienst bewezen en de vijand heeft weer 
een ontzielde held meer om zijne bloeddorst te koelen. 



VAN F. YBBMBÜLEN KBIKGBB — 1833 103 

Een andere jager treft 't zelfde lot en met elk offer dat hem 
in handen valt, neemt 'svijands moordlust toe. 

Het is alsof allen ter dood veroordeeld zijn! 

Het is een langzamen doodstrijd! Zij zien geen uitkomst De 
krachten nemen af en de weg schijnt eindeloos, terwijl de 
de onversaagde Krieger helaas ook al door een steenworp 
getroffen is, doch hoe duldeloos de pijn ook is die hij lijdt, toch toont 
hij de makkers dezelfde kalme glimlach, dezelfde onveranderde, 
bedaarde, vertrouwenwekkende houding. 

Plotseling zijgt de Luitenant Perk van Lith, tengevolge van de bui- 
tengewone hitte en inspanning door eene flauwte getroffen , neer . 
ditmaal staat de kolonne zonder eenig bevel stil en staart beur- 
telings vragend naar den Overste en dan weder medelijdend naar 
't bezwijmde lichaam van den braven Officier , de waardige rech- 
terhand van den Chef, de vriend van den Overste, de man die 
evenals de aanvoerder overal tegenwoordig schijnt waar hulp 
't noodigst, 't gevecht 't hevigst en 't gevaar 't grootst is. 

Krieger durft en wil uit rechtvaardigheidsgevoel de uitgeputte 
Jagers niet gelasten om den Officier te dragen , ofschoon zij verlan- 
gend dat bevel uit zijne oogen willen lezen. Hier in 't gevaar is 
officier en soldaat voor den aanvoerder gelijk; 't zijn allen dapperen 
die him leven zoo duur mogelijk verkoopen, en hoezeer hem 't 
lot van den trouwen adjudant en vriend ter harte gaat en hij 't 
bejammert dat hij zelf hem onmogelijk kan vervoeren, toch 
maakt hij geen onderscheid , en even als de minderen achterbleven 
en onder 's vijands moordend staal vielen , moet hij ook hem 
laten liggen; onweerstaanbaar klinkt zijn bevel, m Voorwaarts h 

Bedroefd zinken de hoofden der trouwe mannen op hunne 
borst , maar zij gehoorzamen het bevel zonder morren en zonder 
klagen, wetende dat Krieger niets doet zonder goeden grond. 

Bewonderenswaardige discipline ! 

Toen treedt de Javaansche bediende van Perk van Lith, Tom 
genaamd, die zich alleen door trouw en niet door discipline 
gebonden acht, naar voren en hoe uitgeput hij zelf ook is, spant 
hij alle krachten in , beurt zijn braven meester zoo goed mogelijk 



104 DB BOBMSUKB TBRÜOTOOHT VAN PISAMe 

op, en sleept hem wankelend , evenals een afgebeuld lastdier zou 
doen, voort, telkens struikelende en weder opstaande, doch 
hardnekkig volhoudende, aangemoedigd door de goedkeurende 
blikken der soldaten, die den hoogsten eerbied toonen voor die 
moedige en trouwe daad. 

Eindelijk bereikt men eene eenigszins beschutte plek aan den 
oever der rivier en hier laat Kjieger een oogenblik rusten, niet 
alleen om de troep eenigszins op zijn verhaal te doen komen, 
maar vooral om den trouwen bediende de taak te verlichten, 
en te voldoen aan den stillen wensch zijner braven. 

Allen zijn weldra in de weer, gedekt door eenige goede 
schutters, die den vijand op een afstand houden, en spoedig 
gelukt het tot aller blijdschap, him braven Luitenant tot 
het bewustzijn terug te brengen, zoodat 't hem mogelijk is 
om den langzamen marsch der uitgeputte kolonne te kunnen 
volgen. 

Eenige oogenblikken later trapt de trouwe Tom in een scherpen 
randjoe, die hem den voet geheel openrijt, zoodat hij strom- 
pelend slechts moeielijk kan volgen en ten slotte op zijne beurt neder- 
zijgt. Hij kan niet meer. 

Nauwelijks bemerkt dit de Luitenant Perk van Lith of, ridderlijk 
als hij is, gaat hij terug, en ofschoon zelf bijna bezwijkende 
neemt hij den braven bediende op zijne beurt op zijne schouders, 
hoe deze uit eerbied ook tegenspartelt , en draagt hem verder, 
met het edele voornemen om zijn redder te redden , of met hem 
te sneven. 

Schoon voorbeeld van ridderlijken moed, onbezweken trouw, 
edele zelfopoffering en trouwe kameraadschap, die zich zoo in 
de uren van 't grootste gevaar 't sprekendst vertoont en dan 
den diepsten eerbied afdwingt De grootheid dier edele daad 
kan slechts hij ten volle beseffen, die onze moorddadige Indi- 
sche oorlogen heeft medegemaakt en dus weet, dat bij den bloed- 
dorstigen vijand geen genade is voor de ongelukkigen die in 
hunne wreede handen vallen. 

Een band van trouwe en edele kameraadschap bond al die 



VAN F. YEBMSÜUEN KBIEGBB — 1833 105 

als 't ware ter dood veroordeelde mannen van dat zoo deerlijk 
geteisterde en geslonken hoopje dapperen te samen. 

Steeds hardnekkig vervolgd , steeds strijdende en makkers ver- 
liezende, steeds meer gewonden krijgende, bereikt de troep tegen 
5 uur in den namiddag, dus één uur voor zonsondergang, na 
eene aanhoudende worsteling van ongeveer lo moeitevoUe uren 
zonder eenig voedsel, eene kampong waaruit geen krijgsgeschreeuw, 
geen tartend gejuich, geen bloeddorstig gehuil hen te gemoet 
klinkt en waar eene doodsche doch dreigende stilte heerscht. 

De jagers strompelen voort , onverschillig voor den voortdurend 
opdringenden en slachtoffers makenden vijand in rug en flanken, 
reeds blijde dat de weg waarheen hunne redding voert niet ver- 
sperd is, want zij weten dat die vervolgenden op eerbiedigen 
afstand zullen blijven, him slechts uit de verte bestrijdende 
met geweervuur, lans- en steenworpen. 

Maar Krieger waakt en vermoedt eene krijgslist. 

De stem van den aanvoerder weet de afgematte bijna moede- 
looze troep weder een oogenblik op te wekken. Hij waarschuwt 
hen voor 't gevaar, dat vermoedelijk in front juist zeer nabij is 
en onverwachts kan losbreken, en die waarschuwing doet aller 
geest herleven , doet elk jager 't geweer vaster aangrijpen en zich 
gereed maken voor eiken uitersten strijd. 

De kalme beleidvolle aanvoerder had juist gezien en geoordeeld 
en zijn troep door de tijdige waarschuwing en opwekking een 
andermaal voor ondergang behoed. 

Bij de kampong gekomen, werden zij eenklaps van achter muren 
door smalle schietgaten met een hagelbui van kogels overstelpt, 
tengevolge waarvan weer drie jagers sneuvelden en velen gewond , 
of voor de tweede en derde maal gewond werden , en de vijand , 
denkende zijn prooi meester te zijn , dringt nu weer dapper en woe- 
dend in onvermachtig aantal in rug en flanken op. 

Maar op Kriegers bedaarde en besliste bevelen, volgen even 
bedaarde en besliste handelingen van dat flink aaneengesloten 
dappere troepje half bezwijkende invaliden, want elke jager die 



106 DB BOBMRUKE TEBÜCHTOGHT VAN PISANG 

nog een geweer kan aanleggen mist zijn vijand niet, en terwijl 
Krieger in 't front den vijand 't hoofd biedt, verdubbelen zidi 
als 't ware zijne Luitenants Schouten, Schoch en Bouman op de 
andere zijden der kolonne, zelf het geweer voerende en zelf 
menigen al te stoutmoedigen vijand met de bajonet neervellende. 

Eenigen tijd houdt het wanhopige gevecht aan, zonder dat 
de troep vooruit kan , doch toen de vijand voor de flinke houding 
der dappere Luitenants afdeinst en zoowel de rug als de flanken 
verademing krijgen, gaat Krieger weer onder zijn kommando tot 
een onstuimigen frontaanval over. 

Een goed gericht salvo doet de vijand ook daar wankelen en 
nu gaan de jagers , hoe zwak ook , met gevelde bajonet en een 
luid hoera vooruit, waarvoor de vijand ruim baan maakt en 
de kolonne zoo de gelegenheid heeft om door eene natte sawah , 
de voor himne zwakke krachten onmogelijk te nemen hindernis 
om te trekken. 

Hier waadt dat handjevol dapperen tot aan de knieën door 
den diepen, weeken modder, met de grootste moeite vooruit 
komende, weder hardnekkig vervolgd door den teleurgestelden 
vijand, doch zonder echter de orde te verbreken en altijd stipt 
gehoorzamende aan Kriegers duidelijke , korte bevelen , zich weder 
een oogenblik sterk gevoelende door de opwinding tengevolge 
van het oogenblikkelijke succes. 

Toen de troep op die wijze het laatste défilé is gepasseerd en 
zich weer betrekkelijk veilig waant, is ook de oogenblikkelijke 
opwinding weer voorbij. Men sleept zich nu weder moedeloos en 
onverschillig voort ! 't Is zwoegen en tobben; 't is vallen en opstaan ; 
't is kruipen langs den weg , maar .... geen enkele gewonde blijft 
achter, daarvoor zorgen allen 't eerst. 

— Voorwaarts mannen ! klinkt Kriegers krachtige aanmoediging , 
nog 10 minuten dan is U geheel duister en dan zifn ivij ook veilig!-» 

Nog enkele woest volhardende vijanden gaven de vervolging niet 
op, steeds hopende dat eindelijk het oogenlijk zou aanbreken dat 
de troep buiten staat zou zijn een pas vooruit te doen, of een geweer 



VAN F. YEBMBULEN KRIBGBB — 1838 107 

op te heffen en dat zij dan zonder veel gevaar van eene slach- 
ting en een bloedbad konden genieten, waarnaar zij reeds zoo 
geruimen tijd verlangden en dat hun telkens ontging , trots hunne 
meest volhardende pogingen. 

Deze moeten nog eene geduchte les hebben vóór de duis- 
ternis geheel invalt, om ook deze laatsten den moed voor goed 
te ontnemen. 

Daar zij zich echter voortdurend op eerbiedigen afstand houden, 
beraamt de Luitenant Schouten met Kriegers goedkeuring een 
stout plan. 

Met IQ uitgezochte en nog strijdvaardigste Jagers , die hoogstens 
een enkele maal gewond zijn en dan nog niet al te zwaar, neemt 
hij achter eene rots positie en laat de kolonne strompelend haren 
weg vervolgen, terwijl hij en zijne dapperen zich neerleggen en 
den vijand , die overmoedig schreeuwende nadert , bespieden , zich 
gereed houdende tot eene beslissende handeling. 

De vervolgers naderen de rots, zonder te vermoeden dat die 
uitgeputte troep nog tot zoo'n krachtige handeling in staat kan zijn. 

Eindelijk zijn zij den kalm wachtenden Schouten en de zijnen 
tot op eenige passen genaderd; onmiddellijk na Schouten's kom- 
mando, <ivuurh klinkt er een salvo en tien vijanden vallen getroffen 
ter aarde! Toen daarop onmiddellijk 't donderend bevel, ^atta- 
keerenU hen dreigend tegen klonk, gevolgd door een hoewel 
zwak toch indrukwekkend, ^hoerah der Jagers, spatte de vijand 
als een troep vreesachtige roofvogels uiteen en ging op de vlucht , 
de dappere jagers achter zich wanende en de rollen omgekeerd 
denkende, doch deze braven deden geen aanval , want zij konden 
zich bijna niet meer staande houden. 

Na dit laatste afdoende bewijs van weerkracht staakte de 
vijand de vervolging, vooral ook omdat men de grenzen van het 
bevriende en getrouwe Agam naderde. 

Tegen negen uur des avonds op eene groote drooge vlakte 
gekomen, die het uitzicht naar alle zijden vrij liet, veroorloofde 
Krieger den afgematten troep eenige rust, omdat hij overtuigd 



108 DE BOKMBIJKB TEBÜCHTOCHT VAN PISAKG 

was, dat hij voor 't oogenblik niets van den vijand te vreezen 
had; in de nabijheid van een helder zacht murmelend beekje 
liet hij halt houden en gaf toestemming om een oogenblik te rusten. 

Allen vallen neer waar zij staan en daar waar zij vallen, en 
ook in dezelfde houding slapen de afgetobde, uit vele wonden 
bloedende krijgers terstond in. 

Alleen de Luitenants blijven beurtelings wakker en waken met 
den dappere overste, wien de zorg voor de zijnen niet toeliet 
om eenige rust te genieten. 

Na een weidoenden slaap van twee uren is 't hoog noodig den 
vermoeienden marsch te vervolgen en de officieren moeten als 't 
ware elk man afzonderlijk overeind zetten, zoo verstijfd zijn allen 
door vermoeienis en bloedverlies, maar ook nu weer brengen 
Kriegers aanmoedigende woorden en kalme, vermanende stem 
beweging in den half slapenden troep. 

Eindelijk bereikte men een uur later eene bevriende kampong 
en nu is alle gevaar geweken , maar nu ook is 't met de laatste vonk 
van opwinding en energie gedaan, en één voor één blijven de 
dapperen achter. 

Alleen Krieger met zijne Luitenants en negen beproefde Jagers 
zetten den tocht voort, want Kjieger wil Boekit Koriri bereiken , 
om zoo spoedig mogelijk de trouwe soldaten hulp toe te zenden ; 
juist toen in dat fort om 5 uur des morgens de hoomblazer 
de reveille blies, hadden zij hun doel bereikt, en al waren de 
toonen van dien hoorn voor een fijngevoelig oor wellicht minder 
harmonieus , hen klonk dat als de schoonste muziek , die zij ooit 
gehoord hadden, te gemoet. 

Geen van dit volhardende troepje kon meer eenig geluid geven 
en vóór alles verlangden zij naar rust , volmaakte rust. 

Alleen Krieger rustte niet. 

Door een glas wijn gesterkt en uitgestrekt op eene op den 
grond uitgespreide mat, gaf de geharde Overste de noodige be- 
velen om voor zijne dappere soldaten te zorgen. Helder van 
geest, kalm en doordacht gaf hij de noodige orders en dicteerde 
ondertusschen zijn rapport. 



VAN F. VERMEULEN KBIEGBB — 1833 109 

Drie uur later waren alle achterblijvers binnen 't fort Boekit 
Koriri en werden daar liefderijk verzorgd. 

£n toen dat alles naar wensch was volbracht, liet Eüegerzich 
op een paard zetten, reed dadelijk door naar Fort van de 
Capellen om de noodige maatregelen te nemen tegen den 
zoo krachtig uitgebroken opstand, en eerst toen hij alle orders 
gegeven had , eerst toen dacht hij er aan om zijn eigen lichaam 
rust te geven, want toen waren ook de krachten van zijn ijzer- 
sterk gestel uitgeput. 

Hij was een held en een vader voor zijne soldaten. 

Van de kleine koloime van 80 man, waren 17 man gesneuveld 
en al de overigen gewond, sommigen zelfs twee of driemaal, 
doch alle wonden waren het gevolg van kogels en lans- of 
steenworpen, maar geen enkele verwonding was dooreen klewang- 
houw veroorzaakt, want 't was den vijand, hoe verwoed ook 
strijdende, niet mogelijk geweest de dappere jagers zoo dicht 
te naderen, dat hij van zijn zwaard gebruik kon maken, alvorens 
die poging met het leven te boeten. 

Over een afstand van 12 uur gaans had de troep 22 uur gemar- 
cheerd in eene verschroeiende , brandende hitte en gedurende dien 
tijd niets gegeten, 30 maal min of meerbreede, snelstroomende 
rivieren overgetrokken , steile bergen beklommen, diepe ravijnen 
doorgegaan, zich langs smalle bergpassen vol scherpe randjoe's 
een weg gebaand, voorbij hoogten waarvan een regen van rots- 
blokken naar beneden donderde en dat alles onder een voort- 
durenden strijd met een telkens aangroeienden, zeker 40 maal 
sterkeren, zeer beweegbaren en goed gewapenden vijand, die van 
elk voordeel dat 't terrein hem verschafte goed gebruik maakte. 

Maar die soldaten waren soldaten van ons dapper Indisch 
Leger, 't waren de gevreesde ««jagers van Vermeulen Krieger»» 
en de aanvoerder was de brave Overste zelf. 

Eene terugtocht als deze bewijst , wat eene kleine dappere schaar 
vermag, wanneer zij, sterk door krijgstucht en oefening, als één 
man handelt en gehoorzaamt aan de bevelen van den aan- 



110 DB BOEMBUKB TBBÜOTOOHT TAN PISANG 

voerder, maar ook dat in zoo'n geval vooral een bedaard, 
dapper en beleidvol aanvoerder een der grootste factoren is voor 
het succes. 

Beiden, èn soldaten, èn aanvoerder vullen elkander aan, en 
waar beiden zoo trouw en eendrachtig samenwerken als dit held- 
haftige handjevol dapperen, daar behoeft Holland nooit beducht 
te zijn, zoolang één dapper Holland's hart in den boezem klopt 
en nog een hand de kracht behoudt om het wapen te voeren 
voor Neêrland's vrijheid. 

Het eeresaluut den braven Overste op zijn feestdag door de 
hartelijke kameraden van het Hollandsche Leger gebracht, gold 
ook zijne dappere, brave soldaten en zijne kranige Luitenants, 
die het hem mogelijk maakten, dat glorierijke feit te volbrengen. 

Roem en eer aan die allen ! ! 




Heldendood 

van den Luitenant der Infanterie H. J. IJ. Engelbert van Bevervoorden 

op Sumatra's Westltust — 1833 

H^ vecht nogtans en woelt en weert, 
En houwt en treft en klooft, 
Tot dat op eens z^jn zwaaijend zwaard, 
Door duizend slagen botgschaard , 
Hem stakkend vliegrt om 't hoofd. 

H. ToLLKNS, Herman de Boijter^ 

Menigmaal komt het in de Indische krijgsgeschiedenis voor» 
dat bij het onverwacht uitbreken van een opstand een ver- 
sterkte post door den vijand middels verraad of verrassing wordt 
overrompeld en het zwakke garnizoen over de kling gejaagd, 
of dat eene patrouille door een overmachtigen vijand omsingeld 
en afgemaakt wordt 

Zelden ontkomen er officieren of soldaten aan dergelijke moord- 
dadige en hoogst bloedige gevechten, zoodat alleen vermoed kan 
worden welke heldendaden door die dapperen in die woeste 
geheimzinnige wouden, of eenzame bergstreken verricht werden 
en welke daden van edele zelfopoffering en trouw daarbij voor- 
vielen, want de gevallenen zwijgen voor eeuwig en de eenige leven- 
de getuigen van die moordtooneelen zijn de bloeddorstige vijanden, 
wier hoogste wellust in die oogenblikken slechts daarin bestaat, 
om allen te slachten die het noodlot in hunne handen voerde, 
eene wreedheid waartoe zij door hunne soms honderdvoudige 
overmacht in staat zijn, zonder een oogenblik van rechtmatige 
bewondering en waardeering te gevoelen voor den heldenmoed 
hunner tegenstanders. 

In dusdanige omstandigheden weten de dapperen van het 
Indische Leger van geen overgave, die ook, zeldzame gevallen 
uitgezonderd, volmaakt nutteloos zoude blijken, want het zou, 
vooral voor de Europeanen een smartelijke dood, eene ver- 



112 HELDSNDOOD VAN DSN LUITENANT DE& INFANTSBIB 

fijning van marteling zijn. De dapperen strijden heldhaftig tot 
de laatste patroon verschoten en de laatste man gevallen is ; allen 
blijven op het veld van eer, na hun leven zoo duur mogelijk 
verkocht te hebben, den zekeren dood als braaf soldaat tot het 
laatste oogenblik onverschrokken onder de oogen ziende, trouw 
als zij zijn aan hun plicht en ten allen tijde bereid tot sterven 
voor Vorst en Vaderland, al gaat ook de glorie van dien strijd 
voor 't nageslacht verloren, omdat geen enkele getuige hunne 
grootsche, dappere daden bekend kan maken. 

Eenzaam streden zij den laatsten wanhopigen strijd, in de 
eenzaamheid verbleken hunne gebeenten en de geschiedenis is 
niet in staat in zijn gulden boek hunne schitterende feiten te 
vermelden. 

Toen in het begin van het jaar 1833 onze posten te Bondjol, 
Loeboe Sikaping, Tarantan-Toengan en Loeboe Ambalo eensklaps 
in vollen vrede overvallen, afgeloopen en uitgemoord, zoomede 
de detachementen van de Luitenants Wautier en Ëngelbert van 
Bevervoorden in de pan gehakt werden , waarbij wij 3 officieren , 
90 Europeesche en 21 Inlandsche onderofficieren en minderen 
■aan dooden verloren, is slechts één Madureesch soldaat van de 
kleine kolonne van den Luitenant Engelbert van Bevervoorden 
door een toeval aan de algemeene slachting ontsnapt, en kon 
deze een relaas geven van den roemrijken en doodelijken strijd 
die dat hoopje soldaten onder dien dapperen Luitenant door- 
stond, tot het laatste oogenblik als helden strijdende. 

Deze soldaat, die gedurende het wanhopige gevecht onverwacht 
met een ander zijner makkers door geworpen strikken gevangen 
genomen werd, wist later met dien makker te ontsnappen, welke 
echter op die vlucht verdronk. 

Luitenant H. J. IJ. Engelbert van Bevervoorden was een oflicier 
die zich in tallooze gevechten gedurende den Java-oorlog door 
buitengewone dapperheid onderscheidde, zoodat Z. M. den 
Koning hem als belooning daarvoor het kruis der Militaire 
Willemsorde 4^® klasse schonk 



H. J. U. ENGELBBBT VAN BBVBBYOORDEN — 1883 113 

Niet alleen muntte hij uit in moed , beleid en trouw als officier , 
maar hij toonde zich ook spoedig vertrouwd met de gewoonten, 
gebruiken en taal van den Inlander, zoodat hij bijzonder geschikt 
bevonden was, om tot alles gebruikt te worden waarbij tact en 
correct handelen in den omgang met de inboorlingen een hoofd- 
vereischte was. 

Daarom werd hij na den afloop van den Ja va-oorlog , met den 
Kolonel C. P. J. Elout in 1831 naar Sumatra's Westkust ge- 
zonden, waar het Gouvernement de onderwerping der Padrie's, 
uitgesteld wegens de hooge eischen die de Java-oorlog gedurende 
vijf jaren aan de krachten van het Indische Leger stelde, nu 
met flinke en vaste hand wilde aanvatten. 

Ook daar toonde hij zich steeds dezelfde kranige, moedigeen 
beleidvolle soldaat uit den Java-oorlog, doch Elout, die zooveel 
dappere officieren onder zijne bevelen had, meende van de 
bekwaamheid van Engelbert van Bevervoorden en zijn tact in 
de behandeling van den Inlander beter gebruik te kunnen maken, 
zoodat hij hem met het Civiel-bestuur van Priaman belastte. 

In Januari 1833 bevond hij zich in het Rau'sche, was daar 
ook met het Civiel-gezag belast, terwijl hem tevens opgedragen 
werd nabij de kampong Padementinggi het fort Amerongen te 
bouwen, welks toekomstige bezetting onder de orders stond 
van den Luitenant Logeman. 

Toen het fort nog niet geheel voltooid was , moest Engelbert van 
Bevervoorde wegens zeer dringende dienstzaken naar zijne afdeeling 
Priaman terugkeeren , waarom hij de verdere voltooiing der sterkte 
en den dienst van het Civiel-bestuur aan Luitenant Logeman over- 
liet en zich onder geleide van 14 Madureesche soldaten op marsch 
begaf. Dit geleide ging niet zoozeer mede om zich tegen vijanden 
te verdedigen, want in het geheele district heerschte volmaakte 
rust, als wel om tegen mogelijke ongevallen beveiligd te zijn en 
zoo noodig zijn gezag door kracht van wapenen te steunen, want 
de bajonet boezemt den Inlanders altijd 't meeste ontzag in. 

Wel werd aan Engelbert van Bevervoorden van den Toeankoe 
Moeda, den Regent van Bondjol, een brief ter hand gesteld, 

8 



114 HBLDENDOOD VAN DSM LUITENANT DER INFANIXB» 

waarbij deze hem aanraadde om zich door een sterk geleide te dJoei% 
vergezellen, wijl hij niet voor den goeden geest onder de be-^ 
volking durfde instaan, doch de dappere Luitenant stelde in de 
gezindheid der Inlanders een te groot vertrouwwi en sloeg helaas 
dien goeden raad in den wind. 

Zijn weg voerde hem over Loender en Loeboe Sikaping; op 
de eerste dier plaatsen hield hij nachtverblijf en het was in dien 
nacht, dat onze posten te Bondjol en Loeboe Sikaping werden 
overvallen, en de bezetting na heldhaftigen tegenstand als het 
ware in den slaap en in volle vrede vermoord, waarvan echter 
aan Engelbert van Bevervoorden niets bekend was. 

Wel ondervond hij des morgens bij zijn vertrek naar Loeboe^ 
Sikaping eenige moeite om de noodige transportmiddelen te krijgen , 
doch ook dit wekte zijn wantrouwen niet op, gewoon als hij waa 
het gevaar licht te achten en niet terstond bij, het minste voor-» 
val onraad te vermoeden. 

Op zijn verderen weg naar Loeboe Sikaping rustte hij op het 
heetst van den dag met zijne Madureezen in de schaduw van 
eenige hooge boomen uit, want alles noodde tot rusten en in de 
kalme eenzame streek waar hij zich nu bevond , werd geen geluid 
gehoord, terwijl buiten hen geen levend wezen te zien was. 

Eensklaps verbrak een schot, luid door de echo weerkaatst > 
die plechtige stilte en een Madureesch soldaat, die voor den 
Luitenant stond, viel doodelijk getroffen neer, waarop Engelbert 
van Bevervoorden opspringende een Inlander in het dichte woud 
zag vluchten, als hoofddeksel de kwartiermuts van een jager 
van het i® Bataljon dragende. 

Nu vatte onze dappere Luitenant voor 't eerst eenige achter^ 
docht op; hij vervolgde terstond zijn weg naar Loeboe Sikaping 
dat niet ver meer af was omdat hij daar veiligheid meende te vinden^ 
want als de bevolking werkelijk plotseling in opstand geraakt was , 
zou de terugtocht naar Rau zeer zeker onmogelijk zijn. 

Op de vlakte nabij Loeboe Sikaping trof hij eene menigte Padrie's 
aan, die in zeer opgewonden toestand verkeerden, en, hoewel 
in toom gehouden door de besliste en kordate houding van het 



H. J. IJ. KNOKLBKET VAN BEVBBVOOKDEN — 1833 115 

kleine troepje, dit toch allerlei scheldwoorden en uitdagingen uit 
de verte toeriepen. 

Vriendelijk door de warme middagzon beschenen, lag de 
versterking Loeboe Sikaping daar te midden van het lachende 
landschap en uiterlijk duidde niets aan, hoe weinig het tooneel 
daar binnen in overeenstemming was met de omringende, vroolijke, 
levenslustige natuur. 

Hoe meer hij naderde, hoe meer het hem opviel, dat daar in 
onze sterkte eene onverklaarbare stilte en werkeloosheid heerschte, 
vooral in verband met de opgewonden gemoederen van de In- 
landsche bevolking uit den omtrek. Hoewel Loeboe Sikaping meer 
een herstellingsoord voor zieken en een hospitaal was, zoodat 
een officier van gezondheid daar het bevel voerde, zoo kon hij 
zich toch zoo'n groote zorgeloosheid niet verklaren , wijl 't rumoer 
om hem heen , aan de aandacht der bezetting toch in geen geval 
ontgaan kon zijn. De plaats geleek als uitgestorven en Neeriand's 
driekleur, die gewoonlijk eerst bij zonsondergang wordt neerge- 
haald, wapperde ook niet aan den hoogen vlaggestok, die zich zonder 
dat dundoek boven de omwalling en de daken der woningen verhief. 

De poort stond gastvrij open , geen schildwacht vertoonde zich , 
geen vriend trad naar buiten om als naar gewoonte de gasten 
te verwelkomen, geen menschelijke stem werd daar binnen 
gehoord, niets duidde aan dat daar soldaten woonden van het 
brave Indische leger, die gewoon waren stipt en streng, doch 
opgeruimd hun plicht te vervullen; alleen een hond hief een 
naargeestig, luid en ver klinkend gehuil aan, dat aan alle zijden 
gehoord werd , want ook de oproerige Inlandsche bevolking zweeg , 
reeds bij voorbaat genietende van de verrassing die den aange- 
komene daar binnen bereid was. 

Nu meende de dappere Luitenant , dat de bezetting door den 
nood gedrongen, den p'ost verlaten had en dat de vijandige 
bevolking hem in de ledige sterkte een strik spande en daarom 
ging hij als ervaren krijgsman met de zijnen slechts behoedzaam 
vooruit, op elke verrassing voorbereid, doch niet op het ver- 
schrikkelijke tooneel dat hem daar binnen wachtte. 



116 HBLDBNDOOD VAN DEN LUITENANT DEB INFANTEBIB 

Hij trad door de poort in de versterking en nu zag hij in een 
oogwenk een schouwspel, dat hem, de man gewoon aan bloedige 
tooneelen na verwoedden strijd, het bloed in de aderen deed 
stollen en verschrikt terugdeinzen. 

De geheele bezetting en de zieken , een Officier van Gezondheid 
en 43 onderofficieren waren vermoord, en met hen alle vrouwen 
en kinderen! Niemand was gespaard! 

Overal bloed! Overal lijken met verminkte ledematen en ver- 
wrongen trekken! De muren met bloed bespat, de lijken bij 
hoopen. Hier lag vreeselijk verminkt een troep soldaten, ginds lagen 
opeengestapeld vrouwen en kinderen, elders weder eenige militairen 
met de vrouwen en kinderen die bij hen hunne toevlucht zochten 
in den nood, en in de ziekenzaal vond hij al de hulpelooze 
zieken op himne legersteden wreedaardig met sabelhouwen en 
lanssteken afgemaakt. 

Het geheel geleek eene slachtplaats waar men uitglijdt in de 
plassen geronnen bloed en waar men struikelt over de verspreide 
ledematen. De wreede vijand had hier zijn Sabbath gevierd! 

Nu werd hem die doodsche stilte duidelijk en voor zijn gees- 
tesoog rees eensklaps het afgrijselijke, wreede moordtooneel op 
dat hier afgespeeld moest zijn, toen de bloedgierige vijand op 
onmenschelijke , tijgerachtige wijze zijn moordlust koelde en hoorde 
hij als 't ware 't geschrei van vrouwen en kinderen, zoomede de 
machtelooze kreten der verraadde bezetting, die ongewapend 
zijnde zich moest laten slachtten en met hen ook de zwakken 
die zij zochten te verdedigen, doch dat niet vermochten. 

Een oogenblik knarstandde hij van woede en dacht er reeds 
aan den lagen moord op de lafhartige moordenaars te wreken, 
toen een blik op de kleine macht die hij bij zich had, hem tot 
bezinning bracht. 

Hoe onversaagd en vol doodsverachting hij ook voor zich 
zelven was, zoo had hij toch deernis met de dapperen die hem 
vergezelden; hij zag hunne toekomst duister in, want wat zou 
die kleine macht kimnen uitrichten tegen die honderdvoudige 
overmacht, die buiten van vreugde en moordlust gillende, als 



H. J. IJ. BNGBLBEBT VAN BEVBBYOORDEN — 1833 117 

razenden genoten van de treurige verrassing die hun bloedig 
werk bereid had en die weder naar het bloed der nieuwe slacht- 
oflfers dorstte. 

Daarom riep hij zijne brave Madureezen, wier oogen ook 
van wraaklust gloeiden en die niets liever wenschten dan er op 
los te gaan, bijeen en schilderde hun den toestand met schrille 
kleuren af; hij bracht hen onder het oog dat voor hen alleen 
redding mogelijk was, als zij zich van hem scheidden, zich van 
hunne uniform ontdeden en elk afzonderlijk een goed heenkomen 
zochten , want himne huidkleur alleen zou hen niet verraden. Op 
die wijze zouden zij behouden door de vijandelijke kampongs 
kimnen sluipen, terwijl, als zij bij hun officier, den blanke, 
bleven, hun ondergang zoo goed als zeker was, want wat zou 
die kleine macht tegen die bloeddorstige opstandelingen kimnen 
uitvoeren, wier aantal zeker honderd tegen een was. 

Vol ongeduld, doch eerbiedig omdat hun aanvoerder sprak, 
hoorden de soldaten hem aan, maar wat hij ook zeide, zij waren 
niet te bewegen om hem te verlaten; zij waren soldaten en tot 
het laatste oogenblik zouden zij hun plicht doen, liever onder 
vijandelijke kogels of door vijandelijk staal vallende, naast hun 
officier strijdende , dan hun leven verschuldigd te zijn aan iets dat 
zij lafhartigheid noemden. Onder zijne leiding zouden zij het onmo- 
gelijke beproeven en was er geen uitkomst meer, dan bleef hun 
immers de kans over hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen , 
als eerlijk soldaat te vallen en zich naar hartelust te wreken op 
de moordenaars van ongewapenden , van vrouwen en kinderen. 

Dat waren slechts eenvoudige Inlanders die dat heldenbesluil 
namen , maar zij droegen Holland's imiform en behoorden tot het 
Nederlandsch Indische leger , werden aangevoerd door mannen als 
Engelbert van Bevervoorde, wiens heldenmoed en ridderlijkheid 
hen begeesterde en zij hadden zich gevormd naar het voorbeeld 
hunner dappre Hollandsche kameraden. 

Hoezeer ook de brave Luitenant, zijn eigen leven weinig tellende, 
begaan was met het lot dat die trouwe soldaten in zijn gezelschap 
wachtte, toch moet zijn heldenhart van rechtmatigen trots ge- 



118 HELDBNDOOD VAN DBN LUn^ENANT DER INFAMTERIB 

klopt hebben over dat besluit dier mannen, die, al moge hunne huid- 
kleur ook den Inlander verraden , zich zoo trouw betoonden aan him 
plicht en de vlag waarvoor zij streden zoo groote eer aandeden. 

Na de vermoorde makkers een laatsten eerbiedigen groet ge- 
bracht te hebben, verliet de kleine troep, flink aaneengesloten 
en vastberaden optredende, de versterking, met het doel om dwars 
door de vallei van Alahan Pandjang, zoo mogelijk langs Bondjol, 
waarvan zij de treurige nederlaag nog niet kenden, de wijk naar 
de Padangsche Bovenlanden te nemen. 

Zoodra zij buiten kwamen , werden zij met een moordlustig ge- 
huil ontvangen , doch een eerste goed gericht salvo strafte terstond 
eenige dier lafhartige moordenaars en deed die huilende benden 
terugdeinzen; zich echter sterk gevoelende door hunne kolossale 
overmacht, trachtten zij hen toch den doortocht te betwisten. 

De vastberaden houding van het dappere troepje, dat zich 
vrijwillig ten doode had gewijd, boezemde echter den vijand 
zooveel eerbied in, dat zij geen rechtstreekschen aanval durfden 
ondernemen, doch zich vergenoegden de braven op een afstand 
van achter boomen of dekkingen te beschieten , hen te beschimpen 
en allerlei wreede en bloeddorstige uitdrukkingen toe te roepen. 

Hoewel enkele soldaten licht gekwetst werden ging de troep 
toch kalm en beslist vooruit , de vijand die hen den weg versperde 
met eenige schoten of de bajonet verdrijvende en na een uur 
worstelens , bereikten zij , juist toen de duisternis inviel , een woest , 
zwaar begroeid en diep ravijn , waardoor het hun gelukte zich aan 
'svijands oog te onttrekken, een oogenblik te rusten en de wonden 
zoo goed mogelijk aan het daar stroomende riviertje te verbinden. 

De hoop herleefde! Maar onmiddelijk moest men verder, want 
de opstandelingen zouden zeker alles in 't werk stellen, om hunne 
bijna zekere prooi niet te laten ontsnappen. 

Acht dagen zwierven zij op die wijze in het gebergte rond , het 
leven rekkende door zich met bladeren en wortels te voeden, 
zich over dag in het dichte woud schuil houdende en des nachts , 
zich naar den stroom der rivieren richtende, den weg naar de 



H. J. U. BNeSLBERT VAN BBYBBYOORDSN — 1833 119 

veilige Bovenlanden zoekende. Ofschoon uitgeput van vermoeienis 
en ontbering en bijna zonder kleeren, die hen in de doomige 
struiken van 't lichaam waren gescheurd, doch himne wapens 
nog steeds vastberaden omklemmende , naderden zij toch , hoewel 
langzaam, hun doel. 

Toen zij de redding zoo nabij waren, bemerkte eene inlandsche 
vrouw hen in den vroegen morgen, voor dat zij bij het over- 
isteken eener kleine vlakte weder het beveiligende woud bereikt 
hadden, en aan de blanke huidkleur van den Luitenant den Euro- 
peaan [herkennende, maakte zij in den kampong alarm, waarop 
de op moord belustte opstandelingen ijlings te wapen liepen en 
juichend bijeen kwamen , als of 't een feest gold. 

Door vermoeienis en ontberingen te zeer verzwakt, was het 
Engelbert van Bevervoorden en zijne dappere Madureezen niet 
meer mogelijk , zoo spoedig als noodig was het bosch te bereiken 
en daarom hielden zij eenvoudig stand, zonder eenige zwakheid 
te doen blijken, zich tot het laatste gevecht voorbereidende en 
Teeds bij voorbaat afscheid van het leven nemende, terwijl de 
vijanden zich als huilende wolven om hen verzamelden , doch nog 
op een eerbiedigen afstand bleven. Alles duidde aan en gaf hun 
zekerheid dat zij voor 't laatst de zon hadden zien opgaan, maar 
zij waren vast besloten te sterven op eene voor den Holland- 
schen soldaat waardige wijze. 

En nu ontstond er een strijd, niet om behoud van 't leven, 
maar aan de eene zijde uit lust tot moord en aan de zijde der 
soldaten om dat leven zoo duur mogelijk te verkoopen. 

Allen verdedigden zich manmoedig, rechtop staande en menig 
tegenstander neervellende , doch lang duurde die tegenstand niet, 
want spoedig vielen enkelen door 's vijands lood doodelijk 
getroffen, maar zoolang er nog patronen waren, hielden de 
anderen den vijand op een afstand. 

Eerst toen het troepje niet meer schieten kon, waagden de 
aanvallers het om hen meer en meer te naderen, uit de verte 
nog zooveel mogelijk soldaten neerschietende , die kalm en gelaten 
't doodelijke schot afwachtten, maar rechtop in hun midden, de 



120 HXLDBNDOOD TAN DKM LUITKNAKT DKB IMTAIITBRIB 

Stuk geschoten sabel in de rechtervuist stond Engelbert van 
Bevervoorden nog ongewond, en zag de zijnen een voor een den 
laatsten adem uitblazen. 

Slechts nog twee Madureezen stonden op eenigen afstand van 
hem, de bajonet tot afweer en aanval gereed , maar de Luitenant 
achtte hei niet noodig een geweer ter verdediging op te nemen, 
want zijn stompje sabel was hem voldoende om te zoi^en dat 
men hem niet levend in handen kreeg. Plotseling gelukt het den 
vijand de beide Madureezen een strik over de schouders te 
werpen en hen naar zich toe te trekken, zoodat Engelbert van 
Bevervoorden nu eindelijk alleen stond en nu was de verhouding 
der strijders meer dan duizend tegen één geworden, maar die 
eene maakte door zijne houding zooveel indruk , dat niemand hem 
durfde naderen ; toch hield hij zich met moeite rechtop , want 
zijne krachten waren uitgeput, maar niettegenstaande dat, stond 
die jonge, dappere officier daar als een heerlijk beeld van moed 
en doodsverachting met gescheurde kleeren en gebroken sabel 
te midden dier duizenden, die hij door zijn vaste, vrees aan- 
jagende blik beheerschte. 

Daarom wierpen zij uit de verte met lansen en steenen naar hem, 
die gelukkig nu en dan doel troffen , zoodat hij eindelijk doodelijk 
gewond op eene knie neerzonk, doch het hoofd rechtop hield 
en zijne belagers onbevreesd en fier aanzag, steeds zijn gebroken 
zwaard dreigend omvattende. 

Eindelijk gelukte het een der hoofden den dappere ongemerkt 
van achter nader te sluipen en den held , die hij in front vreesde , 
daar veilig met den kris het edele hart te doorboren ; eerst toen 
viel de onwrikbare held op de naast hem gevallen makkers, maar 
nog zoo indrukwekkend na zijn verscheiden, dat zelfs die bloed- 
dorstige moordenaars geen juichkreet aanhieven, maar zwijgend den 
held aanschouwden die stand had gehouden, alsof hij een god was. 

Eerst toen 't vijandelijke hoofd hem het trouwe hart uit den 
boezem gesneden had en aan de bende voorwierp , om te laten 
zien dat het gelijk aan elk ander hart was, eerst toen brak een 
donderende juichkreet los. 



H. J. IJ. BMOELBKBT VAN BBVEBYOORDKN — 1833 121 

Ja, dat hart was nu even als dat van alle anderen, even als 
het hart van den ellendigsten lafaard, maar toen 't klopte in die 
nobele borst van Engelbert van Bevervoorden, was 't het edele, 
dappere hart van een trouw Hollandsch officier op wiens borst 
het heerlijke kruis der Militaire Willemsorde schitterde en wiens 
hoogste adel, ridderlijkheid was. 

Hij stierf zoo als hij geleefd had , zonder zelfs een ondeelbaar 
oogenblik zijn moedige natuur te verloochenen. 

De naam van den held en martelaar en de herinnering aan 
zijne brave, tot den dood getrouwe strijdmakkers leve voort, 
allen ten voorbeeld en navolging! 



ToonIJe Poland 

Ontzet en verdediging van het fort Amerongen, Sumatra's 

Westkust — 1833 

Zqn naam zg zgn grafsohrift 

Deze inscriptie is de eenige loftuiting die op de zuil voorkomt , 
als wachter het graf dekkende, waar de bekende Toontje Poland 
rust, wiens naam Beleid, £er en Roem beteekent. 

Kan 't korter ! ? . . . Kan 't welsprekender ! ? 

Die naam zal voortleven tot in 't verste nageslacht! Die naam 
alleen schildert als een heldendicht de roemrijke daden en schit- 
terende heldenfeiten uit een moeilijk tijdperk in Insulinde , daarbij 
den HoUandschen naam verheerlijkende , Holland's fiere banier met 
een aureool omgevende en welluidend sprekende van moed, 
beleid en trouw, die groote eigenschappen van HoUandschen 
stam, zoo heilig bewaard in het dappere Indische Leger, dat steeds 
naar oud-HoIlandschen trant onwankelbaar getrouw was aan zijn 
plicht, trots het woeden der gevaren en de geëischte offers. 

Want hoewel door de spraakmakende gemeente menige aardig- 
heid van twijfelachtig allooi aan het bijzondere leven van Poland 
wordt toegeschreven, hoewel* die dappere krijgsman ruw en onbe- 
schaafd en een echt «troupier» moge geweest zijn, geen zeldzaamheid 
in dien tijd van worstelen en strijden, als degelijk , onverschrokken 
soldaat en als. voorzichtig, vooruitziend aanvoerder , zoowel als 
nobel krijgsman is zijn naam ontwijfelbaar boven allen lof verheven. 

Deze waarlijk «self made man» is de roem en de glorie onzer 
wapenen geweest, in die gevaarlijke periode van zware beproe- 
vingen die 't Indische leger doorworstelde, toen 't in onze kolonie 
bijna altijd en bijna overal te gelijk oorlog was, en de krachten 
onzer krijgsmacht geducht werden aangesproken, niet alleen in 
den langdurigen Java- en Padrie's-oorlog, maar ook op Bali, 
Celebes en Bomeo. 



ONTZET BM VBBDBDIGINa VAN AHEBONOBN — 1833 123 

Overal streed Toontje Poland in de voorste rijen onzer dapperen , 
overal bedekte hij zich met roem en overal plukte hij lauweren, 
die allen, zoowel vriend als vijand, den dapperen, braven, 
eenvoudigen krijgsman zonder eenige tegenspraak toekenden. 

Poland had een hoogst eenvoudig, eerlijk, oprecht en edel, 
ja zelfs kinderlijk karakter zonder eenige ijdelheid, hoe hoog hij 
ook in de algemeene achting steeg; hij bezat eene stalen onver- 
woestbare gezondheid , een vroolijken aard en opgeruimden geest , 
eene allergelukkigste gemoedstemming die hem van alles de licht- 
zijde deed zien en menige hinderpaal met een kwinkslag deed 
overwinnen, en bij dat alles een hart van goud, een echt Hol- 
landsch hart vol trouwe vriendschap, toewijding en medegevoel, 
zoodat hij geen andere vijanden had dan alleen die , die hij door 
hunne laakbare eigenschappen zelf verachtte en zonder genade 
die minachting op zijne ruwe wijze deed gevoelen. 

Als krijgsman en als aanvoerder was hij een der dapperste 
onder de dapperen en in hooge mate onverschrokken en voort- 
varend, doch hoe onstuimig zijn moed ook mocht zijn, als het gevaar 
*t hoogst was, toonde hij een kalm beleid en een voorbeeldeloozen 
tact, zoodat zijn energiek en oordeelkimdig optreden menigmaal de 
de schaal der overwinning naar onze zijde deed overslaan. 

De eerste bevorderingen verwierf hij roemrijk op 't slagveld in 
den strijd tegen Nêerland's vijanden. 

Na vele wisselvalligheden en lotwisselingen ging hij den 29®* 
October 181 5 op 21 -jarigen leeftijd als gewoon soldaat naar 
Indië, als behoorende tot de Indische Brigade, die mede tegen- 
woordig was bij de gevechten te Quatre-Bras en Waterloo. 

Ofschoon hij niet lezen of schrijven kon , werd hij toch aan boord 
reeds aangesteld tot korporaal , doch dadelijk zette hij zich nu aan 
den arbeid , en door een vriend geholpen , was hij na eene over- 
tocht van 561 dagen zoover gevorderd, dat hij vloeiend lezen 
kon en , zij 't ook niet taalkundig , toch leesbaar schrijven , zoodat 
hij voldoende wetenschappelijk ontwikkeld was voor den rang die 
hij bekleedde en alle eer aandeed. 



124 TOONTJB POLAKD 

In het jaar 1820 werd hij op Riouw, na een zegevierend 
gevecht tegen de opgestane inboorlingen, wegens betoonden 
moed en beleid tot sergeant bevorderd; den 29*" Maart 1825 
verwierf hij bij Badjoa op het slagveld voor zijn moedig gedrag 
de 2^« Luitenants epauletten. 

Bij gelegenheid van onze nederlaag te Delangoe, Augustus 
1826, in den Java-oorlog, redde hij bij den terugtocht den zwaar 
gewonden Majoor B. Sollewijn , die anders zeker in 's vijands handen 
zou gevallen zijn , en met de door hem aangevoerde hulptroepen 
van Madura dekte hij den terugtocht der kolonne zoo oordeel- 
kundig, dat deze aan eene geheele vernietiging ontkwam, voor 
welk belangrijk feit hij bij keuze voor bevordering tot i« Luitenant 
werd voorgedragen. 

In het jaar 1829 verwierf hij wegens zijn voortdurend moedig 
gedrag gedurende den Java-oorlog het kruis der Militaire Willemsorde 
4* klasse, in 1834 de Ridderorde van den Nederlandschen Leeuw 
voor zijn betoond beleid en voortvarendheid in den oorlog tegen 
de Padrie's ter Sumatra's Westkust, en als Luitenant- Kolonel 
schonk Z. M. den Koning hem het kruis der Militaire Willems- 
orde 3® klasse voor zijne dappere daden bij de 2® en 3* expeditie 
naar Bali, in het jaar 1849. 

Gedurende den Java-oorlog was hij als Luitenant de komman- 
dant en aanvoerder van het korps hulptroepen van Madura, 
welk korps eene sterkte had van 2 kolonels, 2 Luitenant-Kolonels, 
8 Majoors, 20 Kapiteins en Ritmeesters, 60 Luitenants en 3000 
onderofficieren en minderen, dat vóór zijn optreden een onge- 
disciplineerde roof- en moordlustige bende vormde, doch door 
hem aan tucht en orde gewend werd , ten gevolge van de eigen- 
aardige wijze waarop hij met die Inlanders omsprong en waardoor hij 
hen zoo aan zich gehecht maakte , dat zij onder zijne aanvoering 
uitstekende diensten bewezen en menigmaal de beslissing aan- 
brachten. In alle gevechten ging hij zijne Madureezen voor, gewapend 
met eene lans en gevolgd door een bediende die eene zeer groote 
wapperende Nederlandsche vlag droeg , zoodat men door die vlag 
steeds wist waar de dappere Poland met den vijand slaags was. 



ONTZET EN VEBDBDIGING VAN AMBBONGBN — 1838 125 

Ofschoon zijn voornaam Theodorus was, werd hij algemeen 
«Toontje» genoemd , een bijnaam die hij aan den Generaal Cochius 
te danken had. Op zekeren dag was de vervolging van denver- 
slagen vijand aan Poland met zijn korps hulptroepen opgedragen , 
en scheen het dat hij zich in zijne onstuimige voortvarendheid 
te ver gewaagd had, zoodat, daar de duisternis reeds begon te 
vallen, men zich over de terugkomst van die dapperen ongerust 
begon te maken , toen eensklaps Generaal Cochius uitriep , ^^aar 
is Toonije al, ik zie zijn vlagh Sedert dien tijd behield hij dien 
naam tot aan zijn dood , en die naam zal zoo wij hopen onver- 
getelijk blijven voor allen, die den eerenaam «Nederlander» de 
hunne mogen noemen. 

Toontje Poland was de held van het Indische Leger, zijn 
naam was op ieders lippen en zijn leven en daden waren van 
dien aard, dat de bekende en kundige Militaire schrijver W. A. 
van Rees in een afzonderlijk werk van twee deelen eene zeer 
lezenswaardige beschrijving van dien brave gaf. 

Het volgende is eene greep uit de verschillende heldendaden 
en wapenfeiten van den beroemden Toontje Poland en wel uit 
het jaar 1833, waardoor den moed, de voortvarendheid, het 
beleid en de bewonderenswaardige hoedanigheden van den edelen 
held ten volle aan den dag treden en waaruit tevens blijkt welke 
groote belangen in onze kolonie dikwerf aan de leiding van officieren 
van inferieure rangen werden toevertrouwd en op welke oordeel- 
kundige, doortastende wijze deze ferme, vast optredende be- 
trekkelijk jonge mannen 'slands zaken, zoowel op militair als 
civiel gebied behartigden en ten goede leidden , al hadden zij ook 
over weinig middelen te beschikken. Door ondervinding geleid, 
met goeden wil, een moedig hart en gezond verstand wisten zij 
zich het in hen gestelde vertrouwen waardig te betoonen. 

Zoo was het in dien tijd en ... . zoo is het nog ! 

De Assistent van Mandheling (Westkust Sumatra) J. W. Boers 
had van hooger hand de opdracht ontvangen, om door een bezoek 
aan de Battaklanden de vriendschappelijke betrekkingen met die 



126 TOONTJE POLAND 

landen nauwer aan te halen , zich van hunnen wellicht noodigen 
bijstand tegen de onrustige Padrie's, den gemeenschappelijken 
vijand, te verzekeren en te trachten hen van het walgelijke 
menscheneten terug te brengen. 

Daartoe zou hij den ii®° Januari 1833 van uit Natal naar die 
streken vertrekken, vergezeld van een detachement sterk 2 
sergeanten, 4 korporaals, 2 tamboers en 24 fuseliers, allen trouwe 
Amboineezen, zoomede i Europeesch hoomblazer. 

Dit detachement ging eigenlijk meer mede als indrukwekkend 
gevolg voor de plechtigheden die plaats zouden hebben , als wel 
voor de veiligheid, want al had elk geweerdragende voor de 
voorzichtigheid tien scherpe patronen bij zich, omdat men nooit 
zeker was van de woeste en onrustige Padrie's, zoo werden zij 
bovendien vooral voorzien van 50 losse patronen per man, om, 
zoo noodig, bij plechtige gelegenheden niet achter te staan bij 
de Batakkers in het geven van saluutschoten. 

Bij dit detachement sloot zich nog aan de Toeankoe van Natal 
met een gevolg van 100 welgewapende Maleijers , waaronder tien 
van lontgeweren waren voorzien. 

Poland, die te Natal in garnizoen was, had niet zoodra ver- 
nomen welke plannen de Assistent Resident Boers had, of hij 
vroeg hem om als gast dien tocht mede te mogen maken, daar 
het kalme, eentonige gamizoensleven voor dien veld-soldaat niets 
aantrekkelijks had en hij niets liever deed dan op avontuur uit 
te gaan, vermoedende dat het vrije leventje gedurende dien 
tocht niets te wenschen over zou laten en er wel eenige pretjes 
aan verbonden zouden zijn, die op een kleinen, afgelegen post 
als Natal slechts zeer schaars voorkwamen, waar dan ook den 
eenen dag volmaakt op den anderen geleek. 

De Assistent-Resident, Poland's origineele uitvallen, gezellige, 
vriendschappelijke natuur en groote handigheid in moeilijke 
gevallen kennende, en overtuigd zijnde dat diens ondervinding 
en eigenaardige, aantrekkelijke wijze van omgang met den In- 
lander hem te pas kon komen , was daarmede ten zeerste ingenomen 
en nam het voorstel met beide handen aan, zoodat de vroolijke 



ONTZET KN YBRDSDIGINa VAN AMEBONaXN — 1883 127 

Luitenant, na bekomen toestemming zijner Chefis, geheel als 
liefhebber en gast van den Assistent Resident, zonder eenige 
officieele positie, den tocht mede maakte. 

Langs zoo goed als ongebaande wegen en steile bergpaden 
trok de troep langzaam voorwaarts, te midden van woeste 
wouden, over hooge bergen en door diepe ravijnen, meest in 
de openlucht bivakkeerende, overal door de Battaksche stam- 
men in hunne eenvoudige kampongs met veel plechtigheid in- 
gehaald en met open armen ontvangen. 

Den io«° Januari bereikte het troepje des avonds ten acht urn- 
de kampong Tanah-batoe, een vrij groot en welvarend dorp, waar- 
van het hoofd. Kali Mananti, de afgezanten en hun gevolg met 
de gewone hartelijkheid ontving en hen eene groote woning in 
de kampong ten gebruike afstond. 

Hier vernam men vage geruchten over de weder toenemende 
onrust der Padrie's en dat vooral omtrent die van de Afdeeling 
Rau, waar het vuur van den opstand het ergste smeulde. 

In den n^-avond kwamen er echter meer duidelijke en besliste 
berichten in, waarop men vertrouwen kon, want de eenvoudige 
Ëatakkers hadden er te veel belang bij om te vernemen wat 
hunne aartsvijanden uitvoerden, daar zij steeds veel van hen 
te lijden hadden en dus bij tijds hunne maatregelen moesten 
nemen. 

De berichtgever meldde , dat in de afdeelingen Alahan Pandjang 
en Rau plotseling een vooruitberaamden , goed georganiseerden 
opstand was uitgebroken, dat de Luitenants Wautier en Engel- 
bert van Bevervoorden *) met himne detachementen op marsch 
in de pan waren gehakt, dat onze posten te Bondjol, Loender, 
Loeboe Sikaping , Tarantan Toengan en Loeboe Ambaloe verra- 
derlijk overvallen waren en de bezettingen over de kling gejaagd, 
waarbij 3 officieren, 90 Europeesche en 21 Lilandsche onder- 
officieren en minderen waren vermoord, terwijl ook het gerucht 
liep , dat de Overste Vermeulen Krieger met eene geheele kolonne 



^) Zie pag. UI en volgende. 



128 TOOKTJB FOLAin) 

en tal van officieren op marsch van Pisang naar Koriri onder de 
woedende aanvallen der opstandelingen vernietigd was. 

Dit laatste gerucht was gelukkig onjuist, want hoewel Vermeulen 
Krieger van zijne kleine kolonne \^ dooden verloor en de 
anderen allen gekwetst werden , zoo had hij toch door zijnen voor 
altijd in de krijgsgeschiedenis merkwaardigen, meesterlijk geleiden 
terugtocht zijn troep er voor behoed, om het lot te deelen der 
andere afdeelingen , die in de eerste dagen van dien verraderlijken 
opstand den ondergang vonden. *) 

Ook deelde de berichtgever als zekerheid mede, dat het fort 
Amerongen reeds eenige dagen door de Rauwenaars onder Hadji 
Tamboesie aan alle zijden ingesloten was en dat de bezetting 
het zeker niet lang meer zoude uithouden wegens gebrek aan 
levensmiddelen , terwijl de opstandelingen den val van de sterkte 
besloten hadden en zich door hunne kolossale overmacht sterk 
genoeg gevoelden, om het door den opstand verrastte en slecht 
geapproviandeerde fort te veroveren. 

Wel was de ons getrouwe Regent van Mandheling, Radja 
Gedobang, met eenige Batakkers uit de grensgewesten, vormende 
eene macht van ongeveer 400 man, de bedreigde veste ter hulpe 
gesneld , doch hij vermocht met zijn kleinen troep weinig tegen de 
overgroote menigte strijdvaardige Padrie's die het fort ingesloten 
hielden, zoodat hij, in afwachting van de ondersteuning zijner land- 
genooten, de versterkte kampong Bondjol-Rau in de nabijheid 
van het belegerde fort bezet had en van daaruit de belegeraars 
verontrustte. 

Het fort Amerongen was eene pas opgerichte vierkante redoute, 
die bij het uitbreken van den opstand nog niet geheel voltooid 
was. De sterkte was bewapend met één tweeponder en een 
handmortier en bezet door een detachement van 86 onderoffi- 
cieren en minderen, waaronder 40 Europeanen, zoomede 120 
man van het Javaansche hulpkorps, eene bende slecht gedisci- 
plineerde Inlanders waarop niet veel te rekenen viel. 

*) Zie pag. 87 en volgende. 



ONTZET EN VBBDXDiaiNG VAN AiniBONGBN — 1833 129 

Daar de Luitenant Engelbert van Bevervoorden den io®° Januari 
van Amerongen vopr dienstzaken naar Priaman vertrokken was 
onder geleide van 14 Madureezen, waarbij hij met zijn detache- 
ment werd afgemaakt, voerde nu de 2® Luitenant}. H. Logeman 
het bevel, bijgestaan door den 2^ Luitenant Popje. 

Bij den ontvangst dier ongunstige berichten vatte Poland 
terstond het voornemen op, om van de voortzetting van den pleizier- 
tocht onder de Batakkers af te zien en zijne belegerde makkers 
geheel op eigen verantwoordelijkheid te gaan helpen en ontzetten. 

Hij overwoog het geen oogenblik dat hij slechts eene kleine, 
voor zulke gewaagde ondernemingen slecht uitgeruste macht bij 
zich had. In zijne voortvarendheid en dapperheid dacht hij er 
alleen om, dat hij soldaat was en dat zijne brave krijgsmakkers 
zijne hulp noodig hadden. 

Het vooruitzicht weder daadwerkelijk te velde trekken en met 
den vijand slaags te raken , bracht den dapperen Luitenant terstond 
in zijn waar element, want zoo iets was meer een kolfje naar zijn 
hand, dan de twijfelachtige geur-tocht door de Batak-landen. 

De Assistent Resident , aan wien Poland dadelijk zijn voornemen 
om het fort Amerongen te gaan ontzetten bekend maakte , had daar- 
tegen geen bezwaar, alleen maakte hij de opmerking dat hij niet 
goed begreep wat Toontje, hoe dapper hij ook was, zoo geheel 
alleen tegen die sterke benden Padrie's zoude uitvoeren. 

Poland bracht zijn gastheer nu onder het oog, dat hij ook 
volstrekt niet van plan was dat kunststuk alleen te doen, maar 
vast besloten was om de 30 bajonetten, met hoomblazers en 
tamboers in kluis, mede te nemen en bovendien nog zooveel 
Batakkers van goeden wil , als zich daarbij aan wilden sluiten. Ook 
de Assistent Resident mocht mee gaan als hij er lust in had, want 
Poland noodigde hem uit van de partij te zijn en nu als zijn 
gast mede te gaan, belovende hij als gastheer voor de noodige 
pret te zullen zorgen. 

De tegenwerping van den ambtenaar, die wel eenigzins juist 
was, dat de macht zoo gering en het aantal patronen geheel 

9 



130 TOOMTJB POLAND 

evenredig was aan het doel dat hij wilde bereiken, vond Toontje, 
van zijn standpunt bezien, eenvoudig belachelijk. Elk Amboineesch 
soldaat was wel honderd Padrie's waard beweerde hij, en het 
klein aantal scherpe patronen was geen punt van aanbelang, want 
aan 't einde der geweren zaten de puntige bajonetten en dat 
waren dingen waar zij handig mede goochelen konden en 
wonderen wisten te verrichten. Poland was overtuigd dat de 
Assistent Resident er zelf plezier in zou krijgen. Bovendien had 
hij immers twee tamboers en een hoomblazer die leven konden 
maken alsof er lo Bataljons oprukten, en als de Battaks die 
medegingen ««ook maar een vorkje medepikten^» en goed hard 
schreeuwden, dan zouden de Padrie's zeker denken dat heel 
Sumatra tegen hen oprukte en dan als de drommel aan den 
haal gaan , hun heil in de vlucht zoekende. Wat daarna gebeuren 
moest, was iets van latere zorg! 

Of nu de Assistent Resident veel vertrouwen had in dat plan 
de campagne van dén Luitenant, die met 30 man eene drie a 
vierduizend goed gewapende Padrie's wilde verslaan en op de 
vlucht jagen, of dat hij aan de vroolijke houding der Amboineezen 
bemerkte, dat al zijn verzet toch niets geven zou en zij den 
dapperen Luitenant overal zouden volgen trots zijn verbod , terwijl 
zelfs de Battaks blijken gaven gaarne onder diens leiding te 
zullen strijden , gaf hij «nolens volens» zijne toestemming dat den 
tocht, met vredelievende bedoelingen begonnen, afgebroken en 
in eene krijgstocht van belang veranderd werd, waarbij hij dan 
als liefhebber voor zijn pleizier mede mocht. 

Het was een ongekend koen waagstuk dat Poland ondernemen 
wilde , een waagstuk dat eene ontzettende krachtsinspanning , hard- 
nekkige voortvarendheid , dollen moed en groote doodsverachting 
vereischte , doch aan dat alles had de brave Toontje geen gebrek 
en door zijne houding vol zelfvertrouwen, zijne rondborstige 
jovialiteit, zijn beslist optreden en zijn bekenden naam van ver- 
trouwd leider bij de meest gevaarlijke ondernemingen, maakte 
dat allen en ten slotte de Assistent Resident zelf, vol vertrouwen 
in den uitslag waren. 



ONTZBT EN YBBDBDIGINa VAN AMEBONGEN — 1838 181 

Poland had dadelijk de noodige inlichtingen omtrent de richting 
van den marsch, de aard van het te doorloopen terrein en den 
afstand ingewonnen; toen hij vernam dat voor den tocht vier 
flinke marschdagen noodig waren, en wegens het moeielijke ter- 
rein wellicht wel vijf, beweerde hij dat , om zoo'n afstandje af te 
leggen, flinke soldaten maar drie dagen noodig hadden, en als 
het fort het nu maar zoolang met weinig eten kon volhouden, dan zou 
hij die rakkers van Padrie's wel tmores» leeren en ze «'n harde 
pil te slikken geven», zoo waarlijk als hij Toontje Poland was. 

Terstond gaf hij de noodige bevelen om zijn aanvalskracht te 
verhoogen, de marsch te bespoedigen en te zorgen dat na 
het ontzet zijn tocht niet te vergeefs was ondernomen. 

Al wat aan lood verkrijgbaar of aan metaal smeltbaar was, 
werd tot kogels omgegoten en zoo een groot aantal losse patronen 
in scherpe dito's veranderd, want die feestpatronen waren nu 
overbodig. Het hoofd Kali Mananti kreeg den last, om zooveel 
mogelijk levensmiddelen , en koelie's om die te dragen , bijeen te 
verzamelen, ten einde het fort na ontzet te kimnen approvian- 
deeren , en boden vooruit te zenden , die de boodschap mede kre- 
gen , om dit bevel ook aan de andere kampongs, die hij doortrekken 
zou, mede te deelen, die dan tevens ook te zorgen hadden, dat 
voor de agerende troep zelf *t noodige voedsel gereed stond , om zoo 
weinig mogelijk tijd met het koken van eten verloren te doen gaan. 

Bovendien moest bekend gemaakt worden, dat elke goed ge- 
wapende Batakker zich gereed moest houden, daar hij dan de 
hooge eer zou genieten om met de soldaten van het Gouverne- 
ment de Padrie's te mogen bevechten. 

Kali Mananti beloofde zelf mede te zullen gaan met 60 Ba- 
takkers, die in dapperheid en strijdvaardigheid voor de Padrie*s 
niet onderdeden. 

Terwijl alles onder zijn toezicht voor de tocht in gereedheid werd 
gebracht, gelastte hij op strengen toon dat allen die den volgenden 
morgen (den 19®° Januari) heel vroeg mede op marsch zouden gaan , 
nu moesten gaan rusten en slapen, want gedurende de volgende 
dagen zou daar weinig kans toe zijn. De taaie, onvermoeibare 



132 TOONTJE POLAMD 

Poland ging echter eerst ter ruste toen alles gereed was en sliep 
als naar gewoonte ook terstond in, alsof geen zorgen hem kwelden 
en hij geen waagstuk te ondernemen had. 

Deze geforceerde marsch naar fort Amerongen zou weder be- 
wijzen tot welke ongehoorde inspanning een met goeden geest 
bezielden troep in staat is, hoe moordend 't klimaat ook is, vooral 
als de aanvoerder er den lust weet in te houden , zdf het voor- 
beeld gevende, en zorgende door eene tijdig verleende rust den 
boog niet al te sterk te spannen. 

Den I9«° Januari des morgens, geruimen tijd vóór het aan- 
breken van den dag, werd de tocht aanvaard en bereikte men 
na een zeer moeilijken marsch langs een bijna onbegaanbaar 
bergpad, ten vijf uur des namiddags de kampong Tamian. De 
mannen hadden naar het voorbeeld van Toontje met lust en 
volharding gemarcheerd, eene enkele maal een oogenblik ophou- 
dende om iets te nuttigen, maar nu gelaste Poland ook, dat zij 
zouden eten en eene volmaakte rust nemen tot lo uur, waarna 
men weer verder zoude gaan. 

Op het vastgestelde uur stond de troep weer gereed en begon 
een uiterst moeilijken nachtmarsch in de duisternis , met den aan- 
voerder aan 't hoofd. 

Daar de tocht plaats had in eene bevriende landstreek, waar 
de bevolking niet alleen op de hand der regeering was, maar 
bovendien een feilen haat koesterde tegen dan vijand die men 
ging bestrijden, behoefde voor geen veiligheidsmaatregelen gezorgd 
te worden, wat den marsch bijzonder verlichtte en bespoedigde. 

Den geheelen nacht werd aanhoudend, volhardend en regel- 
matig voortgerukt en te 8 uur in den morgen van den 20«** 
Januari bereikte de troep wel uiterst vermoeid, doch zeer opgewekt 
de kampong Lama, zonder dat één krijger of één koelie was 
achtergebleven. 

Gehoorzaam aan de bevelen stond hier het voedsel voor den 
troep gereed en na eene rust van twee uur , werd de tocht vervolgd. 

De weg was nu uiterst moeielijk geworden en voerde over steile 



ONTZET BN YEBDBDIGINa VAN AMEBONGEN — 1833 183 

hoogten en door diepe ravijnen, zoodat de troep, en vooral de 
dragers van den voorraad, waarvan het aantal even als dat van 
de strijders in elke kampong aangroeide, slechts langzaam en 
zwoegend voorwaarts kwamen , doch waar 't noodig was hielp men 
elkander en Poland liep zelfe nu en dan met twee en drie geweren 
op de schouders , om anderen in de gelegenheid te stellen hunne 
vermoeide makkers te helpen. Eensgezind en welgemoed waren 
allen bereid mede te werken tot het groote edele doel dat Poland 
zich uit eigener autoriteit had voorgesteld , eene taak die de geheele 
troep nu gemakkelijk achtte, vol vertrouwen als zij waren in den 
alles voorzienden, kalmen, vroolijken, beleidvollen en dapperen 
aanvoerder, die zoo vol zelfvertrouwen de zijnen volhardend en 
onvermoeid voorging. 

Tegen het middaguur ontmoette men eenige Batakkers, die 
uit de in opstand verkeerende afdeeling Rau terugkeerden en tot 
den troep van den Regent van Mandheling behoorden, die in 
de nabijheid van het benarde fort de versterkte kampong Bondjol- 
Rau bezet had, doch nu door den Regent naar hunne landge- 
nooten gezonden waren, om zooveel mogelijk strijdbare en goed 
gewapende mannen op te roepen. 

Van hen vernam men, dat het fort Amerongen geheel ingesloten 
was door eene overgroote macht Padrie's, doch dat de bezetting 
nog dapper stand hield en zich hardnekkig verdedigde; dag en 
nacht op hunne hoede en tot den strijd gereed zijnde, sloegen 
zij zelfs de hardnekkigste aanvallen der belegeraars bloedig af, 
terwijl Radja Gedobang met zijne kleine macht Batakkers al 't 
mogelijke deed om de belegeraars afbreuk te doen en de pogingen 
der belegerden te steunen. 

Na eene korte doch weldoende rust toog men weder verder 
en bereikte des avonds ten negen ure eene kampong , waar Poland 
besloot den geheelen nacht te doen rusten, want met welken 
goeden wil de troep ook bezield was, de mannen waren nu zoo 
afgemat, dat zij van uitputting als 't ware neervielen waar zij 
stonden. Tot nu toe had Toontje door zijn voorbeeld , door een 
opwekkend woord, een snedigen kwinkslag en eene hartelijke 



134 TOONTJE POLAMD 

aanmoediging er den lust en den moed ingehouden, maar de 
uiterste*^ grens daarvan was bereikt en verder gaan was voor 't 
oogenblik onmogelijk, zonder het succes in gevaar te brengen. 

Poland zelf nam eerst eenige rust toen allen verzorgd waren, 
nadat hij nogmaals inlichtingen had ingewonnen en de orders 
voor den volgenden dag gegeven had , want het moeielijkste deel 
van den tocht moest nog komen. 

Den volgenden morgen 2 1 Januari om half zes , was de kleine 
kolonne, ten gevolge van de genoten rust, na gegeten te hebben 
weder welgemoed marschvaardig en stelde zich in beweging. 

Dien dag was de marsch nog afinattender dan den vorigen 
dag, door de onbegaanbaarheid der wegen en het aanhoudende 
sterk klimmen en dalen langs , door groote steenblokken en omge- 
vallen woudreuzen, versperde boschpaden. 

In alle kampongs die nu doorgetrokken werden, vond men 
slechts vrouwen en kinderen, want alle strijdbare mannen, allen 
die maar eenigszins een wapen konden voeren, waren den Regent 
van Mandheling blijmoedig gevolgd en tegen den aartsvijand 
opgetrokken. 

Dien middag tegen drie uur bereikte men de laatste kampong 
op 't gebied der Battaks aan den grens van de afdeeling Rau, 
de kampong Limoen Manis. 

De berichten die Poland hier van den toestand van het fort 
kreeg, waren verre van rooskleurig, doch die zetten juist den dap- 
peren aanvoerder aan, om met nog meer spoed en volharding 
den tocht voort te zetten, want de toestand der makkers was 
op *t uiterste. Toeankoe Tamboesie , de aanvoerder der belegeraars , 
was zelf gewond geworden en had nu vast besloten ten koste van 
alles den volgenden morgen de sterkte in te nemen, waartoe hij 
voor de bestorming zelfs bamboezen stormladders gereed had doen 
maken. De berichtgever voegde er bij, dat naar hij meende, het 
door waken en gebrek aan leeftocht uitgeputte garnizoen niet in staat 
zou zijn om die uiterste krachtsinspanning met vrucht te doorstaan. 

Op raad van het Inlandsche Hoofd, besloot Poland zijn troep 



ONTZET BN VSBDBDIGIKG VAN AHBBONaEN — 1833 185 

tot negen uur des avonds rust te geven, als wanneer de maan 
zou zijn ondergegaan, daar zij nu nog hoogstens slechts een viertal 
uren marcheerens van fort Amerongen verwijderd waren en hier 
van tijd tot tijd de knal van het geschut hoorden, dat, aan alle 
zijden weerkaatst, dof tot hen doordrong. 

Van deze rust maakte Poland gebruik om zijn kleinen troep 
te monsteren en op zijne eigenaardige, kernachtige wijze toe te 
spreken. 

En hij mocht tevreden zijn over het verkregen resultaat. Hij had 
in korten tijd een afstand afgelegd, waarover zelfs de aan het 
loopen in de bergen gewone Batakkers verbaasd stonden ; de sterkte 
van het hulpkorps bedroeg nu 500 man, waaronder 100 geweer- 
dragenden, allen bereid hem te volgen en te gehoorzamen waar 
hij hen leiden zoude , terwijl zijn handjevol dappere Amboineezen 
met de meeste geestdrift bezield , ongeduldig waren om met den 
vijand slaags te raken. 

Toen het nu des avonds ten negen uur, na den ondergang 
der maan, volkomen duister was geworden en de troep flink 
gerust en krachten vergaard had, werd de marsch hervat en met 
de meeste voorzichtigheid voortgezet, want men naderde nu de 
vijandelijke streken. Om zich niet ontijdig te verraden liet Poland 
zelfs de lonten van de geweren der Batakkers uitdoen. 

Om 12 uur des nachts bereikte men de laatste hoogte en van 
daar kon men in de verte de wachtvuren der Padrie's waarnemen , 
doch van het fort Amerongen was niets te zien daar het volkomen 
in duisternis gehuld was. 

Eensklaps verbrak een lichtstraal die duisternis te midden dier 
talrijke omringende wachtvuren, gevolgd door kleine lichtstralen, 
waarna een luiden knal en 't knetteren van geweervuur duidelijk 
tot de kolonne doordrong , zoodat daardoor nu de juiste ligplaats 
der redoute bekend was, maar daardoor ook tevens aan Poland 
't bewijs geleverd werd , dat hij niet te laat kwam en de dappere 
kameraden moedig stand hielden en waakzaam waren. 

De kolonne werd daardoor zoo door strijdlust bezield, dat het 



■™™^p^p^p"iwi 



136 TOONTJE POLAKD 

hem veel moeite kostte , om het onstuimig voorwaarts dringen der 
mannen te beletten en te voorkomen dat zij in luid gejuich uitbarstten» 

Het was nu zaak elke bewoonde streek te vermijden om zich 
niet te verraden en eerst in de vroegen morgen van 22 Januari ^ 
ten Ij uur 's nachts, bereikte de kolonne de door de Batakkers 
versterkte en bezette kampong Bondjol Rau. 

Radja Gredobang was ten uiterste verbaasd, toen hem bericht 
werd dat soldaten der regeering tot ontzet van het fort aange- 
komen waren en kon die tijding niet gelooven voor hij den troep 
gezien en den aanvoerder gesproken had. 

Poland kreeg hier de bevestiging van de reeds onder weg 
ontvangen berichten en besloot nu den vijand vóór te zijn; be- 
gunstigd door de duisternis zou hij hem zoo mogelijk in den 
slaap overvallen, verslaan en verdrijven. 

Terwijl zijne mannen weder rustten, of zich tot den strijd 
voorbereidden, ging de onvermoeide aanvoerder zelf uit op ver- 
kenning der vijandelijke positie en nam daarna zijne maatregelen. 

Met zijne 30 dappere Amboineezen zou hij zelf het sterkste 
punt der insluitings-linie onverschrokken aanvallen. De nu onge- 
veer 1000 man tellende macht der Batakkers, zou in twee deelen 
op zijne flanken verdeeld op andere punten den aanval onder- 
steunen en met groot misbaar den vijand aanvallen, zoodra Poland 
met zijne Amboineezen met hem slaags was. 

Aan eene reserve dacht hij niet en die vond hij ook overbodige 
daar het bij de verrassing noodig was, om het grootst mogelijk 
aantal strijders in actie te brengen. 

Hoe sterk de vijand was, die hij met zijne 30 soldaten zal 
aanvallen weet Poland niet en is voor hem, die niet gewoon is 
zijn vijand te tellen, ook van minder aanbelang, want waar hij 
de zijnen voorgaat, wijkt eiken vijand; hij rekent ook op de 
enorme uitwerking der nachtelijke verrassing , op de duisternis die 
het klein getal aanvallers voor den vijand verbergt en op de hulp 
uit het fort zelf, want hij is overtuigd dat de bezetting, als zij bij 
den aanval de bekende toonen van trom en hoorn verneemt, 



MtfaMi 



ONTZET BN YEBDEDIGINO VAN AMBBONeXN — 1883 187 

weten zal dat ontzet nabij is en zij zich dan niet onbetuigd zaY 
laten om van hunne zijde den vijand afbreuk te doen. 

Om 3 uur 's nachts rukte de troep voor den aanval op en 
sloop als 't ware langs den grond om den mogelijk goed waak- 
zamen vijand te verschalken en ongezien zoo dicht mogelijk de 
te bestormen positie te naderen. 

Vlak bij den uitersten vijandelijken post gekomen, klinken eensklaps 
in de stilte van den nacht Poland's krachtige kommando's den Pa- 
dries als een bazuin des oordeels , en de bezetting van het fort Ame- 
rongen als een jubeltoon in de ooren, waarbij de Luitenant zijne stem 
bijzonder uitzette , zoodat deze luid weergalmde en het den schijn 
had alsof hij duizenden soldaten in plaats van 30 tot den storm 
aanvoerde. — Bataljon halt! .,. Vaardig/,,, Aan! ,,, Vuur! , , , 

Een donderend salvo knalt onverwachts en dreigend de verraste 
vijanden te gemoet en fluitend dringen de kogels , dood en verdert 
aanbrengende, in de schuilplaatsen waar de belegeraars rust zochten. 

Onmiddelijk daarop hooren deze de bekende vreeselijke kom- 
mando's, — Velt geweer ! Attakeeren ! gevolgd door 

een aanhoudenden , razenden stormmarsch op de trommen en een 
schetterend zegevierend Wilhelmus op den hoorn, tegelijk met een 
luid en geestdriftig ^hoera-» der aanstormende Amboineezen en den 
aan alle zijden oprijzenden woesten oorlogskreet der aanvallende 
Batakkers, zoodat het den schijn had, alsof eene kolossale macht 
overal te gelijk de vijandelijke legerplaats binnen drong, gesteund 
door de bezetting van het fort, waaruit ook dadelijk luide sig- 
nalen en aanvalskreten weerklonken. 

Het was een woest, overweldigend en den verrasten Padrie's 
schrikaanjagend oogenblik. 

Voor dat de vijanden goed konden beseffen aan welke zijde 
de vijand aanviel, stortten reeds de eersten neder onder de 
bajonetten der dappere Amboineezen. Een jammerkreet steeg uit 
den vijandelijken troep op, als een antwoord op den zegejubel 
der woest aanstormende krijgslieden en wat in den schrik, die hen 
beving, voor de alles neervellende soldaten vluchtte, viel in de 



138 TOONTJE POLAND 

handen der ]woeste Bataksche benden. Hier de bajonet, elders 
de lanspunten en klewangs, overal dood en verderf, overal een 
hardnekkigen strijd zonder genade, slechts schaars veriicht door 
het laatste zwakke schijnsel der vijandelijke wachtvuren. 

De vlucht der Padries ontaart in eene paniek , zij spatten naar 
alle zijden uiteen zonder om te zien, alles in den steek latende, 
zoodat zelüs het Hoofd, Toeankoe Tamboesie, geen tijd neemt om zijn 
strijdros te bestijgen , doch dit achterlaat en om zijn leven te redden 
zoo spoedig mogelijk in de naast bij zijnde struiken verdwijnt. 

De overwinning was volkomen,... de vijand geheel verslagen 
en uiteengejaagd , ... tal van dooden en gewonden bedekten het 
slagveld,... en Poland, omringd door zijne dertig helden, deed 
als overwinnaar en bevrijder zijn intocht binnen de vrijgevochten 
veste, welks garnizoen, hoewel gelukkig door de overwinning, 
nog niet beseffen kon, dat zoo 'n handvol braven dit moedig 
feit bestond, dank zij de eenige Toontje Poland, die den 
aanval beraamde en leidde, en zelf daadwerkelijk daarbij voorging. 

Het ontzet kwam geen oogenblik te vroeg, want de nood was 
in de belegerde sterkte werkelijk zeer hoog gestegen. 

Het fort, waarvan de wallen nog niet voltooid waren en waar men 
pas aan de gracht begonnen was, zoodat de dekking en storm- 
vrijheid zeer gering geacht kon worden , was tien dagen te voren 
door de Padrie*s geheel onverwacht in vollen vrede ingesloten. 

De voorraad levensmiddelen was, hoe klein de rantsoenen 
ook genomen waren, reeds daags te voren geheel opgebruikt; 
wel was er nog eene overgroote voorraad munitie voor draag- 
bare wapenen, doch voor het geschut waren nog slechts 13 schoten 
en 17 worpen aanwezig. Het kleine garnizoen was door gebrek 
aan voedsel geheel uitgeput en door het onafgebroken dag en 
nacht waken, zoowel als door het voortdurend afslaan der telkens 
herhaalde verwoede aanvallen, bijna niet in staat zich staande 
te houden. De helft der bezetting was gedood of gewond, want 
men had reeds 11 gevallenen begraven en 20 zwaar gekwetsten 
lagen zonder eenige geneeskundige hulp in de barakken , waar- 



ONTZET BN YBRDBDIOINO VAN AMBBONOBN — 1883 139 

van men de van palmbladeren vervaardigde daken, uit vrees 
voor brand, afgebroken had. 

De bezetting besefte dus volkomen dat het onmogelijk zoude 
zijn een nieuwen aanval af te slaan, en het garnizoen had zich 
reeds op het ergste voorbereid, besloten als zij waren de post 
tot den laatsten man te verdedigen; maar toen zij eensklaps in 
den nachtelijke stilte de Hollandsche kommando's , met het daarop 
gevolgde regelmatige salvo-vuur, den stormmarsch der trommen 
en het heerlijke veel belovende «Wilhelmus» op den hoorn hoorden 
weergalmen, waren zij zich bewust geworden dat de redding 
nabij was en dit had h\m de krachten hergeven, om van hunne 
zijde tot het gelukken van het ontzet mede te werken. 

Na de komst van den doortastenden en onverschrokken Poland 
veranderde de toestand in de versterking en den omtrek daarvan 
in een oogwenk. De bezetting, die zooveel geleden had, kreeg weer 
moed en zelfvertrouwen , de Batakkers waren vol bewondering voor 
de kracht eener regeering die mannen bezat als Poland en zijne sol- 
daten, en de vijand was uiteengeslagen en trouweloos verlaten door 
de vrienden van het oogenblik, daar de Rauwenaars voorloopig weer 
meer heil zagen in het medegaan met de bovendrijvende macht. 

Onze held deed nooit iets ten halve. Zijn beleid , zijn helderen 
blik in den toestand en zijne voortvarende wijze van handelen, 
om met de weinige middelen die hem ten dienste stonden, 
het bijna onmogelijke te doen, evenaarden zijnen moed en hoe 
hachelijker de oogenblikken waren, des te opgeruimder toonde 
hij zich, des te grooter werd zijn zelfvertrouwen en des te meer 
toonde hij eene bewonderenswaardige kracht om den toestand 
te beheerschen; hoe talrijker de bezwaren werden, hoe meer hij 
blijk gaf geestkracht en voortvarendheid te bezitten en daarbij 
de groote gave de zijne noemde, om die eigenschappen ook 
aan anderen mede te deelen, of bij hen op te wekken. 

Als oudste officier nam hij terstond zoowel het militaire als 
het civiele gezag in handen, zonder daartoe eenige machtiging 
hoegenaamd te hebben, maar als 't noodig was, wist Toontje 
ook zonder machtiging te handelen. 



140 T00NTJ1B POLAND 

De teugels van het bewind waren nu aan krachtige , doortastende 
handen toevertrouwd. 

Van terugtrekken en den post verlaten was geen sprake 
meer! Dat lag niet in Toontje's aard, want waar hij eens vasten 
voet had, was hij moeielijk weg te krijgen en dat vooral na zoo'n 
schitterende overwinning ; hij gevoelde dat hij , door zich krachtig en 
zelfbewust te betoonen, den vijand en de valsche vrienden vrees 
inboezemde en door die vrees voedsel te geven moest hij trachten 
het gezag staande te houden, tot er hulp zou opdagen. 

Hij begreep dat hij zijn post in alle opzichten zoo sterk 
mogelijk moest maken en van de ontmoediging des vijands en de 
schrik door zijne zege teweeggebracht zooveel mogelijk profiteeren 
om alles te verbeteren, voor dat de tegenstanders zich bewust 
waren hoe zwak hij eigenlijk was, want wel was voorloopig de 
door Poland van de Batakkers medegenomen voorraad levensmid- 
delen voldoende , doch zoo heel lang zoude die toch niet strekken. 

Zijn eerste daad was, om bij het krieken van den dag, met 
eene flinke patrouille uit te gaan om den omtrek te verkennen, 
en toen het bleek dat geen enkele Padrie meer in de nabijheid 
te zien was, maar wel een aanzienlijken buit aan wapens en 
levensmiddelen, die onmiddelijk naar het fort werd gebracht; 
Alsof hij niet over enkele soldaten maar over eene sterke leger- 
macht beschikte, zond hij terstond met den offideelen tolk, 
Iman-si-Oela, naar den Jang-di-Pertoean , Hoofd van het land- 
schap Rau , de oproeping , om zich vóór twee uur bij den nieuwen 
kommandant en civielen gezaghebber met zijne Hoofden te komen 
onderwerpen, onder de hem door deze te stellen voorwaarden, 
met de bedreiging dat , als hij daaraan niet voldeed , zijne kam- 
pong verwoest en alles wat zich verzette over de kling gejaagd 
zou worden, even als zulks den Padrie's dien nacht overkomen was. 

De Jang-di-Pertoean, zich van zijne vrienden verlaten ziende 
en de zoo krachtig wrekende hand vreezende , kwam op het vastge- 
stelde uur met zijne Hoofden en eene talrijke gewapende bende zijne 
onderwerping aanbieden en werd door Poland geheel ongewapend 
met zeker vertoon van hoogheid en macht buiten het fort ont- 



ONTZXT BN YSBDRDIOINO VAN AMEBONOSN — 1833 141 

vangen. Binnen het fort waren echter allen voor verraad op hunne 
hoede en de noodige maatregelen genomen. 

Nu stelde Poland strenge voorwaarden. 

Als bewijs van de goede gezindheid van het Hoofd en de be- 
volking eischt hij uit het landschap Rau dagelijks 300 mannen, 
die aan den verderen bouw van het fort moesten blijven werken 
tot de geheele voltooiing daarvan en binnen 4 dagen te leveren 
de daarvoor noodige materialen , benevens 500 zakken rijst ieder 
van 125 tó., 300 kan klapperolie, 35 volwassen runderen en 400 
kippen als voorraad ten behoeve van het garnizoen en de zieken , 
zoomede tegen betaling wat dagelijks voor het onderhoud der 
troepen noodig zoude zijn. 

De hoofden voldeden boven verwachting nauwkeurig aan de 
gestelde eischen; binnen 4 dagen was het fort naar Poland's 
practische inzichten voltooid en was in de magazijnen een 
voorraad levensmiddelen voor ruim 4 maanden opgestapeld, 
waarvan dagelijks het noodige afgenomen moest worden, terwijl 
het versch aangevoerde den voorraad in stand hield. 

De gebouwen wzuren spoedig op nieuw ingedekt en Poland als 
geneesheer fungeerende, had gezorgd dat de gewonden en 
zieken zoo goed mogelijk verzorgd en verpleegd werden. 

Voor de hulptroepen der getrouwe Batakkers werd een versterkt 
kampement aangelegd, aansluitende aan een der facen van het 
fort en die bereidwillige vrienden aan het werk gezet om eene 
kolossale hoeveelheid randjoe's te snijden en op het glacis te planten, 
zoodat de versterking daardoor zeer spoedig geheel stormvrij was. 

Van den grooten voorraad infanterie-patronen liet hij on- 
middelijk 50.000 stuks breken; het daardoor verkregen buskruit 
diende om kardoezen, van oude kleedingstukken gemaakt, te 
vullen, terwijl de kogels ten getale van 30 in een aan beide 
zijden dichtgehouden bamboezen kokers werden geborgen , zoodat 
deze als kartetsen voor het geschut konden dienen. 

In 4 dagen tijds was dus door den krachtigen wil en den 
vindingrijken, practischen geest van Poland een onvoltooid fort, 
met eene zwakke bezetting, veranderd in eene gemakkelijk te 



142 TOONTJB POLAND 

verdedigen, goed voorziene en stormvrije versterking, met een 
krachtig, opgewekt en strijdlustig garnizoen. 

De Assistent Resident Boers was wegens ziekte, ontstaan door 
den hoogst vermoeienden marsch die hij zoogenaamd als lief- 
hebber mede maakte, naar Natal teruggekeerd , onder een geleide 
van gewapende Batakkers. 

De krachtens eigener autoriteit optredenden Militairen komman- 
dant en Civielen gezagvoerder van Rau en Mandheling begreep zeer 
goed, dat de onderwerping en de slaafsche gehoorzaamheid van 
den Jang-di-Pertoean slechts schijn was, uit vrees voor onze 
wapenen die Poland zoo geducht wist te doen gelden, maar 
dat dit hoofd, zoodra die vrees hem niet meer in toom hield, 
of dat hij die de teugels van het bewind in handen had die 
eenigzins liet glippen , dan zeker bij de eerste gunstige gelegenheid 
de beste weder met den vijand zou gaan heulen. 

Daarom besloot hij er de vrees in te houden door een streng 
voorbeeld te stellen en een verrader zijn rechtmatigen straf te 
doen ondergaan , zich er weinig om bekommerende of hij tot die 
rechtspraak wel de noodige rechtsmacht bezat en het wettige 
gezag voor de executie. Het voorbeeld was noodig, het was tijd 
van oorlog en de verrader was er en was in zijne handen, wat 
wel 't voornaamste was. 

Een zekeren Baginda Osman , die als Inlandsch ambtenaar 
van het Hollandsche Gouvernement maandelijks een tractement 
van f50 genoot, was een der eersten geweest om met den vijand 
te heulen en een der ergste aanstokers van den opstand, en 
dat alles in 't geheim terwijl hij het vertrouwen der Regeering 
genoot. Toen de opstand was uitgebroken, had hij het masker 
afgeworpen , was naar de vijand overgeloopen en had gedurende 
het beleg zelfs getracht om eene patrouille, door den Luitenant 
Popje gekommandeerd , in eene hinderlaag te overvallen. Tot 
zijn ongeluk had hij gerekend buiten den doortastenden Poland, 
die dan ook weldra den verrader in handen had. 

In weinige oogenblikken installeerde hij een krijgsraad en onder- 



ONTZET BN VBBDBDIGINO VAN AMBRONOEN — 1838 148 

zocht de zaak, en toen de misdaad door getuigen bevestigd was^ 
hielp den schuldige geen bekentenis en geen vragen om genade 
meer. Poland veroordeelde den verrader tot den strop , volgens zijn 
militair wetboek, 't eenige dat hij kende; weinige oogenblikken 
later werd het vonnis, krachtens zijne machtiging, zoo plechtig 
als zulks mogelijk was in tegenwoordigheid van de omwonende 
Hoofden en bevolking in 't openbaar voltrokken en de schuldige 
aan eene ha2istig in elkaar gezette galg opgehangen. 

De vijanden en de vrienden wisten nu hoe Poland met lage 
verraders handelde, en konden zich voor gewaarschuwd houden* 

In de maand Februari kreeg hij nevens eene hooge tevreden- 
heidsbetuiging over zijn beleid en eene goedkeuring zijner 
handelingen , zijne aanstelling tot de beide baantjes die hij reeds 
op eigen gezag zoo krachtig had aanvaard, maar bovendien de 
mededeeling dat hij zich maar moest trachten te behelpen met wat hij 
had , want dat het hoofdbestuur voorloopig geen meerdere hulp kon 
zenden , waarbij hem tevens goedgunstig de volmacht gegeven werd 
naar Natal of Aijer Bangies terug te trekken en het fort Ame- 
rongen prijs te geven, als hij meende, dat hij zich niet langer 
staande kon houden. 

Over die laatste machtiging haalde onze Toontje minachtend 
de schouders op ; inplaats van terug te trekken trad hij overal met 
zoo'n zekerheid , kracht en brutaliteit op , alsof hij over talrijke hulp^ 
bronnen beschikte; als Civiel-bestuurder hield hij eens in de week 
vergadering met de hoofden zijner afdeeling, die wel zorg droegen 
daarbij niet te onbreken; in die vergaderingen week hij nooit 
een duimbreed van zijne eens geformuleerde eischen af en impo^ 
neerde allen door zijne fermeteit en het onbegrensd vertrouwen 
dat hij in zijne eigene kracht had. 

Den 22^^ Maart ontving hij eene kleine versterking aan man- 
schappen en eene bezending levensmiddelen, geld en amunitie^ 
Daar het aantal manschappen dat hem gezonden werd te klein 
werd geacht om het konvooi te kunnen beschermen tegen mogelijk 



144 TOONTJB POLANO 

verraad, was dat troepje versterkt geworden door 1 8 Europeesche 
scherpschutters onder een sergeant-majoor, die echter na aan 
hunnen last voldaan te hebben, dadelijk naar hun garnizoen 
moesten terugkeeren. 

Poland vatte terstond het voornemen op, om van dat tijdelijke 
verblijf van die 19 dappere, goed geoefende jongens partij te 
trekken, om den tegenstander een flinken slag toe te brengen 
en hen weder eens een proeQe van zijne hand te geven. Hij 
meende ook dat hij de <dogé*s> eens een genoegen moest doen 
en daartoe wist hij niets beter te vinden dan eene flinke kloppartij , 
welke hartelijkheid die ^loge's* ook zoo op prijs stelden, dat zij 
als echte Hollandsche vechtersbazen, opgetogen over het heerlijke 
feest dat hen wachtte, vol ijver mede uitrukten. Zij vonden dat 
eene aangename en gepaste afwisseling na eenige vervelende 
marschdagen. 

Reeds den 23®° Maart had dat feest plaats. 

Poland had nu eene macht bij elkaar van 116 bajonetten en 
een handmortier, zoomede een flinken vertrouwbaren troep Ba- 
takkers, en eene bende Rauwenaars die hij echter minder ver- 
trouwde; de bewaking der versterking overlatende aan Logeman 
met de zieken en gewonden, rukte hij met zijn vriend Popje 
tegen den vijand op, verkende in de nacht van den 23®^ op 
den 24®° Maart zoo nauwkeurig mogelijk de sterke vijande- 
lijke stelling nabij Loender, onzen vroegeren post, viel in den 
vroegen morgen den vijand zoo onverschrokken en zoo beleid- 
vol aan, dat diens stellingen stormenderhand vermeesterd en 
de vijandelijke benden met groot verlies geheel uiteengeslagen 
werden. 

De zQgQ was volkomen ! De vijandelijke werken werden geslecht, 
de oude versterking Loender , vroeger zoo verraderlijk uitgemoord , 
werd nu ook weder bezet, doch Poland was zoo voorzichtig 
daartoe de benden Rauwenaars aan te wijzen, die hij onder de 
strengste bewoordingen hunne plichten onder het oog bracht 

Op die wijze hield Poland den geheelen omtrek in bedwang 
alsof hij over onuitputtelijke middelen te beschikken had, doch 



ONTZBT BN YBRDSDIOING VAN AMEBONGBN — 1833 14& 

al onderwierpen zich ook vrijwillig verschillende kampongs aan de 
ijzeren hand, die het bestuur voerde, toch bleef de slimme 
Toontje niet blind voor den in 't geheim toenemenden geest van 
verzet; uiterlijk toonde hij zich echter vol vertrouwen, alsof er 
geen wolkje aan den hemel was. 

Daarom was de waakzame, beleidvolle en alles vooruitziende 
aanvoerder er ook op bedacht, om voor mogelijke gevallen, 
als de toestand hem te machtig werd, zich een terugtochtsweg 
naar Natal te verzekeren , dwars door de bevriende Battak-landen 
heen , om de hem toevertrouwde soldaten zoo heelhuids mogelijk 
terug te kunnen brengen. Met dit doel liet hij twee posten langs 
dien weg bezetten en versterken, en wel het allereerst de kampong 
Limoen Manis , die het dichtst bij de grenzen van Rau en Mand- 
heiing gelegen was , een zoo oordeelkundig en tactisch bedachte 
en uitgevoerde maatregel, dat later de geheele bezetting van 
Amerongen daaraan haar behoud te danken had. 

Op die wijze beurtelings stout en voortvarend tactisch, of sluw 
en kalm diplomatisch optredende, wist hij den naderenden storm 
te bezweren en hield hij het Nederlandsche gezag hoog, want 
overal heerschte zooveel vrees en ontzag voor den dapperen en 
onoverwinlijken aanvoerder , dat zelfs de stoute Padrie's menigmaal 
alleen op de tijding zijner nadering hunne sterke stellingen op- 
gaven , want overal waar onze held optrad , kwam hij als over- 
winnaar uit den strijd. 

Den 7®° September werd eindelijk het garnizoen van fort 
Amerongen krachtig versterkt door den Majoor H. A. Eilers en de 
Luitenants C. H. Bisschoflf en J. H. von Tschudij met loo bajo- 
netten en één drieponder , zoodat nu wel ook het Militair kommando 
op den Majoor overging, doch Poland met het Civiel gezag 
belast bleef. 

Hoewel hij nu als militair in eene ondergeschikte rol was ge- 
plaatst, werd hij toch steeds in alles geraadpleegd en werden alle 
moeielijke ondernemingen door hem uitgevoerd of mede gemaakt ; 

10 



146 TOOMTJS POLAMD 

van af de komst van den nieuwen aanvoerder met zijne ver- 
sterking scheen echter het geluk van Amerongen geweken. 

Reeds den 19^ September leed de kundige aanvoerder, 
Majoor Eilers, in de valei van Alahan Pandjang, bij Bondjol 
Itam, eene nederlaag door het verraad der hulptroepen uit Rau, 
waarop hij te veel gesteund had, tegen de ernstige waarschu- 
wing van den beleidvolle Poland in, die dat volkje kende en met 
recht wantrouwde; bij die nederlaag leden onze troepen talrijke 
verliezen, en moest de kolonne zelfs de zwaar gewonden, den 
mortier en al de bagage in 'svijands handen laten. 

Bij den daarop gevolgden moeielijken terugtocht verloor de 
kolonne nog 35 man door de voortdurende woeste aanvallen der 
Padrie's en het was aan de houding van den dapperen Poland te 
danken, dat daarbij geen paniek ontstond ; door zijne opgeruimd- 
heid en geestkracht wist hij er bij de soldaten den moed in te 
houden en door zijn stoute, onversaagde tegenaanvallen met 
eenige dapperen de kolonne te beschermen en de Padrie's in 
toom te houden, die andermaal ondervonden dat hij zelfstandig 
tegenover hen optrad. 

De toestand werd nu met den dag hachelijker, tal van kam- 
pongs toonden zich vijandig en Toeankoe Tamboesie voelde zich 
weer sterk genoeg om aanvallend op te treden. 

Toen Majoor Eilers met Baginda Alam, het Hoofd van de 
nabij gelegen kampong Padamentingi , die ook eene dreigende 
houding aannam, wilde confereeren en dit Hoofd aan de oproe- 
ping daartoe geen gehoor gaf, was het weder de kordate Poland , 
die het baantje op zich nam, om dat Hoofd te gaan halen. 

Geheel ongewapend ging hij derwaarts en wist te bewerken 
dat Baginda Alam naar het fort zoude gaan , doch deze wilde dit 
alleen doen onder de voorwaarde , dat Poland als gijzelaar achter- 
bleef , bewaakt door tal van tot de tanden gewapende voorvechters. 
Zonder aarzelenf nam Poland die voorwaarden aan, vermaakte 
zich kostelijk Jdoor de bevolking verhalen op te disschen hoe 
onmogelijk sterk de Koning van Holland was , en dat de opstan- 
delingen wellicht wel hem en de bezetting van kant konden 



ONTZET KN YBBDBDIGING YAN AMERONGKN — 18S3 147 

maken, wat heel weinig beteekende, doch dat dan een geheel 
leger van nog veel dapperder soldaten, den dood zouden 
komen wreken. 

Den IQ*** October was de omtrek van fort Amerongen overal 
in openbaren opstand, en den 21®° October was de versterking 
weder zoodanig ingesloten, dat er niemand in of uit kon, terwijl 
de vijand dag en nacht de bezetting beschoot. 

Weder was Poland de ziel der verdediging en door zijn goed 
genomen maatregelen wist hij als Civiel bestuurder aanraking te 
behouden met de bevriende Bataksche Hoofden , zoodat het dezen 
mogelijk was om van tijd tot tijd levensmiddelen aan de beleger- 
den toe te voeren. 

Bij een door Poland wel beraamden en dapper verrichten uitval 
tegen eene sterkte des vijands , die te dicht bij het fort Amerongen 
lag, en waarbij hij met den Luitenant J. H. von Tschudy won- 
deren van dapperheid verrichtte, werden de Padrie's weder gevoelig 
geslagen en uit elkaar gedreven, doch de zege was helaas duur 
betaald, want de wakkere onverwinbare Poland werd door een 
kogel zoodanig aan het been gewond, dat hij zich als 't ware 
niet meer bewegen kon. 

Met zijn onveranderlijk goed en gelijkmatig humeur wist hij 
echter allen nog op te wekken, hoewel de toestand steeds moeie- 
lijker en slechter werd, daar men reeds paarden en honden 
slachtte, omdat het voedsel door de steeds strenger wordende 
insluiting begon te ontbreken. 

Eindelijk nadat het beleg 40 dagen geduurd had en er geen 
uitkomst opdaagde, daar de toegezonden voorraad niet verder 
dan tot Limoen Manis kon doordringen, belegde de Majoor 
Eilers een krijgsraad, waarin werd besloten om, krachtens de 
vroeger verleende machtiging, het fort te verlaten en langs den 
door Poland versterkten weg naar Natal terug te trekken. 

Zoo groot was de eerbied die de Hoofden voor den dapperen 
Poland gevoelden en zoo afdoend was nog zijn overwicht, dat, niet- 
tegenstaande den benarden toestand waarin de bezetting verkeerde, 



148 TOONTJB POLAND 

de flinke Luitenant als Civiel gezagvoerder van den vijand toe- 
stemming wist te verkrijgen , om het garnizoen met de geweren en de 
gewonden vrij te laten aftrekken , een feit zoo goed als eenig in 
de geschiedenis der Indische oorlogen, want nog nooit heeft een 
op roof en moord belusten Inlandschen vijand, zooals de Padrie's, 
genade geschonken en zijne bijna zekere prooi ongehinderd laten 
aftrekken, een feit dat alleen een tegenhanger vindt in den ont- 
zettende worsteling op Lombok, waar de Vorst de gevangenge- 
nomen en ontwapende kolonne Lindgreen vrij liet heengaan. 

Den 28*° November 1833 verliet de bezetting, na de stokken 
vernageld en demimitie vernield te hebben, het zoo lang en zoo 
hardnekkig verdedigde fort, het tooneel waar de brave Poland 
weder de meeste welverdiende lauweren had geplukt en trok, met 
de door de beschikbare koelie's gedragen gewonden voorop, in 
de richting van Limoen Manis terug. 

Naast Poland, werd ook de brave Popje vervoerd, die eene 
zware wond in de borst had en daaraan 24 uren later overleed. 

Het was een langen, treurigen sleep. 

Nauwelijks had de bezetting het fort verlaten of den vijand 
drong daar overal binnen en weldra ging alles in vlammen op. 

Op 10 minuten a&tands van de versterking trok de lange rij 
gekwetsten onbewaakt voorbij een post der Padrie's , die op dat 
gezicht hunne moordlust niet konden bedwingen en trots het 
verdrag en de door de Hoofden gegeven last, op de onbeschermde 
gewonden met lans en klewang aanvielen. 

De ongewapende vreesachtige dragers wierpen hunne lasten neer 
en daaronder ook Poland, die, hulpeloos als hij was, met zijn 
draagstoel in het struikgewas werd neergeworpen. 

Reeds heeft hij het pistool gereed om zich zelf voor een 
marteldood te beveiligen^ toen op dat uiterste oogenblik de ge- 
hechtheid en trouw aan zijn persoon, zich van de schoonste zijde 
deed kennen. Zijne Inlandsche huishoudster. Fine, en zijn Li- 
landschen bediende, Kendoe, weigeren zelfs op zijn uitdnüdielijk 
bevel hem te verlaten en zich alleen te redden ; trots zijn verzet neemt 
de brave en getrouwe Inlandsche vrouw, geholpen door den jongen. 



ONTZET EN YEBDEDIOING VAN AMEBONOEN — 1833 149 

haar heer met de uiterste krachtsinspanning op haren rug, draagt 
den gewonde, zelf bijna bezwijkende, door struiken en langs 
boschpaden naar Limoen Manis in veiligheid, doch dan valt zij 
zelf uitgeput en bewusteloos neder. 

De dankbare en edele Poland wist dat schoon bewijs van trouw 
en gehechtheid naar waarde te beloonen. 

De brave vrouw eerde hij hoog, de moeder zijner kinderen 
verliet hem nooit, en werd zijne wettige echtgenoote, toen hij 
als Kolonel in het burgelijk leven terugkeerde. 

Den 19®° December 1857 bezweek de beroemde en algemeen 
hooggeachte gepensionneerde Kolonel-titulair T. Poland op 
ójjarigen leeftijd aan eene hevige dyssenterie. 

Gedekt door de dierbare Vlag, waarvoor hij gedurende zijn 
werkzaam leven zoo menigmaal dapper en overwinnend gestreden 
en zijn leven veil gehad had, werd het overschot van den held 
onder algemeenen rouw en het gebulder van 't geschut grafwaarts 
gedragen, en in de nabijheid van Tjilatjap ter ruste gel^d. 

Een braaf, dapper, edelmoedig en ridderlijk soldaat was heen- 
gegaan, een man die de glorie was en blijft van het Indische L^er. 

Zijn naam, met gulden letters in onvergankelijk marmer ge- 
beiteld, zij zijn grafschrift, als eene welsprekende herinnering aan 
zijne roemruchtige daden en als eene dringende aansporing voor 
het nageslacht, om zijn voorbeeld van echt Hollandschen moed 
en trouw te eeren en te volgen. 



De helden van Goegoer Malintang 

(Sumatra'8 Westkust) — 1841 



Beeds hoorde hij 't gedreun van 't stormend voetgewemel, 
Toen hief hij 't heldenoog met vasten moed ten hemel 

en wierp de lont in 't kruit , 

En voor mishandeling en slavenboei beveiligd, 

Heeft hij van helden hen tot martelaars geheiligd, 

Tot martelaars van de eer ! 

H. A. Mbubr. ««Heemskerk.»» 

Den 24®° Februari 1841 brak geheel onverwacht te Padang 
Pandjang den grooten opstand uit in Batipo, een district op 
Sumatra's Westkust. 

Geen der gewone voorteekenen , als het wegzenden van vrouwen 
en kinderen, de toenemende brutaliteit der door fanatieke priesters 
opgehitste Inlandsche bevolking , nachtelijke vergaderingen en der- 
gelijke , had de nadering dier uitbarsting aangekondigd en de ons 
zoo vijandige aanhangers der Padrie's, de meest fanatieke der 
godsdienstige secten, hadden zich niet meer dan anders in de 
hoofdstad van het district vertoond. De opstand was zoo geheim 
voorbereid, dat niemand iets vermoedde en ieder die niet in 
het komplot was, dacht dat de meest volmaakte rust heerschte, 
tot dat plotseling in den vroegen morgen van 24 Februari alle 
niet ingewijden verrast werden door de eerste gevolgen van 
oproer, roof, moord, brand en plundering. 

In de onmiddelijke nabijheid dier hoofdplaats, aan den rand 
van een diep en woest ravijn was eene versterking, Goegoer 
Malintang gelegen , door eene Nederlandsche troepenmacht bezet 
en dienende om het Civiel bestuur te steunen in de handhaving 
van ons gezag. 

De versterking bestond uit een door een aarden wal omringd 



DB HELDEN VAN GOEQOEB UALINTANG — 1841 151 

kampement, voorzien van twee bastions, waarop echter geen 
vuurmonden geplaatst waren. Aan de zijde van het ravijn was 
een goed versterkt reduit opgericht, dat bewapend was met 
twee sttikken geschut. 

Binnen de enceinte van het versterkte kampement bevond 
zich alleen het logies der bezettingstroepen, zoomede de ge- 
bouwen die voor de opberging van den voorraad levensmiddelen 
dienden, doch geen ammimitie, terwijl in het reduit slechts een 
buskruit-magazijn stond, waar een grooten voorraad kruit, patronen 
en projectielen waren opgeborgen, doch ook niets anders ; in dat 
reduit was geen gelegenheid om de bezetting onder dak te brengen, 
noch om een voorraad levensmiddelen op te bergen, geen 
put om de bezetting in dat laatste toevluchtsoord van water te 
te voorzien , niets , dan alleen een goed gevuld munitie-magazijn. 

Deze nalatigheid en onoordeelkundige inrichting zou nu voor 
de bezetting de noodlottigste gevolgen hebben, doch ook aan- 
leiding geven tot buitengewone daden van moed, trouw en edele, 
grootsche , ridderlijke zelfopofifering , waaraan de annalen van ons 
dapper Indisch Leger zoo rijk zijn. 

Het kleine garnizoen werd gekommandeerd door den tweeden 
Luitenant der Infanterie J. B. Banzer en bestond uit, den eersten 
Luitenant Kwartiermeester C. Keppel, tien Europeesche en vijf 
en dertig Inlandsche onderofficieren en manschappen, benevens 
vier en veertig Inlandsche vrouwen en kinderen, waaronder de 
zes kinderen van den Luitenant Keppel, die, even als den sergeant 
majoor geweermaker J. G. Schelling, eene woning buiten, doch in de 
onmiddelijke nabijheid der versterking betrokken had ; de Luitenant 
Banzer en de rest van het garnizoen woonde binnen de omwalling. 

Na de reveille op den bedoelden 24®° Februari 1841 was de be- 
zetting, die nog niet ontbeten had, met de gewone dagelijksche 
morgen-werkzaamheden bezig , zoodat de poort openstond en be- 
halve de nog half dommelende schildwacht voor dien hoofdingang, 
waren geen bijzondere veiligheidsmaatregelen genomen, want 
niemand vermoedde eenig onheil. 



152 DS HSLDKN VAN OOBOOKB XALINTAMe — 1841 

De Europeesche sergeant Holij, die zich toevallig op een der 
bastions bevond, ontdekte in het op korten a£stand gelden Padang 
Pandjang een hevigen brand, vergezeld van luid geschreeuw en 
gegil der bevolking; ofschoon hij dit toeschreef aan de gewone 
onvoorzichtigheid der Inlanders, ging hij toch den Kommandant 
waarschuwen en diens bevelen vragen, alleen echter in verband 
met het mogelijke gevaar voor de met licht brandbare materialen 
ingedekte gebouwen der versterking. 

Te gelijk met hem kwam de sergeant-majoor-geweermaker 
Schelling bij den Kommandant, en meldde dat talrijke gewapende 
en woest tierende Inlanders zijne woning op korten afstand van 
de versterking waren binnen gedrongen , alles verwoestende , 
zoodat hij zelf maar ter nauwemood ongemerkt ontsnapt was. 

Niet wetende wat hij daarvan denken moest en nog niet zoo 
dadelijk aan een algemeenen opstand denkende, doch meer 
persoonlijke wraak vermoedende, liet Banzer zijn troep toch terstond 
onder de wapens komen, wat zeer spoedig in zijn werk ging, 
daar de brand en het rumoer de bezetting reeds van zelve had 
doen bijeenkomen, zoodat de bevelen dus spoedig waren ge- 
geven en volbracht 

Nauwelijks was de troep gewapend bijeen, of reeds drong eene 
goed gewapende opgewonden bende Inlanders, woeste oproerkreten 
slakende, de nog geopende poort der versterking binnen, de 
klewangs en lansen zwaaiende waaraan 't bloed kleefde van den 
wreed vermoorden Civielen gezagvoerder en van allen die het 
Hollandsche Gouvernement getrouw dienden en dus geen deel 
aan den opstand genomen hadden. 

De op bloed en moord belustte woeste, overmachtige bende 
stormde op de zwakke bezetting los, die wel gewapend was, 
doch geen enkele patroon had, daar die in het reduit opgeborgen 
waren en zich dus alleen van de bajonet kon bedienen om zich 
de aaüvallers van 't lijf te houden, wat zij dan ook met kracht 
en beleid deed. 

Geheel omringd en ingesloten binnen zijne eigene versterking 
door die fanatieke met doodsveiturhting aanvallende bende, oor- 



BB HELDEN VAN eOEOOEB UALINTANG — 1841 153 

deelde Banzer het 't raadzaamst, om te trachten zich door die woeste 
horde met de bajonet een weg te banen en zoo het reduit te 
bereiken, dat wegens zijne geringe uitgebreidheid en groote 
voorraad ammunitie gemakkelijker te verdedigen zoude zijn, tot 
dat hulp van elders tot ontzet opdaagde. 

Op zijn bevel nam de troep de vrouwen en kinderen in zijn 
midden; voorgegaan door hun dapperen, beleidvollen aanvoerder 
baande de bezetting zich een bloedigen weg door de hen in- 
sluitende opstandelingen en bereikte zonder eenig verlies het 
reduit, waar allen onmiddelijk van schietvoorraad werden 
voorzien. 

Nu was men wel in staat den vijand warm te ontvangen, doch 
helaas men had geen bete voedsel, geen droppel water en de 
mogelijkheid om zich door een dapperen uitval daarvan te voorzien 
bleek ijdel, daar de oproerlingen onmiddelijk aan 't plunderen 
waren gegaan en de licht brandbare gebouwen in brand hadden 
gestoken, zoodat de voor hen zoo onontbeerlijke voorraad 
levensmiddelen in vlammen opging en er niets meer te redden 
was, al verjoeg ook het goed onderhouden geweervuur der be- 
zetting de aanvallers uit de nabijheid der gebouwen. 

Ondertusschen had Banzer bemerkt dat de Luitenant Keppel 
nog onder de bezetting van het reduit ontbrak, daar deze, buiten 
het fort wonende en door ziekte verzwakt, niet in staat was geweest 
zijne woning te verlaten en dus er aan bloot stond om door 
den bloeddorstigen vijand op den meest wreede wijze met zijne 
zes kinderen omgebracht te worden. 

Terstond sloop de dappere sergeant Holij met eenige vrij- 
willigers aan de zijde van het ravijn het reduit uit en had het 
geluk dien officier en zijn kroost behouden binnen te brengen, 
maar ook juist bijtijds, want een oogenblik later ging ook diens 
woning in de vlammen op. 

Dadelijk toog de bezetting op aanwijzing van Luitenant Banzer 
aan 't werk om het weerstands vermogen van de kleine sterkte, 
die door de omliggende hoogten gedomineerd werd, te ver- 
hoogen, door oude buskruitkisten met zand gevuld op de 



154 Dl HKLDKN YAN eOK€K)KB MALINTANO — 1S41 

borstwering te plaatsen en zoo spoedig mogelijk overal randjoe's 
te planten, die door de vrouwen uit een voorraad bamboe-latten 
in allerijl vervaardigd werden. 

Dit sdles moest echter onder 't werkzame vuur der opstande- 
lingen geschieden, die ondertusschen nog een verwoeden aanval 
deden, welke door 't moedige garnizoen wel met vrucht werd 
a%eslagen, doch hun een zestal dooden en gewonden kostte. 

De positie der bezetting was hoogst gevaarlijk en zij verkeerde 
in een uiterst moeilijken toestand. 

Niemand had nog zoo vroeg in den morgen, toen de opstand 
hen verraste , iets gegeten en men had geen voedsel ; er was geen 
enkele beschutting om hen en vooral de gewonden tegen de 
reeds brandende zonnestralen te beschutten en geen enkele 
druppel water om de uitgeputte en afgematte bezetting in staat 
te stellen den hevigen dorst te lesschen, of de brandende wonden 
der gekwetsten te verkoelen. 

Weder was 't de brave sergeant Holij, die met eenige vrij- 
willigers zijn leven waagde om de bezetting een oogenblik uit 
dien bitteren nood te redden. 

Begunstigd door de duisternis sloop hij des avonds naar 
buiten, en 't gelukte hem, trots 's vijands waakzaamheid en 
hevig vuur, een klein varken, eenige aard vruchten en eenige 
emmers modderig water meester te worden, welke voorraad als 
een kostbaren schat bewaard en slechts bij kleine hoeveelheden 
verstrekt werd. 

Gelukkig was de bezetting, gewoon aan strenge discipline, 
volgzaam en gehoorzaamde stipt aan de bevelen die de kom- 
mandant in 't belang van allen gaf, zoodat zij zelfs geduldig hun 
dronk water afwachtten, tot de gewonden, de vrouwen en de 
kinderen geholpen waren. De kommandant voorzag zich 't laatst. 
Holij en de zijnen hadden bij den gewaagden tocht van de ge- 
legenheid gebruik gemaakt en naar hartelust gedronken. 

Gedurende den geheelen nacht van 24 op 25 Februari genoot 
het uitgeputte garnizoen geen oogenblik rust, want aanhoudend 



DB HBLDBN VAN GOBGOKB MALIMTANe — 1841 155 

beschoot de vijand de sterkte van alle domineerende punten en 
bij het aanbreken van den dag deed hij weder een verwoedden, 
wanhopigen aanval, die wel gelukkig werd afgeslagen, doch 
de vijand had daarbij de mogelijkheid gevonden, om het reduit 
langs de wallen van het kampement zoo dicht te bekruipen, 
dat vele manschappen, vrouwen en kinderen door de steen- 
worpen des vijands gekwetst werden. 

Overtuigd zijnde dat hij , zooals de toestand nu was en verstoken 
van alle voedsel, de verdediging tegen den zoo overmachtigen 
en fanatiek strijdenden vijand niet lang vol zou kunnen houden , 
schreef Banzer op een stuk oud patronen-papier met een stolde 
in teer gedoopt een brieQe, waarin met korte woorden aan den 
naastbijzijnden post hulp gevraagd werd en dat door den Ma- 
dureeschen fuselier Soerotto, die zich daartoe vrijwillig had aan- 
geboden, zou worden overgebracht. 

Het zij hier terstond gezegd , dat deze dappere zijn doel nooit 
bereikte en het slachtoflFer werd van zijne trouw en opoffering, 
want den 2®° Maart daaraanvolgende werd zijn vreeselijk ver- 
minkt lijk op een kwart uur afstands der versterking gevonden, 
en daar ter plaatse met alle mogelijke militaire honneurs ter 
aarde besteld. De plek waar hij rust is vergeten, doch zijn naam 
leeft voort in de geschiedenis, naast zoovelen, die vielen als het 
offer van him plicht en de moeielijke taak die zij in de uitge- 
strekte koloniën te vervullen hadden, tot handhaving van Nêerland's 
welvaart aanbrengende oppermacht. 

Gedurende den dag van 25 Februari deed de vijand aanhoudend 
doortastende aanvallen, waarbij Banzer zich als 't ware ver- 
dubbelde, om overal te zijn en de zijnen voor te gaan in den 
strijd, of aan te moedigen bij weifeling, uitgeput als zij waren 
door honger en dorst, en het zenuwverzwakkend waken in een 
wanhopigen toestand. 

Eenmaal gelukte 't den vijand zel& op de borstwering te komen 
en een oogenblik stand te houden , doch Banzer die een geweer 
genomen had en de sergeant-majoor-geweermaker Schelling snelden 



156 mt HELDSN YAN GOSeOKB 1CALIMTAN6 — 1841 

toe, en na een uiterst bloedig gevecht werden de binnen ge- 
drongen vijanden afgemaakt, zoodat de anderen van een verder 
doordringen afzagen. 

Doch ook de bezetting leed gevoelige verliezen aandoodenen 
gekwetsten en onder deze laatsten werden bijzonder zwaar gewond 
de Europeesche fiiselier F. Marien , de Inlandsche fnselier Sosemito 
en de sergeant-majoor-geweermaker J. G. Schelling, welke laatste , 
door vier klewanghouwen en lanssteken getroffen, verschrikkelijk 
verminkt was. 

Wel brengt een weldadige regen die in stroomen neervalt eenige 
lafenis en verfrissching aan en is het lijden der gewonden daardoor 
minder smartelijk, maar de kleine binnenruimte, reeds omwoeld 
om de dooden te begraven, verandert daardoor in een modder- 
poel en bovendien alle voedsel ontbreekt ; er is geen bete broeds , 
geen korrel rijst , ja zelfs zijn er geen rauwe aardvruchten meer 
om den duldeloos knagenden honger te stillen, zoodat velen in 
wanhoop 't gras der borstwering verslinden, of op een stuk 
schoenieder kauwden. 

Zoo brengt de benarde bezetting onder aanhoudende aanvallen 
en beschieting des vijands , die hoe langer hoe talrijker en over- 
moediger wordt, den 25*°, 26^ en 27®** Februarij door, meeren 
meer ingesloten, uitgeput van vermoeienis en ontbering, bijna niet 
in staat zich van de wapens te bedienen , zooveel mogelijk op de 
wallen rustende , toch altijd gereed , want Banzer weet hen den zoo 
noodigen moed in te spreken en de hoop op ontzet levendig 
te houden, niet vermoedende wat het lot van den dapperen 
Soerotto geweest is. 

Banzer maakt hen ook zijn voornemen kenbaar, dat hij, als 
de vijand binnen de versterking mocht dringen en de verdediging 
verder onmogelijk was, eerder het fort met vriend en vijand 
in de lucht zou laten vliegen, dan zich over te geven en daarom 
wordt de zwaar gewonde, vastberaden Schelling in de nabijheid 
van den buskruitvoorraad geplaatst, om op het eerste teeken 
den brand in 't kruit te steken. 

De bezetting vraagt eindelijk om zich, door Banzer geleid, met 



DB HELDEN VAN GOBGOBB MAIINTANG — > 1841 157 

vrouwen en kinderen in hun midden, door den vijand heen te 
slaan, willende zij liever den dood vinden in een open strijd, 
dan door honger en gebrek om te komen. Banzer wijst er op 
dat het onmogelijk is de drie zoo zwaar gewonden mede te 
voeren en dat hij die ook niet aan hun lot wiJ en mag over« 
laten, en weer berust de trouwe manschap in den toestand , wach- 
tende op het door Soerotto gevraagde ontzet 

Doch den 26^^ Februari des avonds blijken een Inlandsch 
sergeant en vier Inlandsche fusseliers op eigen gelegenheid het fort 
te hebben verlaten, om zich door den vijand heen te slaan , welk 
voorbeeld door een Inlandsch sergeant en acht Inlandsche fiiseliers 
in den vroegen morgen van den 27*° Februari gevolgd werd. 

Geen hulp ziende opdagen en de bezetting zoo verminderden 
uitgeput wetende, begint ook Banzer te wanhopen, doch hoe 
gaarne hij de uiterste poging wil wagen om te trachten zich 
door den vijand heen te slaan, wil hij daartoe niet overgaan, 
omdat hij de zwaar gewonde makkers niet aan hun lot wil over- 
laten en het is onmogelijk hen mede te voeren, want de nog 
valide mannen zijn te uitgeput door bloedverlies en gebrek aan 
voedsel om hen te dragen, terwijl in dat geval alle handen, die 
de wapens kunnen dragen, van dat kleine hoopje noodig zijn , om 
zich door de vijandelijke drommen een uitweg te banen, en aan 
die wanhopige poging eenige kans van slagen te geven. 

Doch ook de dappere Schelling heeft den toestand ingezien 
en met zijn mede-gewonden besproken, omdat hij begrijpt wat 
zijn ridderlijke en edelmoedige kommandant tegenhoudt, omdat 
laatste redmiddel aan te grijpen. 

Toen had er een wedstrijd van ridderlijkheid, edelmoedigheid 
en kameraadschap plaats > wier weerga in de geschiedenis niet 
dikwijls voorkomt ; aan de eene zijde de validen , wier hoog gevoel 
van eer en kameraadschap gebood om de zwaar gewonde makkers 
niet te verlaten en met hen te sneven, aan de andere zijde de 
zwaar gewonden, die daar onmachtig neerlagen, met grootschen 
moed en zelfopofering bij de anderen aandrongen tot den uitval, 
en hen niet tot last willende zijn, verklaren vrijwillig achter 



168 DS HBLDSN YAN eOKOOKB XALINTANe — 1841 

te zullen blijven, om zich dan met den roofzieken vijand in de 
lucht te laten vliegen. 

Banzer begrijpt ten slotte, dat hij ter wille van de mogelijke 
redding der anderen, dat offer moet aanvaarden en hoezeer 't hem 
ook ter harte gaat, besluit hij eindelijk na lang weifelen in den 
nacht van 27 op 28 Februari de versterking te verlaten en door 
den vijand heen te sluipen, of zijn leven zoo duur mogelijk te 
verkoopen. 

Na dit bepaalde besluit herleeft de hoop der tot strijden ge- 
schikten en kalm bereiden zich de drie braven, die zich willen 
opofferen, tot den heldendood voor. 

Banzer laat alle voorradige gevulde kruitkisten in het midden 
van het kleine buskruit-magazijn op een hoop zetten en daarnaast 
worden de drie zwaar gewonden op den houten vloer neergelegd, 
terwijl de sergeant majoor Schelling van eene lont en vuurtuig wordt 
voorzien, omdat hij als de meest bekwame der drie, het laatste 
offer zal volbrengen. De stukken geschut worden vernageld, de 
affuiten zoo goed mogelijk vernield en de Nederlandsche drie- 
kleur, die zoo lang vroolijk en aanmoedigend boven hunne hoofden 
heeft gewapperd, met den stok stevig aan het buskruit-magazijn 
bevestigd, zoodat zij tot het uitertste oogenblik zal blijven waaien 
en tegelijk met de laatste verdedigers ongerept in kruitdamp zal 
ondergaan. 

Bij 't vallen der duisternis is alles gereed en is elk man 
voorzien van een goed wapen en munitie voor dertig schoten. 

Na een hartelijk en aandoenlijk afscheid van de achterblijvende 
kameraden , wordt de deur van het kruithuis stevig gesloten , om 
te beletten dat de vijand onverhoeds binnendringt en daardoor 
wellicht den laatsten aanslag belet. 

Ten doode gewijd, blijven de drie dapperen alleen achter 
in het donkere lokaal dat hun graf zal zijn , maar ook tevens dat 
van talrijke vijanden; slechts een klein luchtgat is de eenige ge- 
meenschap die dat gesloten graf met de buitenwereld heeft, 
waarvan zij nu voor eeuwig zijn afgesloten en waarvan de dreigkreten 
des vijands slechts zwak en gedempt tot hen doordringen. 



DB HBLDEN VAN GOSeOBE lUUNTANd — 1841 159 

Leunende tegen den stapel kruitkisten, hun eenig middel tot 
redding en wraak, houdt Schelling de dood aanbrengende lont 
gereed, onbevreesd het juiste oogenblik van handelen afwachtende, 
dat wil zeggen, tot de vijand, belust op plundering en niet be- 
vroedende welk gevaar hem wacht, in grooten getale om 't stevige 
gebouw verzameld zal zijn. 

De bezetting, sterk 2 Officieren, 8 Europeesche en 19 Inlandsche 
onderofficieren en manschappen, zoomede 44 vrouwen en kinderen 
sluipt, toen de duisternis geheel gevallen was, over den wal aan 
de zijde van 't ravijn de versterking uit, omdat dit door 't sterk 
begroeide terrein de meeste kans tot ontsnapping aanbood. 

Ten einde die kans te vergrooten, zou de troep zich buiten de 
versterking in kleinere onderdeelen splitsen, die ieder afzonderlijk 
een goed heenkomen moesten zoeken. 

Banzer en Keppel met zijne kinderen blijven bij elkaar, waarbij 
de zwakke Keppel zoo goed mogelijk ondersteund wordt door 
de sergeanten C. Listman en A. van Holij, terwijl zich bij hen 
voegen de Europeesche korporaal C. Handpoorter, de kanonier 
J. Looimans en nog twee andere Europeesche fuseliers. 

Na een uur worstelens in de duistemis met allerlei ontzettende 
moeielijkheden van scherpe rotspimten en bijna ondoordringbaar 
struikgewas, valt Keppel neer en kan zich niet meer oprichten. 

Aan de anderen niet meer tot last willende zijn, gelast hij krachtens 
zijn hoogeren rang (hij was i® Luitenant) om hem te laten liggen, 
doch de makkers weigeren gehoorzaamheid en juist willen zij 
hem met geweld medenemen, toen zij door den vijand ontdekt 
en aangevallen worden. 

De beide Europeesche fuseliers en Luitenant Keppel vielen ter- 
stond als eerste offers, letterlijk in stukken gehakt, en Keppel's 
laatsten kreet is een smartkreet voor zijne arme kinderen. 

De anderen sloegen zich, met wanhopigen moed van de bajonet 
gebruik makende, door den vijand heen, alles wat hun in de 
weg trad neervellende en weldra zijn zij buiten 'svijands on- 
middelijk bereik in betrekkelijke veiligheid, doch behalve Luitenant 



160 Dl HELDKK YAN GOSGOKB MALDiTANO — 1841 

Keppel en de beide Europeesche fuseliers, ontbreken ook de 
kinderen van eerstgenoemde en nimmer vernam men iets 
omtrent hun lot 

Slechts vijf afgematte en uitgeputte mannen bleven er over 
te midden der bijna tastbare duisternis, in een bosch waarin 
geen weg bestond en waarin zij geen richting kenden, en 
dus op goed geluk een heenkomen moesten zoeken, op gevaar 
af van den vijand weder in de armen te loopen, toen eensklaps 
een ontzettende knal den grond deed daveren en eene schitterende 
vuurstraal den omtrek een oogenblik verlichtte, zoodat zij nu 
wisten waar de versterking gelegen had, want Schelling had het 
offer volbracht en had het fort met tallooze vijanden in de lucht 
laten vliegen. 

£n eerbiedig ontblootten die wanhopend dwalenden 't hoofd 
voor de dapperen die op Goegoer Malinting waakten voor de 
eer der Nederlandsche Vlag, en die als ware Nederlanders met 
de driekleur, die boven hun hoofden wapperde, in eene ontzettende 
ontploffing met den vijand in vuur en vlam te gronde gingen. 

De drie helden stierven zooals men van eeuwen her in Holland 
sterft, vrij en op de laatste schans, voor de dierbare Vlag en 
het beminde Vaderland, evenals Reinier Claessens, Herman de 
Ruijter, Van Speijk en zooveel anderen voor hen deden. 

De puinhoop van Goegoer Malintang, die hunne overblijfselen 
dekte, is 't schoonste monument dat ooit opgericht kon worden; 
daaruit stijgen hunne namen roemrijk op, ter nagedachtenis van 
hiinnen heldendood op 27 Februari 1841 en de faam noemt tot 
voorbeeld voor 't nageslacht: 

J. G. Schelling, sergeant-majoor-geweermaker, 
F. Marien, Europeesch fuselier en 
Sosemito, Inlandsch fuselier, 
de helden en toonbeelden van moed, beleid en trouw! 

Kracht puttende uit het schoone voorbeeld van opoffering hun 
gegeven, zetten zij hoewel strompelende en zwoegende de vlucht 
moedig voort, door de bedding van den stroom, die op den 



DE HELDEN VAN GOEGOBB KALINTANa — 1841 161 

bodem van 't ravijn vloeide, te volgen, waarbij de voeten hen 
tot bloedens toe opengereten werden door de puntige rotsblokken, 
waarover zij telkens vielen, zoodat daardoor ook de nog voor- 
radige munitie onbruikbaar werd. 

Uitgeput en afgemat zagen zij met schrik het daglicht ver- 
schijnen, want nu zou de beveiligende duisternis hen niet langer 
verbergen; zij moesten zich nu ook zoo goed mogelijk voeden 
met vruchten, bladeren en wortelen. 

Tweemaal werden zij dien dag door ronddwalende vijanden 
ontdekt, doch telkens wisten zij hen te ontkomen, en waren zij 
hun behoud verschuldigd aan het diepe, duistere en woeste 
ravijn, waarvan de weelderige plantengi'oei hen voor de vervol- 
gers verborg. 

Zoo vervolgden zij dien martelaarsweg gedurende twee dagen 
en twee nachten, hongerig, uitgeput, met stukgereten voeten en 
allen meer of minder gewond, geen weg wetende, slechts de 
bedding der rivier volgende, vallende en opstaande, elkaar hel- 
pende en steunende, ten laatste zelfs niet meer in staat 't nu 
nuttelooze geweer te dragen. 

Was er reeds buitengewone moed en geestkracht, groote vol- 
harding en toewijding noodig om elkander te helpen en te steunen , 
hoe krachteloos ze zelven ook waren, den 2®° Maart zouden 
die kameraadschappelijke deugden op nog grooter proef gesteld 
worden, en toen toonde dat kleine troepje helden en trouwe 
krijgsmakkers , waartoe echte kameraadschap in staat is. 

Toen zij des morgens, na een nacht van bovenmenschelijk 
voortworstelen , bij het aanbreken van den dag, op een beschut 
plekje zich een oogenblik rust gimden, bemerkte van Holij dat 
hun kommandant, de Luitenant Banzer, niet meer bij hen was. 

Hoe doodelijk uitgeput, afgemat en machteloos zij ook waren, 
trots hunne pijnlijke wonden en vaneen gereten voeten , keerden 
allen terstond terug op den weg, die voor hen enkel marteling 
was, om den dapperen Luitenant te zoeken, die zij niet aan 
zijn lot wilden overlaten. 

Na een uur van ontzettende doch volhardende inspanning 

11 



162 DS HXLDKN YAN eOEeOKB MALINTAN6 — 1841 

vonden zij hem in het midden van den stroom bewusteloos op 
een rotsblok uitgestrekt 

Weder bijgebracht zijnde trachtten de trouwe makkers hun 
Luitenant, die hen steeds zoo'n kranig voorbeeld was geweest, 
te steunen, doch zij waren daartoe te uitgeput en besloten bij 
elkaar te blijven om te samen te sterven, want in dat woeste 
woud scheen voor hen geen uitkomst meer te bestaan. 

Eensklaps dringt er een gerucht van stemmen tot hen door en 
zij meenen Hollandsche klanken te hooren. Vol hoop rijzen zij 
op. Daar schemert door 't struikgewas, dat hen verbergt, de 
schittering van metaalglans in den zonneschijn en zij onder- 
scheiden bajonetten. 

Dat was de redding !!.... 

Het was de kolonne onder de persoonlijke leiding van den 
dapperen Michiels , die naar de in opstand zijnde streken oprukte. 

Een roerende juichkreet, zooals nog nooit geslaakt was» 
on^lipte aan hunne van vermoeienis hijgende borsten en een 
oogenblik weenden die geharde, moedige, zwaar beproefde 
soldaten. 

't Geluk was te groot! ! 

Zij waren de eenigen die aan de ramp van Goegoer Malintang 
ontkwamen , doch nog geruimen tijd hadden zij noodig , voor zij 
geheel hersteld waren en weder den strijd met den verraderlijken 
vijand konden aanbinden. 

Banzer werd bij keuze bevorderd tot eerste en de sergeant 
van Holij benoemd tot 2* Luitenant, terwijl aan allen door 
Z. M. den Koning het eereteeken werd geschonken, voor dat- 
gene wat zij zoo ruimschoots getoond hadden, voor Moed» 
Beleid en Trouw. 



Onverschrokken en vastberaden handeling 

van den Resident C. P. C. Steinmetz op Sumatra's Westkust — 1841 

Where is s will, there is s vsy. 

Zijn zij, die tot onze legermacht in Indië behooren, dikwijls 
aan groote gevaren blootgesteld en worden van hen somtijds 
groote offers gevraagd in ^t belang der kolonie, waar zij door 
Moed, Beleid en Trouw het gezag steunen en handhaven, niet 
minder is dit het geval met de besturende Civiele ambtenaren. 

Deze verblijven meestentijds geheel alleen te midden eener 
fanatieke, niet altijd geheel te vertrouwen bevolking en veel 
hangt dan af van himnen persoonlijken moed, hun doorzicht, 
menschenkennis en geestkracht, om in onvoorziene gevallen het 
gezag hoog te houden, eene taak waarin zij, hoe moeielijk en 
gevaarlijk die dikwijls ook is, zelden te kort schieten. 

Vele zelfopofferende en kranige, moedige daden van Civiele 
ambtenaren blijven voor 't groote publiek, ja zelfe de groote 
omvang en het eervolle der daad soms voor de eigen Chefe 
onbekend, wijl die ambtenaren te bescheiden zijn om zich zelf 
te bespreken en zich op hunne daden te beroemen, terwijl de 
ooggetuigen meestal ontbreken; daden worden verricht, waarbij 
helaas menig energiek en braaf ambtenaar de trouwe volvoering 
zijner plicht, in het onverzwakt doen gelden van 't gezag, door 
laaghartigen moord of oproer met zijn leven betaalde, al bracht 
het ook enkele door *t geluk bevoorrechten, tot roem en eer. 

Tot dezen laatsten behoort de Resident C. P. C. Steinmetz, 
die geen gevaar, hoe groot en dreigend ook, vreesde zoodra 't 
zijn plicht gold, en die in zijne hoogst gevaarlijke ondernemingen 
gespaard mocht blijven, tot heil onzer bezittingen. 

Reeds in den Ja va-oorlog werd Steinmetz, die toenmaals Lui* 



164 ONYE&SOHROKXSN XN YASTBEBADKN HANDELING 

tenant was, voor zijn moedig gedrag eervol vermeld en schonk 
de Koning hem in dienzelfden rang, voor zijne dappere daden 
tijdens den veldtocht op Sumatra, in 1834 het kruis der Militaire 
Willemsorde. 

In 1836 werd hij, doch nu als Kapitein bij den staf, voor 
zijn betoonden moed in den oorlog ter Sumatra's Westkust 
andermaal eervol vermeld en verwierf hij ook in dien rang in 
1838 het eereteeken van den Nederlandschen Leeuw. 

Gedurende zijn langdurig verblijf ter Sumatra's Westkust, kwam 
hij, vooral ook door zijne positie als Kapitein bij den staf , geheel 
op de hoogte van de taal, de zeden, gewoonten en gebruiken der 
Inlandsche bevolking , waarvan hij eene speciale studie maakte ; in 
't bijzonder legde hij zich toe om het karakter van de Inlanders dier 
gewesten te leeren kennen , die vrijer en zelfstandiger zijn dan de 
Javanen en vooral veel onafhankelijkheids gevoel bezitten, doch ook 
even als elk volk, dat zelf moed en eigenwaarde heeft, hoogen eer- 
bied betoonen voor moedige en onverschrokken mannen en voor 
deze eerder het hoofd buigen , dan voor vorstelijken of hoogen raog. 

Het Gouvernement greep dan ook met beide handen de gelegen* 
heid aan, om dien kundigen, dapperen en zelfstandigen officier 
in het korps Civiele bestuurs-ambtenaren te doen overgaan en 
in 184 1 vinden wij Steinmetz terug als Resident der Padangsche 
Bovenlanden, met standplaats te Fort te Koek. 

En 't was juist in die afdeeling dat een man als de Resident 
Steinmetz dringend noodig was, want men kon niet altijd over 
eene voldoende troepenmacht in het groote Gouvernement ter 
Sumatra's Westkust beschikken , om overal de onrustige districten 
in bedwang te houden , en deze Resident woog door zijnen moed , 
zijn beslist optreden en zijne imponeerende persoonlijkheid tegen 
eene troepenmacht op. 

Tot zijne Residentie behoorden de onrustige en fanatieke af- 
deelingen van Batipo en Agam , waar voortdurend verzet broeide 
en waar de dweepzuchtige, ons zoo vijandige secte der Padrie's 
grooten invloed had, zoodat nevens eene kleine troepenmacht 
eene Resident noodig was, dien de inlandsche bevolking niet 



VAN DEN BBSIDBNT O. P. O. STBINMETZ — 1841 165 

alleen hoogachtte, maar ook vreesde en die door een krachtig 
bestuur die broeinesten van opstand in bedwang hield. 

Den 24*° Februari 1841 was de Resident Steinmetz voor dienst- 
zaken te Priaman en had, ijverig als hij altijd was, dien morgen 
reeds zeer vroeg zijne werkzaamheden aangevangen, waartoe 
een tocht te paard in de omstreken behoorde, waarvan hij 
tegen elf uur terugkeerde. 

Bij zijne terugkomst wachtte hem een verpletterend bericht, 
dat hem des te meer trof, daar niets, zelfs geen enkel voor- 
teeken en geen enkele gebeurtenis , zoo iets had doen vermoeden. 

Er was namelijk plotseling in de afdeeling Batipo een bloedigen 
opstand uitgebroken, die zich eensklaps geuit had door de 
hoofdplaats Padang Pandjang te verbranden en te verwoesten, 
en onze versterking Goegoer Malintang in te nemen, terwijl er 
bij gevoegd werd, dat de geheele bezetting van dat fort en alle 
Europeanen over de kling gejaagd, of vermoord waren. 

Geen enkele omstandigheid , die de gewone voorboden zijn van 
een opstand, had achterdocht gewekt, en juist in 't geheimzinnige 
dier voorbereiding lag het grootste gevaar, want niets was er om 
licht te geven hoever de takken der samenspanning zich reeds 
verbreid hadden, en of ook niet 't woelzieke Agam zich daarbij 
zou aansluiten, waardoor dan het oproer eene zóó ernstige en 
zóó gevaarlijke uitgebreidheid zoude krijgen , dat ook andere , nu 
nog rustige afdeelingen, zouden volgen. 

Alleen des Residents tegenwoordigheid te Fort de Koek, de 
hoofdzetel der Agamsche afdeeling, was 't eenige dat wellicht die 
uitbreiding zou voorkomen , omdat hij dan zijn invloed krachtig kon 
doen gelden, doch misschien was 't ook daarvoor reeds te iaat en 
hadden ook daar de Padrie's , gebruik makende van de afwezigheid 
van Steinmetz, de bevolking reeds tot den opstand overgehaald. 

Als er nog iets te redden was, was alleen Steinmetz daartoe in 
staat, want het garnizoen was te zwak om met kracht te kunnen op- 
treden, en alleen hij was bij machte om de onruststokers vrees aan te 
jagen, de goedgezinden vertrouwen in te boezemen, dezen om zich 



166 OKVERSCHROKKEN KN YASTBEBADSN HANDELING 

te verzamelen, en daardoor den toestand te kunnen beheerschen. 

Maar juist door den opstand in Batipo was den Resident den 
terugkeer naar Fort de Koek zoo goed als geheel afgesneden. 

De eenige bruikbare weg liep namelijk langs Kajoe Tanam, 
aan den ingang der Anei-kloof gelegen, verder door die kloof van 
't onbegaanbare woeste gebergte en over *t verbrande en verwoeste 
Pandang Pandjang, dat zich nu in 't bezit der muitelingen bevond ; 
die tocht zou al te roekeloos geweest zijn, daar nu, nu de 
hartstochten ontketend waren en bloed gevloeid had, zelfs des 
Residents invloed niet meer gold en hij daardoor dus wel zijn 
leven kon geven, doch zeker geen nut kon stichten. 

't Eenigste wat hem overbleef, was een weinig gebruikt , hoogst 
moeielijk, ja zelfs bijna onbegaanbaar voetpad, dat door 't meest woeste 
bergland over de toppen van Lima Badakh voerde, langs de met ravij- 
nen en afgronden doorsneden westelijke helling van den Singalang. 

Dit weinig gebruikte voetpad, slecht of liever in 't geheel niet 
onderhouden, voerde wel door eene weinig bewoonde streek, 
buiten om de opgestane streken heen naar het doel , maar 't was 
onbekend hoe nu de houding van de bevolking dier streek zoude 
zijn en of ook zij zich niet reeds bij den opstand had aangesloten. 

Bovendien was dat pad slechts door enkele personen en wel hoofd- 
zakelijk door Inlanders te volgen , want het voerde door maagdelijke 
wouden, waar tijgers en ander verscheurend gedierte onbeperkt 
heerschten; telkens was het afgebroken door peillooze afgronden 
waarover slechts eene zwakke bamboebrug, of hoogstens alleen 
een enkele soms vermolmden boomstam voerde , of versperd door 
omgevallen woudreuzen, die door een storm geveld waren en door 
machtige rotsblokken, die van de duizelingwekkende hoogten 
waren losgeraakt en afgerold, alles in hunne woeste vaart ver- 
nielende en meeslepende, in 't kort een pad dat zelfs de Inlan- 
ders, echte bergbeklimmers als zij zijn, huiverden te volgen, en 
dan ook slechts in de uiterste noodzakelijkheid benutten. 

Maar Steinmetz aarzelde geen oogenblik I . . . . 

Hij zou dien weg volgen , des noods geheel alleen ! . . . . 

Geen redeneering der hem vergezellende trouwe Hoofden die 



VAN DBN BBSIDEMT O. P. G. STEINMBTZ — 184t 167 

hem op 't gevaar wijzen, dat h|j onderweg loopen zal en dat 
hij de vijand, die nu zeker ook het Agamsche in opstand had 
gebracht, ontwijfelbaar in den mond zou loopen, niets kon hem 
van zijn voornemen terug brengen, niets hem tegenhouden, om 
te doen wat hij zijn plicht achtte. 

Hoe grooter 't gevaar, hoe meer hij op zijn post noodig was^ 
om te redden wat nog gered kon worden, 't Gevaar vreesde hij 
niet, dat had hij reeds vroeger getoond, en hij gaf er de voorkeur 
aan om te vallen bij de volvoering van zijne plicht, dan 't leven 
te behouden en daarin te kort te schieten, en dat juist nu, nu 
alles zoo goed als aan een zijden draad hing. 

Slechts door spoedig en energiek handelen was wellicht den 
toestand te beheerschen , en daarom bepaalde hij ook , dat hij tegen 
één uur te paard zou stijgen om te vertrekken, want hij had voor dien 
tijd nog maatregelen te treffen , om te voorkomen dat de opstan- 
delingen ook aan deze zijde van het gebergte veld zouden winnen. 

Hij geeft de noodige bevelen om terstond den post te Kajoe 
Tanam, aan den ingang der Anei-kloof, te versterken en in meer 
verdedigbaren toestand te brengen, zoodat de weg voor de 
opstandelingen was afgesloten, schrijft de noodige maatregelen 
voor, als de vijand toch mocht willen doordringen, en drukt de 
Hoofden te Priaman en omstreken wel op 't hart, om aan de 
regeering trouw te blijven. 

Daarna stelt hij een kort rapport op, verzendt dit per ijlbode 
aan den Gouverneur te Padang, en stijgt om één uur, zooals 
bepaald was, te paard om zijn gevaarlijken en avontuurlijken 
tocht aan te vangen, slechts vergezeld van de Larashoofden der 
V en XII Kotta's, die van Naras, den Datoe van Pibolang en 
den hem dikwerf vergezellenden priester van beproefde trouw, 
Fakkier di Auer uit Korei in Agam. 

De Resident zelf was slechts met eene karwats gewapend, 
maar zijn uiterst kalm en beslist voorkomen drukte zoozeer 't 
onwrikbare voornemen uit om te slagen , en men was zoo gewoon 
om te ondervinden dat voor Steinmetz niets onmogelijk was , dat 
zelfis de meest twijfelachtigen met nieuwen moed werden bezield 



168 OKYBRSCHBOKKEN XN YASTBEBADBN HANDEUNe 

en de overtuiging deelachtig werden, dat die kranige, moedige 
Hollander slagen moest, die zóó trouw aan zijn plicht was, dat 
hij zelfs het grootste en bijna zekere gevaar niet schuwde , en 
met diepen eerbied zagen zij den dapperen, ridderlijken held 
vertrekken, hem hunne zegenbeden voor zijn heil nazendende 
en zich voornemende , sterk door zijn voorbeeld, ook hun plicht 
tot 't uiterste te doen. 

Van den goeden toestand van den weg, die in den beginne 
gevolgd werd, maakte Steinmetz gebruik om zoo spoedig vooruit 
te komen, zonder de paarden echter te veel af te matten, daar 
zij op 't moeielijkste deel van den tocht nog onontbeerlijk zouden 
zijn, en het bereiken van het gestelde doel hoofdzakelijk van 
hunne kracht tot volhouden afhing. 

Overal waar 't noodig is laat hij de hem vergezellende ge- 
trouwe Laras-hoofden in hunne districten waar hij doortrekt 
achter, om met de meeste zorg te waken tegen den invloed 
uit de opgestane gewesten en den mogelijk verderen afval der 
bevolking te voorkomen. 

Na een moeielijken en afinattenden rit van 5 uur in voort- 
durende spanning, bereikt de Resident tegen het vallen van de 
duisternis het woeste gebergte tusschen Oeloe-Banda en Malala, 
waar de ravijnen en de vervaarlijke rotsblokken van den Singalang 
het pad hoogst moeielijk en gevaarlijk maken, zoodat Steinmetz 
hoe verlangend ook om vooruit te komen, zijn ongeduld moet 
bedwingen en slechts zeer langzaam , stap voor stap vorderen kan, 
nog alleen gevolgd door den trouwen priester en een paar 
mindere volgelingen van deze. 

Hier in deze eenzame woeste omgeving ontmoet hij de eerste 
persoon, die, uit de richting komende waar de Resident zich 
heen begeeft, als ooggetuige eenige inlichtingen kan geven. Het 
is een Maleijer uit Ampat-angkat in Agam. 

Deze deelt mede , dat ook in Agam de opstand reeds is uitge- 
broken, dat te Fort de Koek alle huizen van de Europeanen en 
ook het Residentie-huis verbrand en verwoest zijn, dat het fort 



VAK DEN BBSIDBNT C. P. O. STBIMMBTZ — 1841 169 

aan alle zijden wordt aangevallen, doch dat de bezetting nog 
stand houdt en dat alle Europeanen hunne toevlucht in die 
versterking hebben gezocht. 

Het gevaar is dus dreigend en de kans van slagen zeer gering, 
ten minste als het verhaal waarheid bevat, en de Maleijer even 
als alle Inlanders niet overdreef en phantaseerde om een interes- 
sant bericht te geven; in elk geval echter moest er in dat bericht 
een fond van waarheid liggen en de toestand hachelijk zijn. 

Hoe grooter 't gevaar is, hoe haastiger de Resident vooruit 
wil, want zijn plicht roept hem. 

Weldra zijn de paarden uitgeput en bezwijken. 

Maar de moedige standvastige Steinmetz geeft zijn taak niet 
op. De paarden worden aan 't wilde gedierte ten prooi gelaten 
en den tocht te voet voortgezet. 

Doch welk een tocht ! . . . . 

In bijna tastbare duisternis in het verschrikkelijke woeste woud 
met zijne geheimzinnige geluiden en 't gebrul der eene prooi 
zoekende en die elkaar betwistende roofdieren, nu struikelende over 
boomwortels, dan klauterende over omgevallen woudreuzen of 
kolossale rotsblokken die het pad versperren, nu en dan langs 
hellingen in ravijnen glijdende en ijskoude bergstroomen tot aan 
de borst doorwadende, en telkens 't spoor bijster, want 't voet- 
pad is bijna niet meer te onderscheiden. 

Zoo dwaalt en worstelt hij voort, sterk door zijn plicht, en 
voort gaat hij, niets te zwaar of te moeielijk tellende, alle hin- 
derpalen overwinnende. 

Om 7^ uur, in 't duister als op de tast voortstrompelende , 
ontmoet hij een tweeden Maleijer uit Oelakan, wiens berichten 
nog ongunstiger zijn dan die* van zijn voorganger. 

Volgens hem was de versterking te Fort de Koek reeds veroverd 
en allen, die er eene toevlucht zochten, waren met de bezetting 
vermoord. Bij Kota-Gedang, op den weg dien de Resident 
verder moest volgen lagen, volgens hem, de lijken van vier 
vermoorde Europeanen, die op ontzettende wijze verminkt waren. 

Men bad en smeekte den Resident om terug te gaan en 



170 ONYIEBSOHBOKKKN KN VASTBKRAOEM HANDBUNe 

van den nu verder toch vergeeischen tocht af te zien, want hij 
zou alleen zijn leven zeker in groot gevaar stellen, zonder 
eenig nut te stichten; de opstand van Agam was een feit en 
zelfs hij zou dat niet ongedaan kunnen maken ; 't eenigste wat hij 
verkrijgen kon, was wellicht een vreeselijken en pijnlijken dood. 

Maar Steinmetz weigerde aan die stemmen en raadgevingen 
gehoor te geven. Hoe meer men sprak van gevaar, hoe meer 
hij besloot door te zetten, want zijn plicht riep hem daar waar 
't gevaar 't grootst en wellicht redding mogelijk was. Fort de 
Koek was de zetel van zijn bestuur, Fort de Koek was in 
'svijands handen, welnu hij ging naar zijne standplaats, want daar 
behoorde hij, en vastberaden klonk zijn bevel €€Ma(^o€ /•• *) 

£n voort ging het, zoo goed als de duisternis en het steile 
onbegaanbare pad met zijne tallooze hindernissen dat toeliet. 

Men nadert eindelijk na veel moeite eene eenzame kampong, 
doch weet niets omtrent de gezindheid der bevolking en of de 
opstand ook reeds hier is doorgedrongen. 

Ongemerkt door de kampong sluipen wilde de Resident niet, 
daartoe was hij te hooghartig en te moedig, en een omweg maken , 
om de kampong te vermijden , was vooreerst in de duisternis en 
de wildernis onmogelijk en bovendien zou dit een teeken zijn 
dat hij vrees koesterde, hij, de Resident Steinmetz!.... 

Hij wil zekerheid ! . . . . 

Daarom gaat hij onverschrokken de kampong binnen en laat 
al de bewoners, die reeds ter ruste waren wekken, maakt zich bij 
't licht der flambouwen bekend als de Resident, en eischt van 
de Hoofden, dat zij hem terstond met de noodige mannen met 
brandende flambouwen vergezellen, om zijn pad te verlichten. 

Of de gevoelens van de kampongbewoners bepaald vijandig 
zijn, blijkt niet, want allen, verbaasd en geïmponeerd door zooveel 
stoutheid, wilskracht en tegenwoordigheid van geest, gehoorzamen 
terstond, en weldra trekt een indrukwekkenden stoet door 't statige, 
donkere en sombere woud, waarvan 't bladeren dak en de 



*) Voorwaarts! 



VAK DBN BBSIDBNT C. P C. 8TEINMBTZ — 1841 171 

reuzenstammen der boomen rood gekleurd wordt door den 
weerschijn der brandende fakkels, wier twijfelachtig licht de scha- 
duwen tot spookachtige verschijningen maakt, en wier rook oi 
doordringende lucht aan een nabijzijnden woudbrand doen denken. 
Alleen 't gebrul der roofdieren en het zenuwachtige beangste 
gillen der Inlanders verbreekt de sombere stilte en weergalmt 
door het zich buiten den grens van 't fakkellicht in 't duister 
verliezende maagdelijke bosch. 

Voorop de zwijgende, maar beslist en onverpoosd voortgaande 
Resident, nadenkende over den toestand, hij, de eenige Europeaan 
te midden dier donkergekleurde, halfnaakte, angstig gillende en 
met de flambouwen zwaaiende inlanders, die, hoe gehoorzaam 
ook voor 't oogenblik, door hun verradelijken aard toch weinig te 
vertrouwen zijn , hij alléén hen allen geheel beheerschende , door 
^t prestige van zijn rang, die door zijne indrukwekkende persoon- 
lijkheid, zijne bijzondere kalmte, ongeövenaarden moed en fiere 
doodsverachting eene hoogere wijding ontvangt, en daardoor een 
overweldigenden indruk maakt 

Doch ook de geheimzinnige omgeving laat meer en meer haren 
invloed gelden op de bijgeloovige , voor woudgeesten zoo be- 
vreesde dorpsbewoners, die, van de afgetrokkenheid des Residents 
profiteerende, een goed heen komen zoeken en naar himne 
kampong terugkeeren, zoodra hunne fakkel uitgebrand is en de 
duisternis het onmogelijk maakt, om hunne vlucht tusschen de 
dicht bijeengroeiende stammen waar te nemen. 

Weldra is de Resident met den trouwen priester weder geheel 
alleen te midden der nu zoo mogelijk nog meer toegenomen duis- 
ternis, want ook de volgelingen van den priester hebben, endoor ver- 
moeidheid, èn door vrees gedreven, eveneens het hazenpad gekozen. 

De positie van den Resident is nu gevaarlijker dan ooit, niet 
zoozeer wegens de duisternis en hetmoeielijke vanhetpad, maar 
omdat het nu aan zoovelen bekend is , dat hij zoo goed als alleen 
dat eenzame pad volgt en niets gemakkelijker is, dan om in dat 
verlaten woud uit den een of anderen schuilhoek een moord te 
plegen, waarvan de sporen spoedig door 't verscheurende gedierte 



172 ONVXBSOHBOKKEN BN VASTBERADEN HANDELING 

ZOU zijn uitgewischt, die ook tevens den moord voor hunne rekening 
zouden krijgen; tot zoo'n misdaad bezaten de Inlanders moed 
genoeg, als zij hun slachtofifer van achteren konden treffen, en 
diens moedigen, doorborenden blik hen geene vrees aanjoeg. 

Maar Steinmetz zwoegt en strompelt voort aan geen gevaar 
of hinderpaal denkende , slechts zijn plicht en zijn doel voor oogen. 

Vrees en vermoeienis kent hij niet! .... 

Voorwaarts gaat *t! Steeds voorwaarts het gevaar en het doel 
te gemoet ! . . . . 

Eindelijk bereikt hij Melala, waar hij in de nabijheid drie 
Inlanders aantreft, die, als vertrouwde ijlboden met brieven uit- 
gezonden, ook dat eenzame pad volgden, om niet in de handen 
der opstandelingen te vallen. 

Twee dier brieven zijn voor hem, den Resident, bestemd. 

Een van den waarnemend Assistent Resident van Agam, de 
Kapitein A. H. Helbach , met het bericht , dat ook de bevolking 
van Agam roerig werd en niet meer geheel te vertrouwen was ; dat 
alle Europeesche woningen en dus ook 't Residentiehuis te Fort 
de Koek verwoest en in asch gelegd waren door de in de 
Afdeeling doorgedrongen oproerlingen uit Batipo, die de bevol- 
king ophitsten, en dat hij met alle Europeanen de wijk had 
genomen binnen de versterking. 

De tweede brief was van het onwrikbaar getrouwe Laras-hoofd 
van Kotta Gedang, die hem 't zelfde meldde en het ten zeerste 
betreurde dat de Resident in dit moeielijke en gevaarlijke tijd- 
perk afwezig was, want dat de bevolking van Agam , gedeeltelijk 
uit sympathie, gedeeltelijk uit vrees, gemeene zaak dreigde te 
maken met de opstandelingen uit Batipo en niemand zoo goed als 
de Resident in staat was om den toestand te beheerschen en den 
storm te bezweren. De berichtgever noemde den toestand ten 
hoogste kritiek en drong op zeer spoedige hulp aan, hopende 
dat de Resident met die troepen zoude medekomen ^ omdat ^t hem 
anders onmogelijk was de goedgezinden te steunen , en de kwaad- 
willigen in toom te houden. 

De derde brief was van den Luitenant Kolonel F. E. Neuhaus, 



VAK DBN BBSIDENT 0. P. C. 8TEIN1CBTZ — 1841 173 

Militairen Kommandant te Fort de Koek, aan den Militairen 
Gouverneur Michiels te Padang. Steinmetz openden dien echter ook, 
ten einde in 't belang der zaak volkomen elks gevoelen te kennen. 

Deze brief meldde hetzelfde als de beide vorigen en sprak 
't vertrouwen uit, dat de schrijver met de beschikbare troepen- 
macht, de opstandelingen in toom zou kunnen houden, tot er 
krachtige hulp opdaagde. 

Met potlood noteerde Steinmetz op dien brief, dat hij die 
eigendunkelijk had geopend, vermeldde kort waar hij zich bevond 
en wat zijn voornemen was , en hoe hij , op de berichten afgaande , 
over den toestand oordeelde, waarna hij de drie brieven te 
samen bond en de boden hun weg liet vervolgen, hen wel op 
't hart drukkende, om zoo spoedig mogelijk aan de zending te 
voldoen, waartoe hij hen een in 't Maleisch geschreven brie^e 
medegaf, den last inhoudende, om den houder daarvan van ver- 
snelde transportmiddelen te voorzien, zoodra dit maar mogelijk was. 

Ter nauwemood waren die boden op weg, of ook Steinmetz 
vervolgde den zijnen, geen vermoeienis en inspanning tellende, 
want nu was hem de toestand duidelijk en het schrijven van het 
Laras-hoofd bewees hem, hoe dringend noodig zijn tegenwoor- 
digheid ter Hoofplaats was. 

Om 4{ uur des morgens bereikte de Resident een wachthuis 
in een koffijtuin, behoorende tot Kota Gedang, dus staande 
onder de bevelen van het getrouwde Laras-hoofd, doch de ge- 
zindheid van de bevolking kon hemelsbreed verschillen met de 
gevoelens van hun Hoofd. 

Onbevreesd treedt Steinmetz het wachthuis binnen, want hoe- 
veel wilskracht hij ook bezat , de natuur deed eindelijk hare rechten 
gelden, en het lichaam eischte een oogenblik rust, want hij was 
nu bijna 24 uur zonder rusten op de been, waarvan reeds 15I 
uur te paard of te voet in beweging , en daaronder 1 1 uur aan-* 
houdend klauteren en worstelen om deterreinhindemissen, soms 
in volslagen duisternis, te overwinnen, steeds gedreven door den 
wensch om zijn doel te bereiken, doch altijd in spanning of dit 
nog wel tijdig zoude zijn. 



174 ONYEBSOHBOKKXN SN VASTBnUDSN HAin>BLING 

Een oogenblik rust was noocüg, om niet aDe kans door eene 
volslagen uitputting te verliezen. 

Het hoofd der wachthebbende Maleijers toont eene buitengewone 
bevreemding en angst, door zoo in eens de gevreesde Resident , 
die hij zoover weg waant, plotseling en zelfs onverzeld voor zich te 
zien. Hij geeft op des Residents haastige en besliste vragen 
verwarde en weifelende antwoorden, terwijl zijne houding vrees 
en schuldgevoel verraadt, zoodat Steinmetz achterdocht koestert. 

Op een blaadje uit zijn zakboek schrijft hij een brieQe aan 
't getrouwe Laras-hoofd, houdende ^t verzoek om hem met een 
paard te gemoet te komen, en belast een der wachthebbenden 
met de overbrenging; daarna stelt hij 't wachthebbende Hoofd 
op strengen toon verantwoordelijk voor zijne veiligheid en onbe- 
vreesd, alsof hij te midden eener goedgezinde bevolking was, 
strekt hij zich op den harden grond uit en slaapt in, als dreigde 
hem geen gevaar, bewaakt door den trouwen priester, die meer 
aan dergelijke tochten gewoon, geen oog look om voor 't heil 
van den beminden meester te zorgen. 

Hoe vermoeid de Resident ook is en hoe gerust hij ook 
inslaapt, toch blijft zijn geest werkzaam, want nauwelijks is de 
zon ter kimme verrezen en verlichten de eerste stralen het verder te 
volgen pad , of de Resident is reeds weder overeind om zijn weg 
te vervolgen; de tijd dringt en zijn ijver laat hem geen rust. 

Om 6^ uur nadert hij den kampong Kota Toewah , waar zich 
reeds 't gerucht zijner komst verbreid had, want zoodra hij in 
't gezicht kwam, naderden eenige Inlanders, aangevoerd door 
een Hoofd, met groot misbaar ontblootte zwaarden zwaaiende. 

Of daarin gevaar schuilde wist Steinmetz niet, maar trouwens 
dat gevaar liet hem koud, want dat had hij reeds zoo dikwijls 
van nabij onder de oogen gezien, en daarom ging hij kalm 
op den schreeuwenden troep af, zich zelf volkomen meester. 

Het bleek de Djaksa van Fort de Koek met eenige volge- 
lingen te zijn, die hem te gemoet kwamen uit Kota Toewah» 
waar de laatste zich tijdelijk bij een zijner vrouwen bevond. 

De Djaksa stelde Steinmetz voor in zijne woning een oogen- 



VAN DBN RESIDENT C. P. O. STEINMXTZ — 1841 175 

blik te rusten en ten minste eenige ververschingen te gebruiken. 

De verlegen en weifelende houding van den Djaksa kwam hem 
verdacht voor, zooals later bleek niet geheel ten onrechte, en 
daarom sloeg hij dat voorstel af, bewerende geen rust noodig 
te hebben, zelfs een geleide weigerende en verbiedende, ten einde 
zijn tocht niet in gevaar te brengen, als reden opgevende, dat 
alle mannen noodig waren, om in de kampong te waken tegen 
mogelijk onheU. 

Steeds gevolgd door den hem zoo oprecht toegedanen priester 
bereikte hij Kota Gedang, waar ook dezen trouwen dienaar de 
krachten begaven , zoodat de Resident nu geheel alleen stond voor 
de volvoering van zijn waagstuk , want verwonderd dat het getrouwe 
Laras-hoofd hem niet met een paard te gemoetkwam, zooals hij 
gevraagd had, vernam hij bij onderzoek dat dit hoofd afwezig 
was, en zich naar Fort de Koek had begeven, zoodat 't hoogst 
waarschijnlijk was , dat deze het schrijven nog niet had ontvangen. 

Zijn krachtigen wil, geestkracht en plichtsgevoel houden hem 
staande , hoe afgemat hij ook is en hoe donker de toestand zich 
ook laat aanzien. 

De bevolking van Kota Gedang bleek erg onrustig te zijn en in op- 
gewonden stemming te verkeeren. Een minder goed teeken, waaruit 
de slechte gezindheid der bevolking bleek, was , dat zich geen enkele 
vrouw of kind vertoonde , doch dat de geheele mannelijke bevol- 
king op den passar (markt) gewapend te samen liep, zoodra 't 
bericht van den komst van den Resident zich verbreid had, en 
onder die rumoerige menigte vertoonden zich tal van heftig 
gesticuleerende fanatieke priesters, kenbaar aan hunne witte 
hoofddoeken. 

£én enkel blijk van vrees of onmacht, één enkel oogenblik 
van weifeling, gemis aan moed of zelfvertrouwen zou gevaarlijk 
kunnen worden en dadelijk een vreeselijken opstand doen uit- 
breken, beginnende met een afschuwelijken wreeden moord op 
den Resident 

Daar een langer verblijf in Kota Gedang in alle opzichten 
niet geraden was, omdat in zulke tijden van spanning 't geringste 



176 ONYSBSOHBOKKEN SN YASTBKBADEN HAMDELINe 

voorval, de minste brutaliteit een grooten invloed op de opge- 
wonden menigte kan uitoefenen, vervolgde Steinmetz terstond 
zijn weg, hoe vermoeid hij ook was en hoe gaarne hij even gerust, 
even eene kleine lafenis gebruikt had. 

Vooruit! .... Steeds vooruit naar 't doel I . . . . 

Uiterlijk kalm, volkomen waardig, zonder eenig teeken van 
aünatting of vrees, als vermoedde hij niets van 't geen er broedde 
en als bevond hij zich te midden van getrouwe en gehoorzame 
onderdanen, doch op alles voorbereid, ging hij naar den passar, 
waarover zijn weg voerde, schreed met opgeheven hoofde, de 
omstanders gebiedend aanziende, door de zwijgende doch onrus- 
tige menigte heen, die als van zelf uitweek en den weg vrijliet, 
terwijl de dichtstbijzijnden, door die houding geïmponeerd niet 
nalieten den gewonen nederigen beleefdheidsgroet te brengen, 
al ging 't ook blijkbaar niet van harte. 

Toen de Resident die somber zwijgende menigte voorbij was, 
waarvan de meer achteraf staande priesters woedende en onbe- 
schaamde blikken op het hoofd van 't gewest wierpen, wat deze 
wel zag doch niet wilde zien, werd eensklaps dat dreigende 
zwijgen verbroken en rees een luid hoewel onduidelijk gegons 
van stemmen op , waaronder eenige luid uitgeroepen dreigwoorden 
half en half tot hem doordrongen, maar Steinmetz vervolgde 
kalm met vasten tred zijn weg, zonder dien een oogenblik te 
verhaasten, of eene enkele maal om te zien, zich zelve volkomen 
meester. 

In het ravijn , dat hij in de nabijheid van Fort de Koek moest 
doortrekken, ontmoette hij het getrouwe Laras-hoofd van Kota 
Gedang, die op den terugweg was naar die kampong, om 't 
gezag der regeering te doen gelden, nadat hem dit te Fort de 
Koek zoo goed als geheel mislukt was. Een oogenblik vertrouwde hij 
zijne oogen niet en stond hij sprakeloos van verbazing over het 
ongehoorde waagstuk en de spoed waarmede de Resident dat 
volbracht had, daarna was hij uitbundig in zijne vreugde, omdat 
die ongehoord moedige en kranige daad den geheelen toestand 
beter en spoediger zoude redden, dan eene groote troepenmacht. 



VAN DBN RRSIDJSKt 0. P. 0. 8TKINMBTZ — 1841 177 

Welgemoed steeg hij van zijn vurig paard en bood het den 
Resident aan, terwijl hij hem den toestand ter hoofdplaats in 
sombere kleuren schetste en mededeelde hoe weinig zijn invloed 
en die van den Assistent Resident had uitgewerkt, zoodat eik 
oogenblik volslagen opstand en een aanval op het fort kon worden 
verwacht 

Hoe gevaarlijk het voor den Resident ook was, om zich te 
midden van die verzameling onruststokers te begeven, begreep 
hij , èn dat des Residents onverwachte verschijning een overwel- 
digenden indruk ten goede zou maken, èn dat zijne vertoogen 
hem toch niet zouden helpen , daar niets het kordate bestuurshoofd 
van de gewaagde onderneming, die deze zich voorgenomen had , 
zoude terughouden , zoodat hij verder zweeg , het paard van een 
zijner volgelingen besteeg, en den reeds in versnelden gang 
voortgaanden Chef vol hoop volgde. 

Zoodra Steinmetz te paard zat , voelde hij zich weder meester 
van den toestand en geen tijd verloren willende laten gaan, 
spaarde hij zijn vurig rijdier evenmin als hij zich zelven gespaard 
had, zoodat het gevolg, dat niet zulke uitmuntende dieren 
bereed, hen slechts met groote moeite konde bijhouden. 

Om IC uur des morgens, dus bijna 24 uur nadat hij het 
onheil vernam, bereikte Steinmetz het geheel verwoeste plateau 
zijner residentie-hoofdplaats, waar vroeger de fraaie goed gebouwde 
Europeesche woningen stonden, doch nu slechts eenige nog 
rookende puinhoopen de plaats aanwezen waar zij eenmaal 
stonden; in de verte verhief zich de versterking waarin allen 
«ene toevlucht gevonden hadden , en waarvan de bruggen opge- 
haald waren, doch uit welker schietgaten zich de dreigende 
monding der vuurmonden vertoonde, terwijl hoog boven alles de 
Heilige Driekleur vroolijk in den koelen morgenwind wapperde. 

Zonder zich op te houden, zendt hij een bode naar het fort 
om zijne aankomst te melden en den Assistent Resident te ont- 
bieden, en rijdt over de verwoeste overblijfselen zijner eigene 
woning recht op de passar aan, waar 2 k 3000 Maleijers in 

opgewonden stemming vereenigd waren, dringt te paard onver- 

1^ 



178 ONYBBSCHBOKKSN EN VASTBEBADBN HAin>BLINe KN2« 

schrokken tusschen die dreigende menigte door en spreekt hen vast- 
beraden toe, enkele hoofdpersonen bij hunnen naam noemende. 

Die plotselinge verschijning van den Resident, die men nog te 
Priaman waande en zijne moedige, kordate houding vol zelfver- 
trouwen maakte den diepsten indruk. Zij die nog weifelden werden 
terstond bekeerd en zij die reeds tot den opstand besloten waren 
begonnen te weifelen, want niemand begreep hoe die rustige, 
schijnbaar onvermoeide Resident in zoo korten tijd door de streken 
die men in volmaakten opstand wist in hun midden verscheen; 
enkele der voornaamste raddraaiers, van elders gekomen, oor- 
deelden de omstandigheden minder gunstig, en maakten zich 
heimelijk uit de voeten, want zij begrepen dat, als de Resident 
alleen reeds zoo spoedig hier was , eene sterke macht hem zeker 
even spoedig zou volgen. 

Door zijne onverschrokken en vastberaden handeling , verricht 
onder een hoog gevoel van eer en plicht, zijne flinke houding 
en zijn energiek optreden voorkwam hij niet alleen den opstand 
in Agam, maar wist zelfs de bevolking over te halen, aan onze 
krijgsmacht de noodige hulp teverleenen, om den reeds in Batipo 
uitgebroken opstand te dempen. 

De nadeelige gevolgen waren onberekenbaar geweest, als het 
schoone, rijke en dichtbevolkte Agam zich bij den opstand had 
aangesloten, een onheil dat door de onverschrokken daad van 
één man werd voorkomen. 

Z. M. de Koning erkende die groote verdiensten en schonk 
den held het Ridderkruis 3® klasse der Militaire Willemsorde. 



De beroemde omtrekking van DJagaraga (Bali) 
door het 7de Bataljon Infanterie — 1849 

L'avantage des résolations extrêmes, c'est d'etie décisives. 

Dx Wbiss. 

In den oorlog komen zoo'n groot aantal bijomstandigheden 
voor, die op de beslissing eener operatie invloed uitoefenen, dat, 
hoe goed een plan ook beraamd mocht zijn, toch nog altijd 
geluk noodig is om den uitslag naar wensch te verkrijgen; 
zoo'n plan zal meestentijds gaandeweg door allerlei bijkomende 
oorzaken, die niet te voorzien waren, gewijzigd moeten worden 
en dan dient de aanvoerder, nevens groot beleid en doorzicht, 
het geluk te hebben, om op het geschikste oogenblik de juiste 
en de meest doeltreffende bevelen te hebben gegeven. 

Een groote factor bij alle handelingen in den oorlog is het 
moreel der troepen en het vertrouwen dat zij in het beleid van 
den aanvoerder stellen, van wiens doorzicht en kalmte dikwerf het 
leven van de duizenden afhangt, die, blindelings gehoorzamende, 
geen gevaar te groot achten, omdat zij weten, dat, al begrijpen 
zij ook niet waarom de beweging geschiedt, de bevelhebber, die 
alle draden in handen houdt, alle kleine deelen tot het ééne 
groote doel doet samenwerken. 

Onder de krijgsverrichtingen van het Indische Leger zijn er 
weinige die vergeleken kunnen worden met de beroemde om- 
trekking van DJagaraga (3® Balische expeditie) door de kolonne 
van het 7® Bataljon Infanterie, niet zoo zeer wat het doorzicht, 
het beleid en de geestkracht van den aanvoerder betreft, of wel 
de groote onverschrokkenheid , de volmaakte discipline en het voUe 
vertrouwen van den troep in de hoogste leiding gedurende de 
moeielijkste oogenblikken , eene leiding die hen uit eene hoogst kri- 
tieke en gevaarlijke positie tot eene schitterende overwinning voerde, 



180 DB BXBOEMDB OMTRSKKIMG YAN DJAGAR^OA (bau) 

maar vooral omdat bij dien tocht het geluk eene groote rol 
speelde, zoodat de dappere troepen door hmme toevallige , doch 
krachtig doorgezette beweging, onverwacht het meest kwetsbare 
pimt van 'svijands positie bereikten, en daardoor het moreel van 
den tegenstander zoodanig schoktoi, dat hij eene uitgebreide 
en werkelijk uitstekende stelling prijs gaf. 

Wel behaalden onze dapperen door dit gelukkig toeval de over- 
winning, die anders wellicht nog een uiterst bloedigen strijd en 
tal van offers gekost zoude hebben, doch vooral was die te danken 
aan de groote zelfstandigheid en het zelfvertrouwen van den aan- 
voerder, die het geluk de hand reikte, toen dit hem de gelegenheid 
tot succes aanbood; hij mocht dan ook met gerustheid iets wagen, 
want hij wist welke onverschrokken troep hem gehoorzaamde. 

Eene eenvoudig bedoelde verkenning met eene betrekkelijk 
kleine macht, veranderde door den drang der omstandigheden 
en het initiatief van den aanvoerder in eene krachtig doorgezette , 
z^evierende omtrekking van 'svijands geduchte positie, die, als 
de Balineezen slechts een kort oogenblik vroeger de benarde 
toestand der kolonne gekend hadden , in eene volkomen nedeilaag 
veranderd zoude geworden zijn, want dan was het den lo maal 
overmachtigen vijand gemakkelijk gevallen, die, in een smal 
ravijn met steile en rotsachtige wanden samengedrongen kolonne, 
te verpletteren en te vernietigen. 

£ere zij den leider, den Luitenant Kolonel C. A. deBraauw, 
£ere den aanvoerders van het 7® Bataljon Infanterie, de Luitenant 
Kolonel B. J. H. Le Bron de Vexela en de Majoor J. M. 
Hemmes, Eere aan allen die dat heldenfeit, dat meesterstuk van 
krijgskunst, dat toonbeeld van moed en geestkracht hielpen vol- 
brengen, en door hunne dapperheid en volharding een ongekend 
en onverwacht succes behaalden, waarvan voor altijd het Juweel 
der Militaire Willemsorde aan het Vaandel van het dappere 7® 
Bataljon getuigt, een kruis dat aan het heilige Oranje-symbool nog 
eene hoogere wijding geeft en spreekt van den moed , het beleid , en 
de trouw van hen die tot dat kranige korps behoorden en dat kost- 
baar Palladium ^ als een gedenkteeken hunner roemrijke daden» 



BBRSTB BALISCHB EXPEDITIB — 1846 181 

vol vertrouwen aan de jongeren nalieten, die het voorzeker 
altijd in hooge eere zullen houden en daarin voortdurend eene 
aansporing zullen vinden tot navolging hunner voorgangers. 

Het schijnt niet ondienstig, alsvorens dit merkwaardige en 
roemrijke wapenfeit in 't kort te omschrijven, even de verschil- 
lende Balische expeditien in beknopte trekken aan te geven. 

Eerste expeditie (1846) 

De Vorst van Bleling, op Bali, had Neêrland's driekleur belee- 
digd en weigerde daarvoor voldoening te geven, krachtig als hij 
zich gevoelde door den steun van den Vorst van Karang- Assem. 

Dit gaf aanleiding tot de Eerste Balische expeditie onder het 
opperbevel over de gezamenlijke Land- en Zeemacht van den 
Schout bij nacht £. D. van den Bosch, terwijl de Luitenant 
Kolonel G. Bakker het bevel over de Landmacht in het bijzonder 
voerde. 

Deze expeditie eindigde met een volkomen succes, nadat de 
hoofdstelling des vijands te Bleling, den 21®» Juni 1846, door 
de onzen genomen was. 

Onder hen die zich daarbij bij uitstek onderscheidden, ver- 
dienen in 't bijzonder vermelding: 

Van de Landmacht: 

de Majoors C. A. de Braauw en L. A. Boers, 

de Kapiteins C. P. Schimpf , J. B. Baron van Aerssen Beyeren 
van Voshol, J. F. Loman en F. V. Hautbourgh, welke laatste 
gewond werd, 

de Luitenants D. J. Uhlenbeck, W. F. K. Bischoflf van Heems- 
kerck, E. C. F. Happé, C. A. F. W. Wollweber en L. F. van 
Hoogenhuizen, welke laatste roem vol sneuvelde, 

de sergeant-majoor M. Wandeler Bonga en 

de flankeur L. Stevens. 

Van de Zeemacht: 

de Kapitein ter Zee (Kolonel) J. Enslie, 



182 DB BBBOKMDB OlfTBBKKIMe YAN DJAeAB^eA (bALi) 

de Kapitein Luitenant ter Zee (Overste) A. J. Smit van den Broeke , 

de Luitenants ter Zee i® klasse G. Fabius en F. Sluijter, en 

de matroos T. S. de Haan. 

In de rapporten wordt nog zeer in het bijzonder melding 
gemaakt van de artillerie der expeditie, onder de bevelen van 
den kundigen E^pitein der Artillerie W. K. H. Feuilletau de 
Bruijn. 

's Vijands werken werden door hem zelf geslecht. 

Groot was de oorlogsbuit die onze troepen in handen viel, 
want behalve een grooten voorraad draagbare wapens en krijgs- 
voorraady werden zestig kanonen van verschillend kaliber en 
twee bij de Balineezen hoog in eer staande vaandels veroverd. 

Tweede expeditie (1846) 

Li het jaar 1848 was eene tweede expeditie naar het rumoerige 
en weerspannige Bali noodig, omdat de onderworpen Vorsten 
zich niet alleen niet aan de bedongen voorwaarden hielden, maar 
voortdurend zeeroof bleven plegen en Neêrland's vlag beleedigden , 
sterk als zij zich gevoelden, nu de Vorsten van Bleling, Karang- 
Assem en Klonkong met andere kleinere potentaten gemeene zaak 
maakten, en eene geduchte macht van dappere strijdbare Balineezen 
in het veld konden brengen. 

Gedurende de twee jaren die verloopen waren na de nederlaag 
der eerste expeditie, hadden de Balineesche aanvoerders niet 
stil gezeten en tal van versterkingen opgeworpen, onder anderen 
de geduchte positie bij kampong Djagaraga, die gevormd werd 
door eene uitgebreide stelling van elkaar onderling meesterlijk 
steunende forten en kleinere werken, die niet alleen door 
de natuur, maar ook door kunstmatig aangebrachte talrijke 
chicafie-middden zoo goed als stormvrij konden beschouwd 
worden. 

Het vertrouwen der Balineezen in deze geduchte stelling, die 
zij onneembaar achtten, was dan ook zeer groot en dat zij 



TWBBDB BALISOHB EXPSDITIK — 1848 18B 

daarin niet zoo geheel ongelijk hadden, bewees de bloedige 
nederlaag die wij bij den aanval op die reeks van versterkingen 
leden, waarvan een terugkeer der expeditie naar Java het gevolg 
was, daar de macht te klein bleek, om die werkelijk sterke en 
krijgskimdig meesterlijk aangelegde positie te vermeesteren. 

Deze expeditie aangevoerd door den G^neraal-Majoor C. van 
der Wijck, wien als 2« bevelhebber, de Luitenant Kolonel H. H. W. 
de Koek en als Chef van den staf, de Luitenant Kolonel 
J. van S wieten ter zijde stonden, duurde van 7 tot 9 Jxmi 1848 
en telde 2379 officieren, onderofficieren en minderen , waaronder 
884 Europeanen, benevens 24 stukken geschut. 

Dapper als altijd streden onze braven , doch helaas de kolossale 
overmacht des vijands , beschermd door zijne geduchte verschan- 
singen, verijdelden zelfs de meest onverschrokken pogingen der 
moedige officieren en minderen. 

De strijd was hevig. Op een punt waar de Kapitein Dostal 
met den Luitenant Kern en zijne Europeesche kompagnie krachtig 
was doorgedrongen, waren na enkele minuten de Kapitein en 40 
flinke Europeesche onderofficieren en minderen gesneuveld, ter- 
wijl het aan den zwaargewonden Luitenant Kern slechts met veel 
moeite gelukte, met de gekwetsten, door de kleine valide rest 
beschermd, op het gros der kolonne terug te trekken. 

Herhaaldelijk stormden onze dapperen voorwaarts. Ten laatste 
bijna zonder munitie, uitgeput door den langdurigen strijd inde 
tropische zon, verzwakt door de talrijke verliezen, waardoor vele 
afdeelingen geheel zonder officieren waren, werd de strijd eene 
wanhopige worsteling en de toestand zoo verschrikkelijk, dat de 
terugtocht noodzakelijk werd, hoe ongaarne de aanvoerder ook 
daartoe overging. 

Die terugtocht had in goede orde plaats , zoodat alle gekwetsten 
medegevoerd werden, zonder dat de vijand dit bemoeielijkte 
omdat de flinke houding en de betoonde heldenmoed der onzen 
hem in ontzag hield , hoe overmoedig hij zich ook gevoelde door 
het behaalde succes en onze blijkbaar bloedige nederlaag. 

Onze verliezen waren talrijk. 



184 DB BlOUfflfDS OlRBXKKINe VAN DJAGABAeA (bau) 

De Kapitein M. C. Dostal, de Luitenants, G. J. Donleben, 
P. van Swieten, H. J. van der Wijck, A. Schimmelman, zoomede 
twee broeders, de Luitenants C. S. en D. W. Uhlenbeck stierven 
den heldendood op het slagveld, met tal van onderofficieren en 
soldaten, terwijl de Kapitein J. W. Macdonald, de Luitenants, 
J. R. Poining Nieuwland, W. A. C. Ardesch, M. H. Dickmann, 
J. C. W. Prager, W. E. F. Heemskerck en C. E. Kern ernstig 
gewond werden, benevens een naar evenredigheid zeer groot 
aantal minderen. 

Onder hen die zich bijzonder onderscheiden werd vooral vermeld, 

de Luitenant Kolonels , J. B. J. Suttherland , B. J. H. Le Bron 
de Vexela, 

de Majoors , C. de Vos en C. J. Sorg der Infanterie en E. C. C. 
Steinmetz der Genie, 

de Kapiteins , E. C. F. Happé der Infanterie en R. J. Kellermann 
der artillerie, benevens de Ritmeester S. von Stampa, zoomede 

de Luitenants, N. C. van Rijn van Alkemade der Infanterie 
en L. H. Deeleman der Genie. 

Howel onze troepen de nederlaag leden door de overmacht 
der omstandigheden, was de leiding, de moed en de volharding 
der kolonne boven allen lof verheven. 

Derde expeditie (1849) 

Om den indruk uit te wisschen die door de bij de tweede expe- 
ditie geleden nederlaag veroorzaakt werd , was eene derde expeditie 
naar Bali noodig, die dan ook den 31^ Maart 1849 debarkeerde, 
ter sterkte van 187 Officieren en 4727 onderofficieren en man- 
schappen, waaronder 173 Europeesche en 14 Inlandsche Officieren, 
1508 Europeesche, 536 Airikaansche en 1683 Inlandsche onderoffi- 
cieren en soldaten , benevens eene batterij veldgeschut , zesponders , 
eene bergbatterij, eene kompagnie sappeurs en een detachement 
kavallerie, met de koelies medegerekend eene macht van d: 10.000 
man, onder het Opperbevel vam den Generaal Majoor A. V. 
Michiels, die daarvoor speciaal van Sumatra's Westkust ontboden 



DBRDE BALISOHB KXPBDITIB — 1849 185 

was en wien den Luitenant Kolonel C. A. de Brauw als Chef 
van den Staf was toegevoegd. 

De uitrusting dezer expeditie was in zoo'n volkomen toestand 
gebracht, als met de grootste zorg en ijver slechts mogelijk was te 
bereiken, maar ook de vijand, begrijpende dat wij zouden terug- 
keeren, had niet stil gezeten, talrijke bondgenooten aangeworven 
en zijne reeds geduchte stelling te Djagaraga nog meer versterkt en 
uitgebreid , zoodat eene hevige worsteling vermoed mocht worden. 

Onze dapperen gingen die echter blijmoedig te gemoet , gewoon 
als zij waren aan den strijd, en vol vertrouwen als zij zich ge- 
voelden in de leiding van den algemeen met roem bekenden 
en beminden veldoverste Generaal Michiels, die reeds in bijna 
alle streken van Indiê bewijzen had gegeven van kalmte , beleid , 
besluitvaardigheid en onwankelbaren moed. 

Helaas! ook deze brave aanvoerder viel als het oflfer van den 
bloedigen krijg in den nacht van 24 op 25 April, bij den aanval 
des vijands op ons bivak te Kasoemba, nadat de zege zoo goed 
als bevochten was. 

Het Leger en het Vaderland werden door den dood van dien 
held in diepen rouw gedompeld en leden door zijn heldendood 
een bijna onherstelbaar verlies. 

Bij diens dood ging het bevel der expeditie tijdelijk over in de 
bekwame handen van den Luitenant Kolonel J. van Swieten , als 
oudsten in rang, tot de komst van den Generaal der Infanterie , 
Kommandant van het Leger in Nederlandsch Lidie Z. D. H. 
Karel, Bemard, Hertog van Saxen Weimar Eisenach , Grootkruis 
der Militaire Willemsorde, die zich persoonlijk aan het hoofd der 
expeditie stelde. 

Denzelfden dag van het debarkement waren de vijandelijke 
versterkingen, te Bleling en Singa-Radja, zonder veel moeite ver- 
overd, waarna onze troepen in die stelling het bivak betrokken. 

Hetzij dat de groote sterkte en de volkomen uitrusting der 
troepenmacht den vijand een oogenblik ontzag inboezemde , hetzij 
dat hij tijd wilde winnen om zijne reeds geduchte hoofdstelling, nog 



186 DS BSROBMDS 0MTBXKKIN6 YAN DJAOARAeA (bAU) 

meer te bevestigen en tevens zijne macht te concentreeren , de 
Hoofden openden de onderhandelingen tot onderwerping en 
hielden die slepende tot den 15^ April, doch niettemin rukten 
onze troepen voorwaarts en vestigden zich in de kampong Sang- 
sit, aan de oevers van de rivier van dien naam, die volgens inge- 
komen berichten, vrij dicht langs de linkerflank van de positie 
te Djagaraga, door een woest en bergachtig terrein stroomde. 

Van uit Sangsit zou de hoofdaanval tegen de linie van Djagaraga 
plaats hebben, waarvan het ongeveer 3 kilometer verwijderd 
was, doch daarmede verbonden door een weg, waarin de vijand 
verschillende coupures gemaakt had en die, op ongeveer 7 è,8oo 
pas van de hoofdstelling der Balineezen, door een diep en steil 
ravijn voerde; over dit ravijn bestond eene brug, doch deze 
was door den vijand afgebroken, en zonder dit overgangsmiddel 
was dit slechts hoogst moeilijk te passeeren. 

De verschillende wallen der Balineesche versterkingen bestonden 
uit aarden borstweringen van 3^4 meter hoogte en evenveel 
dikte, waarin drie rijen boven elkaar geplaatste, uitgeholde bamboe 
kokers geplaatst waren, die als schietgaten dienst deden, zoodat 
de schutters ongezien en veilig de aanstormende kolonnes onder 
vuur konden nemen. Vóór de wallen bevonden zich grachten van 
7 è, 8 meter breedte en diepte, waarvan de nadering door 
bamboe doerie en andere ^^ilra^i^-middelen moeielijk werd gemaakt 
en die dus onder het werkzaam vuur des vijands opgeruimd 
zouden moeten worden. Een groot aantal stukken geschut be- 
heerschte het omliggende terrein, terwijl de uitgestrekte linie 
door 15000 Balineezen verdedigd werd, wier strijdlust ten gevolge 
der vroegere overwinning ten toppimt was gevoerd. 

Toen den 15®° April nog geen definitieve onderwerping gevolgd 
was, en alles er op wees dat de vijand slechts tijd zocht te 
winnen, werd door den opperbevelhebber tot den aanval besloten. 

Na aftrek van de noodige bewakingstroepen voor het bivak te 
Sangsit en de gemeenschap met de vloot, werd het overige in 
twee deelen verdeeld, waarvan het grootste, sterk ongeveer 2000 



DB HOOFDKOLOMNB 187 

man , onder de bevelen van den Luitenant Kolonel J. van Swieten 
's vijands stelling in front zoude aanvallen , na alvorens die positie 
zoo goed en zoo nabij mogelijk verkend te hebben, terwijl het 
tweede deel, bestaande uit het 7^ Bataljon Infanterie onder de 
orders van de Luitenant Kolonel Le Bron de Vexela en de 
Majoor Hemmes, benevens een detachement sappeurs en twee 
mortieren, ter gezamenlijke sterkte van ongeveer 900 combat- 
tanten, onder de leiding van den Chef van den Staf, den Luite- 
nant Kolonel de Brauw, den linkeroever der Sangsit-rivier zoude 
volgen, met het eenige doel om eene uitgebreide verkenning op 
^s vijands linkerflank te doen en na te gaan hoe het mogelijk 
zoude zijn, de uitgestrekte stelling des vijands om te trekken en 
in den rug te bedreigen. 

Het zij hier dadelijk gezegd, dat gedurende den hevigen strijd 
op 15 en 16 April de gemeenschap tusschen die beide kolonnes 
door het woeste , sterk geaccidenteerde en boschrijke terrein geheel 
verbroken was en alleen hersteld werd toen men elkaar binnen 
's vijands veroverde stelling ontmoette ; alleen wist men door het 
geweer- en geschutvuur, waar de andere troepen zich ten naastenbij 
bevonden en in hevig gevecht gewikkeld waren. 

De Hoofd kolonne 

Zonder eenige hinderpaal bereikte de Hoofdkolonne de door 
het ravijn in den weg gevormde natuurlijke coupure^ waarover de 
Sappeurs terstond met den meesten spoed de afgebroken brug 
herstelden en dat overgangsmiddel, zonder door den vijand 
gehinderd te zijn, tegen 11 uur voltooid hadden. 

Op dat oogenblik deed zich heel in de verte op 's vijands 
linkerflank, dus daar waar de kolonne de Brauw zich moest be- 
vinden, een voortdurend geweervuur en kanongebulder hooren, 
zoodat de Opperbevelhebber met alle recht vermoedde, dat de 
betrekkelijk zwakke verkenningskolonne met den vijand slaags 
was , en daarom ook dadelijk last gaf om den aanval in front te 
beginnen en met kracht door te zetten, ten einde 's vijands 



188 DS BEBOBMDS OHTBXKKINe YAK DJAOABAOA (baLI) 

grootste macht naar zich toe te lokken en de taak van het 7* 
Bataljon te verlichten. 

Nu had er na een geducht artillerievuiir eene reuzenworsteling 
plaats, die zonder tusschenpoozen tot twee uur duurde en die 
ons talrijke offers kostte. 

Wel drongen de troepen op sommige plaatsen met ongeloofeiijke 
moeite en dapperheid, voorgegaan door hunne kranige Officieren, 
binnen enkele deelen van 'svijands stelling en wisten zich daar 
een oogenblik te handhaven, maar de groote overmacht van den 
vijand, die met wanhopigen moed telkens met gevelde lans op 
onze betrekkelijk zwakke afdeelingen instormde, maakte het 
blijvend behoud dier punten onmogelijk, en de bevelhebber, de 
vruchtelooze pogingen inziende, gaf om twee uur bevel tot den 
terugtocht, die in goede orde tot op 3 ^ 400 pas der stelling 
volbracht werd. 

Wel beproefde de Majoor Libourel om zes uur andermaal met 
het 3® Bataljon een deel der positie bij verrassing te vermeesteren , 
doch reeds bij den aanvang liet de Generaal Michiels den aanval 
staken, omdat uit het overmachtige en moorddadige vijandelijke 
vuur, dat dadelijk geopend werd, bleek , dat de Balineezen waak- 
zaam waren en de stelling nog altijd sterk bezet was. 

Het 13® Bataljon Infanterie, waarover de Majoor C. J. Sorg 
alleen het bevel voerde, omdat de Overste J. van Swieten met de 
algemeene leiding der Hoofd-aanvalskolonne belast was , had wel de 
zwaarste taak en leed bij den aanval ook de smartelijkste verliezen. 
Op een sterkte van 30 Officieren en ongeveer 900 onderofficieren 
en manschappen, sneuvelden de Luitenants, Prager en L. J. van 
Swieten , de laatste terwijl hij Nêerland's driekleur op den vijan- 
delijken wal plantte en werden gewond, de Majoor C. J. Sorg, 
de Kapiteins, [. Vorstenbos, P. F. Reiger en J. H. Crena, de 
Luitenants, J. C. Mimter, L. J. W. van Rouvroij, L. F. Donleben, 
en H. G. Fritzen, terwijl 119 onderofficieren en minderen door 
dood of verwonding buiten gevecht werden gesteld , zoodat dus 
dit Bataljon ongeveer het een derde der Officieren en ruim het 
een achtste der minderen verloor. 



DB OMTRBSSINa 189 

Herhaalde pogingen in het werk gesteld, om zich met kolonne 
de Brauw in gemeenschap te stellen, mislukten. Alleen aan twee 
kompagniën van het 5® Bataljon Infanterie, onder de orders van 
den Majoor T. £. Roqué, die om 12 uur van het slagveld werden 
afgezonden, gelukte het na een marsch van 4 uur, met eeneont* 
zettende inspanning en volharding volbracht, tot de kolonne de 
Brauw door te dringen, en met die kolonne zoowel aan den 
laatsten strijd op den 15®°, als aan het voortrukken op den i6®° 
April deel te nemen, doch de gemeenschap tusschen de beide 
hoofd-afdeelingen bleef verbroken. 

Toen het des morgens ten 5 uur uit het aanhoudende krachtige 
vuur in den rug des vijands bleek, dat de kolonne de Brauw 
andermaal met de Balineezen slaags was , herhaalde de Overste van 
Swieten terstond met alle kracht weder den front-aanval, welke 
door onze dappere troepen met een onweerstaanbaar élan werd 
volbracht en nu ook de val der sterke stelling ten gevolge had , 
door dat de kolonne de Brauw de vijand in den rug verpletterde 
en daar overal tot wijken dwong. 

De omtrekking 

Zooals reeds vroeger gezegd is , bestond de kolonne de Brauw 
uit het 7^ Bataljon Infanterie, onder den Luitenant Kolonel 
B. J. H. Le Bron de Vexela en den Majoor J. M. Hemmes , een 
detachement Sappeurs, gekommandeerd door den Luitenant der 
Genie A. W. Egter van Wissekerke en twee mortieren , onder de 
orders van den Luitenant der Artillerie B. J. Ëekhout, en rukte 
uit met den last om , de Sangsit-rivier volgende , eene verkenning 
op 's vijands linkerflank te maken , ten einde de mogelijkheid eener 
omtrekking door die woeste en onbekende streek na te gaan. 

Het 7® Bataljon Infanterie telde 27 Officieren, 194 Europeesche, 
134 Afrikaansche en 536 Inlandsche onderofficieren en minderen; 
de geheele kolonne was met de koelie's ten naastenbij 900 man sterk. 

Reeds om 7 uur in den morgen maakte het onbegaanbare, 
bergachtige en boschrtjke terrein verder elke gemeenschap met de 
Hoofdkolonne onmogelijk. 



190 DS BSROKMDS OMTBKKKINe YAN DJAGARABA (bAU) 

Daar zich langs den linkeroever der Sangsit-rivier een zooge- 
naamde weg door het bosch slingerde, kwam de kolonne in den 
b^;inne betrekkelijk spoedig vooruit, doch na eenigen tijd ver- 
dween dit voetpad al meer en meer, en moesten de sappeurs 
nu en dan optreden , om den weelderigen tropischen plantengroei 
met de bijl op te ruimen en zoo voor den troep den weg banen. 

Na verschillende ravijnen te zijn doorgetrokken, hield eindelijk 
eiken schijn van weg op en was nergens meer een spoor van 
eenig voetpad te bekennen, terwijl de omringende, zwaar begroeide 
hoogten elk uitzicht op de vijandelijke stelling benamen. 

Het eenige wat men van de streek wist , was, dat de Sangsit-rivier 
vrij dicht langs de linkerflank der positie te Djagaraga stroomde. 

Het ravijn, dat deze rivier tot bedding diende, werd gaande 
weg nauwer en de wanden steiler en rotsachtiger, zoodat deze 
zich somtijds 30 k 50 meter boven den rivier-bodem verhieven. 

Ten einde te voorkomen dat de kolonne, door het dichte bosch 
dwalende , te veel naar het westen zoude afwijken, en dus te ver van de 
vijandelijke stelling, die meer ten oosten lag, verwijderd zoude blijven 
om de verkenning met vrucht te doen, besloot de aanvoerder op den 
rechter-oever van het ravijn ('s vijands zijde) over te gaan, dien oever 
te volgen, en liever de kans te wagen om den vijand te dicht te naderen, 
dan van alle waarnemingen van diens positie verstoken te blijven. 

Na met groote moeite in de bedding der rivier te zijn afge- 
daald, werd door enkelen den steilen wand aan de andere zijde 
met ongehoorde inspanning beklommen, doch het bleek nu, dat 
die oever nog grooter bezwaren opleverde dan de pas verlatene , 
waarom de Brauw besloot, om met de kolonne den loop der Sangsit- 
rivier in hare bedding zelf te volgen. Dit was echter ook zeer 
vermoeiend, daar de troepen steeds tot aan de knieën door het 
snelstroomende water moesten waden , terwijl de bodem der rivier 
uit rolsteenen bestond en met zware rotsblokken als bezaaid was. 

Langzaam vorderde men, nu en dan struikelende en weder 
opstaande, tot na eenigen tijd een voetpad ontdekt werd, dat 
langs den rechter ravijn-wand, naar 's vijands zijde, uit den 
stroom naar boven voerde; terstond ging de Brauw zelf naar 



DB OMTBEKKINa 191 

boven, gevolgd door den Luitenant P. H. Koster, met eenige 
sappeurs en eenige manschappen der voorhoede. 

Na een uiterst moeielijke beklimming ontdekte de aanvoerder 
geheel in de verte , in het Z. O. , eene uitgestrekte reeks aardewer-^ 
ken, uit grootere en kleinere redouten bestaande, dus de hoofd-* 
stelling des vijands, maar tevens aan de overzijde der rivier, 
in het Westen (linkeroever) , eene groote versterking, blijkbaar door 
talrijke benden vijanden bezet, doch die de kolonne, beschermd 
als zij was door den plantengroei in het diepe ravijn, op een 
a&tand van 6 k 700 pas ongezien was voorbij getrokken. 

Daar het te veel oponthoud zoude veroorzaken om den linker 
ravijn-wand te beklimmen en die sterkte te nemen, wat bovendien 
ontijdig de aanwezigheid der kolonne verraden zoude hebben en 
de meer uitgebreide en nauwkeurige verkenning verhinderen, zoo 
besloot de leider weder in de rivier af te dalen , deze in Zuidelijke 
of Zuid-oostelijke richting te blijven volgen, om 's vijands hoofd- 
positie zoo dicht mogelijk te naderen, en de reeds voorbij 
getrokken versterking op den linkeroever ongemoeid te laten. 

De marsch moest echter in de grootst mogelijke stilte wórden 
voortgezet, want als de vijand de kolonne, samengedrongen in 
dit diepe en nauwe ravijn metsteile wanden, ontdekte, dan zoude- 
het hem zeer gemakkelijk vallen den troep, al was het alleen 
met rotssteenen, te verpletteren. 

De Overste de Brauw begreep ten volle het gevaarlijke van 
zijn plan om verder door te dringen, en als hij minder voort- 
varend was geweest, dan had hij hier den tocht kimnen eindigen ,. 
want het bewijs was geleverd, dat, hoe moeielijk het ook mocht 
zijn , de omtrekking langs of door de Sangsit-rivier mogelijk was^ 

Als Chef van den Staf wilde hij echter meer van 's vijanda 
positie weten , dan hij nu op een afstand kon waarnemen , en hij 
wilde uitgebreidere inlichtingen kunnen geven. Hij vertrouwde er 
eenigzins op , dat , even als tot nu toe , de marsch der kolonne door 
het begroeide terrein verborgen zoude blijven voor 't spiedend 
oog van den tegenstander en overigens rekende hij, en niet ten 
onrechte, eenigzins op goed geluk, en bovendien op het beleid zijner- 



192 os BBBOEKDE OMTBXKKINe YAN DJAGABAGA (bau) 

Officieren en op den goeden geest en den moed zijner brave soldaten. 

De marsch werd hoe langer hoebezwaarlijker, want hoe verder 
de troep kwam , hoe sterker de snelheid van den stroom werd en 
hoe meer de rotsblokken in omvang en aantal toenamen , zoodat 
zoowel menschen als paarden voortdurend struikelden en vielen, 
doch de dapperen waren naar het voorbeeld hunner Officieren 
met den besten geest bezield en met volharding werd den weg 
onder ongelooflijke inspanning vervolgd 

Reeds had de troep weder langer dan een uur de rivierbedding 
gevolgd, toen tegen 9^ uur een pad ontdekt werd, dat zich 
tusschen de rotsen en struiken van den rechter ravijn-wand naar 
boven slingerde. 

De Inlandsche Sergeant Poetoe Soeranga was de eerste die 
naar boven snelde, weldra gevolgd door den Overste de Brauw 
met eenige manschappen. 

Boven komende was den Chef een ruimen blik op de vijandelijke 
stelling gegund, maar hoeveel voldoening hem die ontdekking 
ook schonk, zij gaf hem tevens de overtuiging, dat de kolonne 
in eene zeer netelige positie verkeerde. 

Op ten naastenbij 3 k 400 pas afstand verhieven zich in Oostelijke 
richting tal van goed bezette versterkingen met hooge wallen en 
diepe grachten door hindernissen zoo goed mogelijk stormvrij 
gemaakt, terwijl een groot aantal vuurmonden dreigend hunne 
mondingen vertoonden. In het Noorden, de zijde van waar zij 
gekomen waren, strekte zich, naar schatting 12 k 1400 pas ver, 
eene aaneengeschakelde reeks bolwerken uit, wat dus de vijan- 
delijke hoofdstelling moest zijn waartegen de Hoofdkolonne 
zoude opereeren, zoodat hij met allen grond tot het besluit 
kwam, dat zijn troep niet alleen ongezien op de flank, maar 
zelfs tot in den rug der vijandelijke positie was doorgedrongen. 

Eenklaps bemerkt hij, dat zijne aanwezigheid van af den 
anderen oever ontdekt was en dat men van daar door teekens, 
die blijkbaar gelukkig niet begrepen werden, de bezettingen der 
forten, in welker nabijheid hij zich zoo onbemerkt bevond, van 
dat feit trachtte kennis te geven. 



DB OMTBEKKINe 198 

Teruggaan langs denzelfden weg was nu zoo goed als onmogelijk, 
want voor dat de kolonne daarbij een eenigzins belangrijken 
afstand zoude hebben afgelegd, zou de vijand overal gealarmeerd 
zijn en dan was het lot der kolonne tusschen die steile ravijn- 
wanden zoo goed als beslist. 

Het was dus zaak om den vijand vóór te zijn, al stonden ook 
loooo Balineezen achter sterke wallen tegenover dien kleinen 
troep, maar discipline, moed en beleid zouden de weegschaal in 
het voordeel der onzenfdoen overslaan en bovendien de Hoofd- 
kolonne zoude zeker door den firontaanval zijne taak verlichten. 

Een hoofd vereischte was het echter , dat de troep behoorlijk in 
slagorde op den oever geschaard was , voor dat de bezettingen der 
vijandelijke sterkten, met de aanwezigheid der kolonne bekend werd. 

Terwijl een vrijwilliger met een kort bericht omtrent den toestand 
naar de Hoofdkolonne werd afgezonden, begon de troep in de 
grootste stilte, man voor man de moeielijke bestijging en naar- 
mate zij boven kwamen, slopen zij door de hooge, hen verber- 
gende alang-alang, naar hunne aangewezen plaatsen in het gelid 
voor de aanvals-formatie. 

Tegen 1 1 uur was zoo goed als de geheele kolonne boven , zonder 
dat uit iets hoegenaamd bleek, dat de vijand eenig vermoeden had 
van hetgeen hem wachtte. 

Vooraan , 't dichtst bij de versterkingen lagen , door het hooge 
gras verborgen, de i® en 2® kompagnie , onder de Kapiteins E. C. F. 
Happé en A. A. Dessart, te samen onder aanvoering van den 
Majoor J. M. Hemmes , en daarbij de sappeurs onder den Luite- 
nant der genie A. W. Egter van Wissekerke. 

Op eenigen afstand daarachter de 3* en 5* kompagnie, onder 
de Kapiteins H. W. Buijs en C. A. W. F. Wollweber , in reserve. 

De 4® kompagnie , onder den Kapitein H. G. Boon van Ostade , 
bezette den rand van het ravijn, terwijl de 6® kompagnie, onder 
den Kapitein J. C. A. H. Hachez , met de bagage in de bedding 
der rivier achterbleef, en de beweging der anderen zouden volgen , 
naarmate de voorhoede avanceerde. 

Het was ook den Luitenant L. B. J. Eekhout gelukt, om de beide 

13 



194 DS BSROBMDS OlfTREKKINO YAK DJABARABA (baLI) 

mortieren op 300 pas der vijandelijke positie ongezien in stelling tet 
brengen. 

Het geheel der aanvalskolonne werd gekommandeerd door 
den Luitenant-Kolonel B. J. H. Le Bron de Vexela, terwijl de 
Overste C. A. de Brauw de algemeene leiding had. 

Aller, harten klopten vol verwachting en allen hunkerden naar 
het oogenblik, dat zij zich met den vijand konden meten, doch 
geen geluid werd gehoord, en de troepen gaven een groot bewijs 
van hunne volmaakte krijgstucht, door zoo ongemerkt die geheele 
opstelling mogelijk te maken in de onmiddelijke nabijheid dea 
vijands, op klaar helderen dag, al verborg ook de hooge alang-^ 
alang, de sluipende en liggende mannen voor de waarneming 
der vijandelijke schildwachten. 

Eensklaps, op een teeken van den Overste de Brauw, wordt 
als door een tooverslag de stilte verbroken, en donderen de 
mortieren, hun doodelijken inhoud in de versterking werpende» 
terwijl te gelijk 600 krachtige, strijdbare, moedige Nederlandsche 
soldaten onder een luid koera als uit den grond oprijzen, en de 
voorste kompagnie, onder het klinken van den stormmarsch ,. 
voorafgegaan door den Kapitein Happé, de sterkte bestormt,, 
waarvoor zij met behulp der sappeurs in een oogenblik de hin-» 
dermssen heeft opgeruimd. 

Die plotselinge, onverwachte, dappere en onweerstaanbaar door-^ 
gezette aanval, was een prachtig oogenblik en een meesterstuk 
van verrassing. 

Het was toen elf uur des morgens. Het vuur van de kolonne de 
Brauw was door de Hoofdkolonne gehoord , die daarop terstond 
zoo zelfopofferend dien onverschrokken en bloedigen aanval 
deed, die voor haar met een terugtocht en talrijke verliezen 
eindigde. 

Wel snelt de verraste vijand aan alle zijden toe , opent een moordt 
dadig vuur en strijdt verwoed om zijne stelling tie behouden, maar 
tegen den krachtigen aanval van het dappere 7® Bataljon is h^' niet 
bestand. 

Aan alle zijden dondert het geschut door de echo's der bergeui 



DE OMTBBXKINe 195 

weerkaatst, overal knettert het geweervuur en klinken kreten van 
woede en bloedigen strijd. 

Kapitein Happé is de eerste op de borstwering, onmiddelijk 
gevolgd door den Luitenant Deerens en den Inlandschen sergeant 
Poetoe Soeranga. 

Dei Luitenant Deerens valt dadelijk , door verscheidene schoten 
in de borst getroffen, en zijn laatsten kreet was een kreet van 
overwinning en bewust plichtbesef; Poetoe Soeranga sneuvelt 
terstond onder de lanssteken der tegenstanders, maar Happé 
baant zich met zijn trouw zwaard, gevolgd door de zijnen, een 
bloedigen weg in den verwarden hoop Balineezen , en weldra vlucht 
de vijand, de sterkte in onze handen latende. 

Eene tweede versterking, die door de genomen benting be- 
heerscht wordt, wordt door den vijand verlaten en een derde fort 
in denzelfden aanloop door Happé stormenderhand genomen, 
want onweerstaanbaar dringen onze brave soldaten met de bajonet 
vooruit onder een luid hoera ^ vergezeld van een Wi?z;^ </i? A!(7»i>f^» , 
en begeesterd door den aanhoudend aansporenden stormmarsch , 
waarnaast het hartverheffend en overwinnend Wilhelmus klinkt 
te midden van een oorverdoovend moorddadig vuur en de 
woedende kreten der als wanhopend aanvallende Balineezen. 

De vijand uit de derde verschansing vervolgende, staat de troep 
eensklaps, op ongeveer 600 pas van de kampong Djagaraga en 
had de Brauw, die alles uiterst kalm leidde, bijgestaan door zijne 
beide kranige en beleidvolle Hoofdofficieren, nu de zekerheid, dat 
hij geheel in den rug van 's vijands geduchte stelling was, aan 
welks front zoo bloedig en dapper gestreden werd, maar tevens 
bevroedde hij, dat zijne positie hoogst gevaarlijk was, want dat 
de vijand zelfs het onmogelijke zou beproeven om hem te ver- 
nietigen, geïsoleerd als hij was te midden der overtalrijke vijan- 
delijke benden. 

Nauwelijks heeft Happé zijne door den storm uiteengeraakte 
kompagnie eenigzins verzameld , of van alle zijden stormen vijan- 
delijke drommen met gevelde lans, als bezetenen op haar los. 

De aanval wordt echter dapper afgeslagen, omdat het de andere 



196 DS BSROSMDB OMTBEKKINe YAN DJAOABAGA (bALI) 

kompagnie gelukt 'svijands aanval door een flank-vuur van de 
overzijde van een ravijn te breken. De vijand vlucht, talrijke dooden 
achterlatende , doch ook de onzen leden zware verliezen en daar- 
onder den dapperen Happé, die zoo ernstig gewond was, dat 
hij zijne kompagnie niet meer kon aanvoeren. 

Zoo had de strijd tot 4 uur geduurd en de troepen, die allen 
voortdurend in gevecht waren, leden vreeselijk door uitputting en 
gebrek aan water, zoodat zij hunnen dorst leschten met het 
drabbige water der sawahvelden. 

Op dat uur verschenen op het slagveld de beide om 12 uur 
door den Generaal van de hoofdkolonne afgezonden kompagnien 
van het 5® Bataljon Infanterie , onder den Majoor T. E. Roqué , 
te samen sterk 430 bajonetten. Deze hadden na eene ontzettende 
worsteling met het moeielijke terrein , gedurende ongeveer 4^ uur 
achtereen, alleen op het geluid van het geweer- en kanonvuur 
afgaande, de kolonne de Brauw bereikt, doch daarmede was de 
gemeenschap nog niet hersteld; wel was de versterking door 
deze strijdkrachten ten zeerste welkom, maar die troepen waren 
ook uiterst vermoeid en zij brachten noch levensmiddelen, noch 
reserve-munitie mede, welke laatste vooral noodig was, omdat 
de meeste soldaten nog slechts 20 a 30 patronen in voorraad 
hadden. 

Daar aan de frontzijde de strijd der Hoofdkolonne reeds ge- 
ruimen tijd had opgehouden, en de vijand nu hoe langer hoe 
meer op de kolonne de Brauw aandrong, was deze overtuigd, 
dat de aanval in front mislukt was en 'svijands hoofdmacht 
zich nu tegen zijn kleinen troep zoude keeren, waarom hij zijne 
dapperen wel op het hart drukte, om geen patroon nutteloos te 
verschieten, en die aanbeveling werd door de soldaten zeer stipt 
opgevolgd, zooals den vijand tot zijn nadeel ondervond. 

De beide kompagnien, onder den majoor Hemmes, waren na 
den afgeslagen aanval, tot op 50 passen van de kampong Djagaraga 
doorgedrongen, doch nu kwam de troep onder het werkzame 
vuur eener nieuwe versterking en deed de vijand een algemeenen 
aanval met lans en kris op de geheele kolonne. 



DB OMTBBKKINO 197 

Hier worstelt Hemmes, ginds streed Le Bron de Vexela, elders 
weder vocht Roqué, of verdedigden de 3® en 5® kompagnie met 
leeuwenmoed de gewonden der ambulance. Het was een uiterst 
kritiek oogenblik ! . . . Alle afdeelingen streden op zich zelve ! . . . 
De algemeene leiding kon niet meer ingrijpen. Alles was in den 
heetsten strijd gewikkeld door de verwoede en wanhopige aan- 
vallen der overtalrijke Balineezen, die door de soldaten met de 
bajonet neergelegd , of a boiit portant werden neergeschoten. 

Hoewel de troepen belangrijke verliezen leden, doorstonden zij 
zegevierend den aanval van den 10 maal sterkeren vijand, die 
bij zijn terugtocht honderde dooden op het slagveld achter liet. 

De duisternis maakte voorloopig een einde aan dien bloedigen , 
zoo dapper doorgestanen strijd. 

De troepen bivakkeerden op het slagveld en legden zich ter 
ruste, vol vertrouwen in het beleid van den aanvoerder, die nadacht 
en waakte; het was noodig voor die dapperen om nieuwe krachten 
te vergaderen voor den strijd op den i6«° April, die, dat be- 
grepen zij, beslissend moest zijn. 

De nacht ging rustig voorbij, zonder een nieuwen aanval des 
vijands, ofschoon in de vijandelijke liniên veel rumoer gehoord 
en veel beweging waargenomen werd. 

Hoeveel succes er ook behaald was geworden, toch was de 
toestand der kolonne hachelijk, afgesneden als zij was van alle 
hulp, zonder levensmiddelen ofreserve-munitie, en aan alle zijden 
omringd door strijdlustige, moedige vijanden , die zeker begrepen , 
dat alleen de vernietiging der kolonne de Brauw hun redding 
kon brengen, doch de beleidvolle aanvoerder liet niets blijken 
van alles wat er in hem omging en de zorg die hij had; hij 
toonde een kalm uiterlijk, vol vertrouwen op den uitslag. 

£n toch waren zijne gedachten niet opwekkend. 

Nog altijd was er geen gemeenschap met de Hoofdkolonne 
verkregen en als de patronen gingen ontbreken, dan was al 't 
kostbare bloed voor niets vergoten, dan zou de kolonne moeten 
terugtrekken en dan waren de gevolgen niet te overzien, of 



198 DE BSBOSMDE OMTBKKKINa YAN DJAeABAOA (baLi) 

liever de brave Overste zag ze wel in zijn geest, maar ze zouden 
meer dan verschrikkelijk zijn. 

De beslissing, dat is de nederlaag des vijands, moest dus zoo 
spoedig mogelijk volgen. Hij zou daarom trachten om in de kampong 
Djagaraga door te dringen en zoo den terugtochtslijn des vijands te 
bedreigen, het meest kwetsbare punt van een Inlandschen vijand. 

Noch Kapitein Buys, die met zijne kompagnie om 12 uur des 
nachts afmarcheerde, noch aan eene kleine patrouille van een 
sergeant met zes man gelukte het tot de Hoofdkolonne door te 
dringen en allen keerden zonder resultaat terug, daar het terrein , 
gelegen tusschen de vijandelijke stelling en de rivier de Sangsit, 
nu door talrijke benden Balineezen bezet was. 

Al had de Overste de Brauw dus willen terugtrekken , dan zou 
dat toen reeds zoo goed als onmogelijk geweest zijn, in aan- 
merking nemende het groot aantal gewonden die medegevoerd 
moesten worden. 

Onversaagdheid , volharding en zelfvertrouwen konden nu alleen 
de redding aanbrengen. 

Eerst in den vroegen morgen, toen de vijand reeds tot den 
terugtocht besloten scheen, gelukte het den Kapitein Hachez 
naar de Hoofdkolonne door te dringen, doch hij bereikte die 
eerst op het oogenblik van den zege. 

Tegen twaalf uur des nachts slopen de Luitenants Ëgter van 
Wissekerke en Koster, begunstigd door de duisternis, voorzichtig 
in Noordelijke richting naar 's vijands hoofdstelling, om meer 
van nabij de sterkte te verkennen, waaruit, bij den laatsten alge- 
meenen aanval der Balineezen, de onzen zoo hevig met vuur 
bestookt werden en die bij het daglicht, de poging om de 
terugtochtslijn ernstig te bedreigen, ten zeerste kon blijven be- 
moeielijken. 

Na een geruimen tijd afwezig geweest te zijn , keerden de beide 
onversaagde Officieren terug en rapporteerden , dat zij geheel tot 
aan den voet der wal van de versterking genaderd waren en die 
zoo slecht bewaakt en bezet bevonden hadden, dat eene ver- 
rassing zeer goed mogelijk was. 



DB OMTRSKKINe 199 

Onmiddellijk besloot de aanvoerder te beproeven om dat deel 
van 's vijands hoofdstelling in zijne macht te krijgen. 

Reeds vóór vier uur in den morgen rukte de Majoor Hemmes 
in alle stilte derwaarts met de 4® en 6® kompagnie van het 7** 
Bataljon, geleid door de beide Luitenants die de stelling ver- 
kend hadden, en aan het hoofd de sappeurs. De Majoor Roqué 
volgde als reserve met de beide kompagnien van het 5® Bataljon. 

Vóór het aanbreken van den dag is die sterkte na geringen 
tegenstand genomen, doch de vijand opent dadelijk een moord- 
dadig vuur uit eene nabijgelegen redoute, die echter ook terstond , 
zoodra het eenigszins daagde, stormenderhand genomen werd, 
terwijl de Hoofdkolonne, dat vuren hoorende, den aanval in front 
met alle kracht herhaalde en Le Bron de Vexela in da kampong 
Djagaraga doordrong en 's vijands terugtochtslijn naderde. 

Verwoed en vreeselijk was de strijd aan beide zijden. 

De Balineezen vochten wanhopig en stortten zich met ware 
doodsverachting als razenden op onze onwrikbaar standhoudende 
troepen, want hij begreep dat de beslissing komen moest, doch 
tegenover den moed en de vastberadenheid der onzen , die over- 
winnen wilden , was niets bestand. 

De Kapitein Boon van Ostade was met zijne kompagnie in 
een verschrikkelijk bloedig handgemeen gewikkeld, doch de 
braven drongen onweerstaanbaar voorwaarts, en alle verdedigers 
van de sterkte vielen op de plaats waar zij stonden, geveld door 
de bajonetten. 

Telkens en telkens klinkt een luid hoezee en een schetterend 
Wilhelmus, dat zich eindelijk ook aan de voorzijde bij de Hoofd- 
kolonne herhaalt, en toen de Brauw zwaar gekwetst het slagveld 
moest verlaten, was de overwinning volkomen, rukten de onzen 
zegevierend de onneembaar geachte, werkelijk sterke vijandelijke 
positie binnen, waaruit de verdedigers aan alle zijden een goed 
heenkomen zochten. 

Om 7 uur ontmoetten de hoofden der beide overwinnende 
kolonnes elkaar in het midden der veroverde sterkte en aan het 
zegevierend gejuich kwam geen einde. 



200 DB BBROSMDB 01CTBBKKIN& VAN DJAOARAOA (bau) 

De vijand had naar eigen opgave 6cxx> man aan dooden en 
gewonden verloren, terwijl wij van onze zijde slechts 53 dooden 
en 148 gewonden te betreuren hadden. 

De als eene verkenning bedoelde tocht, veranderde door den 
drang der omstandigheden en het doortastend voorwaarts rukken van 
den aanvoerder in eene volledige omtrekking, zonder welke de 
verovering van Djagaraga wellicht onmogelijk geweest zoude zijn , 
doch hoe beleidvol ook geageerd is, hoe dapper de onzen ook 
streden, zoo was er toch ook geluk noodig, ommetzoo'nkldne 
macht, tegenover eene dergelijke, nog wel verschanste overmacht, 
een dusdanig ongekend groot succes te behalen. 

De nederlaag der tweede expeditie was glansrijk uitgewischt 
en Nêerland's overwicht op schitterende wijze gehandhaafd. 

£n voor altijd draagt het Vaandel van het kranige 7® Bataljor » 
als herinnering aan dat roemrijke wapenfeit, het schitterende 
kruis der Militaire Willemsorde gehecht aan Neêrland's fieren 
Leeuw, die de dierbare Oranje- Vaan bekroont, de Vaan, die 
van kogels doorboord, niet alleen spreekt van gevaren, van 
grootsche daden en van roem, maar ook van de onwankelbare 
trouw van het dappere Indische L^er. 



Edelmoedige zelfopofFering op Bali 

van den Kapitein der Artillerie R. J. Kellerman — 1849. 

Fais ce que dois, advienne que pourra. 

De derde Balische expeditie was een reuzenworstelstrijd van 
eene kleine , dappere , goed aangevoerde Leger-afdeeling tegen eene 
moedige, goed gewapende kolossale overmacht, die nog daarbij 
het groote voordeel had, dat sterke en oordeelkimdig aangelegde , 
bijna onneembare sterkten, de verdedigbaarheid, van het daartoe 
reeds bijzonder gunstige terrein, verhoogden. 

De strijdvaardige, onverschrokken Balineezen hadden in het 
jaar te voren, bij de bestorming hunner hoofdvesting , het buitenge- 
meen sterke Djagaraga, gedurende de tweede expeditie, onze 
dappere troepen teruggeworpen en de nederlaag toegebracht, 
zoodat de veldtocht toen opgegeven moest worden. Bij dien 
aanval leden wij belangrijke verliezen, doch bij den terugtocht 
waren die aanmerkelijk hooger, omdat sommige af deelingen zoo 
ver met heldhaftig élan waren doorgedrongen, dat zij zich bij 
dien terugtocht met het blanke wapen in de vuist een weg 
door 'svijands drommen moesten banen, waarbij die weg 
wel bezaaid werd met tallooze gevallen Balineezen, doch ook 
menig dapper soldaat, die doodelijk getroffen neerzeeg, achter- 
gelaten moest worden; toch werden onze gewonden allen mede- 
gevoerd. 

Overmoedig door dat groote succes verdedigden zij ook nu 
him grond met de meeste hardnekkigheid voet voor voet, en 
trots de tallooze offers, herhaalden zij telkens met dezelfde doods- 
verachting hunne verschikkelijke aanvallen met de blanke wapenen, 
alleen gestuit door den onwrikbaren muur van bajonetten , die de 
heldhaftige schaar van het Indische Leger hen bood, wier man- 
men al himne dapperheid, geestkracht, vastberadenheid, vol- 



202 BOELMOBDieB ZELFOPOFFSBINe VAM OBN KAPITEIN 

harding, krijgstucht en geoefendheid noodig hadden, om den 
zoo wanhopig en heldhaftig strijdenden vijand te verslaan, terug 
te drijven en te onderwerpen. 

Elk man, van den hoogsten in rang tot den minsten soldaat, 
toonde zich een held en het zoude boekdeelen vullen om al de 
daar verrichte heldenfeiten aan de vergetelheid te ontrukken. 

De herhaalde, bloedige en hardnekkige bestorming van het 
zoo moedig en standvastig verdedigde Djagaraga, de hoofd- 
versterking des vijands, is door het penseel van een onzer 
kimstenaars op het doek vereeuwigd, en de beroemde, ongeëven- 
aarde, dappere en volhardende omtrekking van die sterkte langs 
ongebaande wegen, door dichte bosschen, diepe ravijnen en 
rivierbeddingen en over bijna onbeklimbare rotsen door het 7* 
Bataljon infanterie , onder de Overste B. J. H. Le Bron de Vexela 
en den Chef van den staf Luitenant Kolonel A. C. de Brauw, 
staat met gulden letteren in Nêerland's Heldenboek gegrift, want 
het Oranje-vaandel van dat kranige Bataljon werd voor dat 
heldenfeit met het eeremetaal der Militaire Willemsorde versierd. 

In dien veldtocht had het Indische Leger bij de overvalling 
van Kasoemba in den nacht van 20 Mei 1849 ^^^ onherstelbaar 
verlies te betreuren, door de verwonding en den dood vanden 
bevelhebber, den algemeen beminden en kundigen Generaal 
Majoor A. V. Michiels , die bijna in alle Indische gewesten over- 
winnend gestreden had en wiens naam voor het nageslacht be- 
waard bleef, op het ter zijner herinnering opgerichte bronzen 
gedenkteeken te Batavia en te Padang, op welke laatste plaats 
zelfs een plein naar hem genoemd is. 

Deze veldtocht was zoo ernstig, dat de Legerkommandant 
Zijne Doorluchtige Hoogheid Hertog Karel, Bemard, van Saksen- 
Weimar niet aarzelde om toen zelf het bevel op zich te nemen 
en aan wien zou het beter toevertrouwd zijn geweest dan hem, 
van wien het te 's Gravenhage door tijdgenooten ter zijner nage- 
dachtenis opgericht bronzen moniunent meldt, dat hij was: 
«Een beschermer van kunsten en wetenschappen, Moedig en 
beleidvol krijgsman, Nederland onwankelbaar getrouw.» 



OER ABTILLBRDE R. J. KELLESUANN — 1849 203 

Het was bij de 5® Balische expeditie dat de dappere, voort- 
varende Krijgsoverste , Luitenant Generaal K. v. d. Heijden als 
sergeant majoor het ridderkruis der Militaire Willemsorde verwierf. 

Hoe dapper en onverschrokken onze brave troepen ook in 
den dichtsten kogelregen vooruitstormden en den vijand onweer- 
staanbaar met het blanke wapen aangrepen, hoe moedig, kalm en 
standvastig zij ook de woeste en ontzettende vijandelijke aan- 
vallen afwachtten en afsloegen, geen enkele daad van moed en 
doodsverachting evenaarde die van den Kapitein der artillerie 
R. J. Kellermann, kommandant van de halve batterij 6 ponders 
in de door ons bezette Balineesche kampong Kasoemba. 

De dapperheid in den strijd is den Hollander van nature eigen ; 
door het prikkelende van den kruitdamp en het opwindende 
en meesleepende grootsche karakter van het gevecht, wordt de 
soldaat aangevuurd tot buitengewoon moedige daden, waarin hij 
met geen gevaar hoe groot ook meer rekening houdt , er slechts 
op bedacht zijnde meer dan zijn plicht te doen en met anderen 
te wedijveren, om het zijne bij te brengen tot eene glansrijke 
overwinning, wetende dat èn Chefs èn Natie hem gadeslaan 
met goedkeurenden, bewonderenden blik. 

Maar dan staat hij niet alleen, want allen die met hem mede 
strijden zijn met dezelfde gevoelens bezield, hij weet dat zijne 
waakzame bevelhebber hem ter hulpe zal doen snellen, en hij 
beseft dat grooten moed en ware doodsverachting het gevaar 
verdrijven. 

Doch alleen te staan met zijne meening, en te midden van 
het strijdgewoel en de opwinding van het gevecht, waar alles 
aandrijft tot vernietiging van den vijand, onder het hevige vuur 
der tegenpartij, bedaard, kalm en weloverwogen, beslist te wei- 
geren om een bevel uit te voeren en zoo noodig de uitvoering 
door anderen onmogelijk te maken, omdat hij bij zich zelven 
overtuigd is, dat zijn dappere krijgsmakkers daardoor groot ge- 
vaar zouden loopen, eischt een moed die alle anderen in de 
schaduw stelt, want zoo'n weigering heeft een zekeren dood 
ten gevolge, maar niet den dood op het slagveld, strijdende 



204 SDBLMOEDI&B ZELF0P0F7ERIKG VAN OEN KAPITKIK 

voor Holland's eer en Holland's roem, doch den dood op de 
gerechtsplaats» die gemakkelijk te vermijden was, door eenvoudige, 
lijdelijke gehoorzaamheid, die alle verantwoordelijkheid voor den 
uitvoerder der gegeven orders opheft 

Zoo iets is edel , is verheffend , is grootsch ! . . . . 

£n dat deed de Kapitein, later Generaal-Majoor der artillerie, 
R« J. Kellermann. 

£r zijn nog velen in leven die hem gekend hebben, die kra- 
nige, flinke, echt martiale figuur, op wiens breede borst het 
eeremetaal der Militaire Willemsorde als met ongekenden glans 
schitterde ; die Officier met dat imponeerende uiterlijk , met dien 
zwaren grijzen imperiaal en knevel, met dien doordringenden, 
onbevangen, vasten oogopslag waaruit moed en onverschrok- 
kenheid straalde, doch tegelijkertijd een groot en edel hart 
verried, vol menschenliefde en menschenmin; hij was een held, 
eerlijk als goud en dapper als zijn zwaard, van wien de tijdge- 
nooten zich zullen herinneren, hoe algemeen bemind hij was 
door allen die hem kenden van den hoogsten tot den laagsten 
in rang, en hoe de soldaat hem aanbad. 

Reeds bij de hardnekkige en bloedige, doch helaas ver- 
geefsche bestorming van het sterke Djagaraga door de Hoofd- 
kolonne op den 15^ April 1849, ^^^ ^^ toenmalige Kapitein 
der Artillerie R. J. Kellermann zich door een heldhaftig en schit- 
terend feit boven allen onderscheiden en door zijne edele 
kameraadschappelijke trouw aller bewondering afgedwongen. 

Na dien vergeefechen frontaanval trok de aanvalskolonne terug , 
gedekt door het met groot succes afgegeven vuur van de door 
Kapitein Kellermann gekommandeerde batterij , en reeds waren de 
uiterst afgematte en gedunde troepenafdeelingen buiten het bereik 
van 'svijands moorddadig geweer- en kanonvuur, toen de dap- 
pere batterij-kommandant , in de nabijheid van de zoo goed 
verdedigde vijandelijke wallen, een blijkbaar vergeten, doodelijk 
gewond soldaat zag liggen, die eene poging deed om op te 
staan, doch weder machteloos ineen zonk. 

De Kapitein gaf, terwijl hij het vuur zijner batterij leidde» 



OER ABTILLEBIB R. J. KBLLBBMANN — 1849 205 

aan een dicht bij hem staand korporaal den last, om den armen 
gewonden makker te gaan halen, doch deze weifelde een 
oogenblik, om aan dien hoogst gevaarlijken last te voldoen, want 
de geheele strook gronds waar de gewonde lag, werd door 
's vijands hevig geweervuur beheerscht , daar de inslaande kogels 
overal het stof van de vlakte deden opstuiven. 

Dit oogenblik van weifeling, hoe kort ook, was voor den 
voortvarenden en onverschrokken batterij-kommandant te lang, 
en voor dat iemand zich nog bewust was, wat die kranige, 
brave Officier ging doen , had hij reeds zijn hinderlijke sabel losge- 
gespt, de nauwsluitende imiformjas uitgetrokken, en snelde hij 
in hemdsmouwen, zonder zich aan den hevigen kogelregen te 
storen, op den gevallen makker toe, nam den ongelukkigen 
kameraad op zijne krachtige, breede schouders, draagt hem 
achter de batterij in veiligheid, waar hij hem zacht op het gras 
neervleide, en alsof er niets gebeurd was, nam hij het kom- 
mando zijner batterij weer op zich. 

Met een luid en bewonderend geestdriftig gejuich werd de 
held, door de geheele troepenmacht, die zijn waagstuk in groote 
spanning had gadegeslagen, bij zijne terugkomst ontvangen; vol 
bewondering zagen allen op tot die fiere , krachtige heldengestalte , 
die blijk had gegeven van zooveel moed en zooveel kameraad- 
schappelijke zelfopoffering, eene bewondering van des te grooter 
waarde, nu onder die bewonderaars zeer velen waren die wisten 
wat moed was, en dat ook dien dag getoond hadden in den 
pas geêindigden heeten en bloedigen strijd. 

Nadat onder de rechtstreeksche aanvoering van den Generaal 
Michiels Djagaraga den i6®° April 1849 ^^^ koste van veel 
verliezen genomen was, en na verschillende daarop volgende 
bloedige overwinningen, werd den vijand den 24®** Mei daaraan- 
volgende uit Kasoemba verdreven. 

De strijd was bijzonder heet geweest en eerst na eene wor- 
steling van tien achtereenvolgende uren *) gaf de vijand den 

*) Van des morgens 5 tot des namiddags 3 uur. 



206 ED8LM0BDI&B ZBLFOPOFFSaiN& VAN DBN KAPITEIN 

tegenstand op, wijkende voor de meesterlijke leiding van Generaal 
Michiels en de dapperheid onzer troepen. 

Wel waren de Balineezen overal in vollen aftocht, doch in 
eenige huizen van de kampong ELasoemba waren nog hardnek- 
kige fanatieke verdedigers achtergebleven , zoodat in sommige dier 
woningen nog een korte doch bloedige strijd noodig was , alvorens 
men zich geheel meester mocht achten van het terrein, en het 
bivak kon betrekken. 

De troepen waren afgemat en uitgeput en hadden zeker de 
duur gekochte rust wel verdiend. De Généraal nam dan ook zoo 
zijne maatr^elen, dat de soldaat de rust, dien hij zoo zeer 
behoefde, in volle veiligheid kon genieten, en betrok zelf den 
kraton in het midden der kampong gelegen, met eenige infan- 
terie, de sappeurs en de halve veld-batterij 6 ponders, onder 
Kapitein R. J. Kellermann , in zijne nabijheid ; niet ver van daar 
in Z. W. richting, werd de rug der stelling gedekt door het 
15* Bataljon Infanterie. 

De nacht was bijzonder donker, want de maan vertoonde zich 
niet en zelfe geen ster schitterde aan den hemel, omdat deze 
zwaar bewolkt was. De duisternis was als 't ware tastbaar, een 
toestand bijzonder geschikt voor overvallingen, vooral voor een 
vijand die met alle wegen en schuilhoeken bekend is, en die 
even als een slang onhoorbaar kan voortsluipen , om den minder 
waakzamen tegenstander te bekruipen en te verslaan. 

De voorposten hadden alle moeite om het voorgelegen terrein, 
dat nog al erg begroeid was , waar te nemen, doch wetende dat 
de veiligheid der in diepe rust zijnde troepen van hunne zorg 
afhing , en zij straks op hunne beurt vol vertrouwen zoude gaan 
rusten, liet de waakzaamheid niets te wenschen over. 

Tegen drie uur in den morgen meende een der schildwachten 
in de struiken voor zijn post iets te bemerken dat zich bewoog, 
en tevens wapengekletter te hooren , waarop hij onmiddelijk een 
schot loste. 

Eensklaps verbrak een ontzettend rumoer de doodelijke nachte^ 
lijke stilte en woedend klonk nu aan alle zijden den schellen aan-^ 



OER ABTILLEBIE R. J. KBLLBBICAN — 1849 207 

valskreet en het woedende krijgsgehuil des vijands, vermengd 
met het knallen van een overstelpend geweervuur, waarvan de 
lichtstralen een oogenblik de duisternis verbraken, even als blik-t 
semflitsen bij een onweder. 

De slimme Balineezen hadden gehoopt den doodelijk afgematteix 
troep gerust in slaap te vinden en hem door de duisternis be- 
gunstigd en door de struiken verborgen te kunnen bekruipen^ 
doch zich nu veiraden en ontdekt ziende , wierpen zij het masker 
af en vielen onverschrokken aan. 

In minder tijd dan noodig was om dit te schrijven, warende 
troepen in de goed gekozen alarmstelling tot verdediging gereed , 
en de strijd tegen de Balineezen , die hen aan alle zijden in 
dichte drommen omringde, was op nieuw ontbrand. 

Alleen de vuurstralen uit 'svijands geweren en zijn woedend 
krijgsgeschreeuw wezen de punten aan, waarop onze troepen op 
goed geluk hunne geweren moesten richten, overigens was er 
niets te zien, slechts tastbare duisternis omringde allen. 

Toen had de vijand de groote onvoorzichtigheid om de woningen 
van de kampong, die binnen zijn bereik waren, in brand te 
steken, zoodat hij zich daardoor in vollen lichtgloed bewoog, en 
de kogels onzer geweren en de kartetsen uit het berggeschut nu 
doel konden treffen en een rijken oogst vonden in de donkere, 
dreigende vijandelijke massa's. 

Het was een verschrikkelijken strijd, slechts door de vlanxmen 
der brandende woningen verlicht, doch zij werd door de onzen 
gestreden , zonder een enkelen kreet te slaken ; bedaard , kalm en 
vastberaden stonden onze liniën als een onwrikbaren muux, zoodat 
de kommando's der Officieren duidelijk konden gehoord worden 
boven den donder der kanonnen en het knetteren van het ge- 
weervuur, en aan onze zijde de salvo's met dezelfde regelmatig- 
heid als op het schietterrein werden afgegeven. 

Bij die gevechten om en in Kasoemba verloor de vijand » voU 
gens ingekomen berichten, 800 dooden en over de 1000 gewonden. 

Hoe goed en doelmatig de stelling der troepen ook gekozen 
was, toch waren er, door de omstandigheden van Ket terrein,. 



i 



206 EDBLlCOEDieB ZKLFOPOFFEBIM& VAN OEN KAPITEIN 

in den loop van het gevecht openingen in de beschermende 
keten ontstaan, waardoor het aan eenige vijandelijke benden, 
door de tastbare duisternis b^;unstigd , gelukte naar het centrum 
door te dringen, doch daar vonden zij de reserve gereed, om 
hen met zwaar verlies terug te werpen. 

Daar meent de Generaal Michiels, wiens oogen overal zoo 
goed mogelijk waarnemend rondblikten, in Zuidelijke richting 
eenige beweging in de niet ver afgelegen boschrand te bespeuren , 
en het flikkeren van wapens in het roode licht dat de brandende 
woningen afwierpen, waar te nemen. 

Hoewel de strijd hoofdzakelijk aan de Noord , Oost- en West- 
zijde van het bivak woedde, was het niet onmogelijk, dat even 
als van die drie zijden, ook vijandelijke afdeelingen aan dien 
anderen kant konden doordringen, waarom hij dan ook aan den 
ICapitein Kellermann last gaf, om eenige kartetsen, waarmede 
zijne kanonnen geladen waren, op dien boschrand en de zich 
daar bewegende benden af te vuren. 

Reeds wilde de Kapitein de noodige kommando's doen, toen 
hij met zijn scherpen blik den boschrand goed waarnemende, 
bijna zeker meent te bemerken , dat het afdeelingen onzer eigene 
troepen zijn, die eene andere stelling innemen. 

Hij beveelt voorloopig met vuren te wachten, begeeft zich 
naar den Opperbevelhebber en deelt dezen zijn vermoeden mede. 

Omringd van zijnen Staf plaatst de Generaal zich bij de vuur- 
monden en na een oogenblik den boschrand waargenomen te 
hebben, hernieuwt hij zijn last. 

In tegenwoordigheid van de aanwezigen herhaalt Kellermann 
met luide stem zijn twijfel, en geeft den Generaal in overweging 
om niet eerder te vuren, dan nadat de naderende massa's uit 
den boschrand gedeboucheerd zullen zijn , zoodat men hen beter 
kan onderscheiden. 

Kalm en ernstig ziet de Generaal den Officier aan, wiens 
«enige plicht het was, om terstond aan de bevelen van zijn Chef 
te gehoozamen, zonder de mogelijke gevolgen van die daad te 
berekenen, een eersten en heiligen plicht van ieder ondergeschikte 



OER ABTILLXBIE R. J. KBLUEBMAKN — 1849 209 

te midden van den strijd, waar de Chef» de leider, de eenige 
verantwoordelijke persoon is. De Cxeneiaal herhaalt nu uitdruk- 
kelijk en op den meest beslisten toon zijn last. 

Toen gebeurde er iets ongehoords» iets dat nog nooit opge- 
teekend was in de annalen van het zoo streng gedisciplineerde 
Indische leger, iets verschrikkelijks, dat allen stom deed staan 
van verbazing en ontzetting» vooral omdat een soldaat van het 
gehalte van Kellermann dit deed» hij die zoo diep doordrongen 
was van de hooge eischen der krijgstucht. 

Terwijl de strijd hevig woedde en alles niet alleen van den 
moed maar ook van de gehoorzaamheid der troepen afhing» weigerde 
de Kapitein Kellermann op den meest beslisten en nadrukkelijken 
toon aan dat bevel te gehoorzamen, en plaatste zich onmiddelijk 
vooraan bij de vuurmonden» om de kanonniers te beletten aan 
een ander bevel dan het zijne te gehoorzamen. 

Dat deed hij met het volle bewustzijn van de gevolgen zijner 
weerspannige daad» want al had hij ook uit goede bedoeling 
gedwaald, onder het vuur des vijands is lijdelijke gehoorzaamheid 
een eerste plicht en de strenge militaire wet straft den over- 
treder met den dood. 

Zwijgend, medelijdend en ontzet staarden allen den moedigen, 
fieren Officier aan» die zich zoo openlijk verzette» waar ge- 
hoorzamen zoo gemakkelijk geweest was» en die door dat verzet 
zich aan een zekeren dood op de gerechtsplaats » zoo niet aan 
eene onmiddelijke straf blootstelde» want ieder kende Michiels 
en wist dat» hoe goed hij ook was, hij zoo*n openlijke inbreuk 
op de discipline niet zou dulden» al moest hij ook den overtreder 
met eigen hand straffen. 

Streng en toornig straalde de blik van den Generaal en on- 
willekeurig greep zijn hand naar de kolf van het pistool. Met 
opgerichten hoofde » beschenen door den rooden gloed der bran- 
dende gebouwen» wachtte Kellermann kalm en onverschrokken 
de beslissing van den strengen Chef af. 

£n ondertusschen woedde de hevige strijd in het duister om 
hen heen en floten de vijandelijke kogels tusschen hen door. 



210 EDBLMOXDieB ZKLFOPOFFBRIN& VAN DKN KAPITEIN ENZ. 

Juist wilde de bevelhebber last geven om den weerspannigen 
Officier gevangen te nemen en te verwijderen, toen een kreet 
van verbazing, maar ook van verlichting aan aller borst ontsnapte , 
want de donkere, onzekere schaduwen der vermeende vijandelijke 
afdeeling deboucheerden nu uit den boschrand op de kleine vlakte , 
en daarbij klonken duidelijk hoUandsche kommando's. 

Het was eene afdeeling van het ly Bataljon Infanterie. 

Op dat gezicht wendde de Generaal Michiels zich geroerd tot 
den braven Kellermann , die door zijne heldhaftige weigering hem 
een bloedigen misslag had bespaard en drukte hem zwijgend en 
dankbaar de hand, met dezelfde hand die een oogenblik te 
voren zoo dreigend naar het pistool greep. 

De beweging was zoo spontaan, zoo vol uitdrukking, dat allen 
die zwijgend en plechtig navolgden, en als slechts één enkel 
woord gesproken ware geworden, zou uit dien groep een juich- 
kreet opgestegen zijn. 

Een oogenblik later zeeg de brave Michiels door een kogel 
doodelijk gewond ter aarde, nog eenlaatsten handdruk wisselende 
met den dapperen Kellermann , die door zijne heldhaftige weigering 
hem de wroeging had bespaard, van zijne eigene soldaten te 
hebben doen neerschieten. 

De onverschrokken Kapitein had door zijn ongeëvenaard 
moedig gedrag, zijne wapenbroeders gered, want de kartetsen 
der 6 ponders zouden vreeselijk in de gelederen gewoed hebben. 

£ere zij de nagedachtenis van den braven R. J. Kellermann, 
die de bijna zekere kans op een smadelijken dood verkoos, boven 
de mogelijkheid om zijne krijgsmakkers , met wie hij zoo roemvol 
gestreden had , te vernietigen door eenvoudig te gehoorzamen aan 
een bevel dat, zooals nader bleek, op eene vergissing berustte. 

Voor dezen veldtocht verwierf hij het Ridderkruis der Militaire 
Willemsorde 4® klasse, terwijl hem later, voor zijn moedig en 
beleidvol gedrag als Luitenant Kolonel bij de eerste Bonische 
expeditie in 1859, het Ridderkruis der 3® klasse in die Orde werd 
toegekend. 



De overvalling van onze versterking te Loemar 

(Wester Afdeeling van Borneo) — 1856. 

En Ijlings snelt en \jlings stort 
£n stuift de drom dooreen , 
En dringt zich langs de laddersport 
Door luik en gaten heen. 

H. Tollens, Het TnrCschip van Breda. 

£r is wellicht op de geheele wereld geen landstreek, waar de 
Officieren van lageren rang en zelfe ook de minder gegradueerde 
militairen meer in de gelegenheid zijn, om in oogenblikken van 
dreigend gevaar, groote geestkracht, beleid en besluitvaardigheid 
te toonen, dan in onze Oost-Indische bezittingen. De bewaking 
van belangrijke posten, tot het in toom houden der omstreken, 
wordt daar dikwerf aan eene geringe macht onder de bevelen van 
jonge Officieren toevertrouwd ; posten die soms op grooten afstand 
van de hoofdplaats of de hoofdmacht gelegen zijn , en waarvan dus 
de kommandanten in moeielijke gevallen zonder dralen moeten 
weten te handelen, daarbij geheel alleen op eigen kracht en 
gezag steunende. 

£n is de aanvoerder gevallen, dan is de eerstvolgende in rang, 
soms een sergeant of korporaal , ja wel eens een soldaat de per- 
soon, die handelend en doortastend moet optreden. 

Dit vertrouwen, in de besluitvaardigheid onzer mannen gesteld , 
is nooit beschaamd! Steeds hebben onze braven getoond, dat 
hoe moeielijk de omstandigheden ook waren, zij zich daarboven 
wisten te verheffen door moed, beleid en trouw, en door snel 
en beslist te handelen, het bewijs wisten te leveren, dat de ver- 
wachting, die men van hen koesterde, gerechtvaardigd was. 

Een doorslaand bewijs daarvan is bij de nachtelijk^ overvalling 
van onzen post te Loemar, Wester Afdeeling van Borneo, de 
dappere hardnekkige verdediging der bezetting en de snelle en 



212 DB OVEBVALLINa VAN OMZB YBBSTEBKINa TE LOSMAB — 1866 

voortvarende handelingen der nabij gelegen postkommandanten , 
zoodat niet alleen in n^en dagen tijds de vijand gestraft en totaal 
verslagen was geworden» maar ook tal van muitelingen gevangen 
genomen» gevonnisd en geëxecuteerd werden. 

De overvalling van onze sterkte te Loemar was een der laatste» 
zoo niet de laatste stuiptrekking van den opstand der Taijkong 
Chineezen in de Wester Afdeeling van Bomeo. 

Onze versterking te Loemar was gelegen aan de Loemar-rïvier » 
in eene vlakte aan den voet van het Sepangsche gebergte, in 
welk gebergte, op ongeveer 20 minuten gaans van onzen post , het 
Chineesche Kongsie-huis gelden was; dit versterkte reduit» de 
verzamelplaats der Chineesche mijnwerkers, was tot nu toe te 
Loemar gespaard gebleven, terwijl het overal elders w^ens de 
onlusten was afgebroken. 

Op een a&tand van 22 paal, dus ongeveer 8 uur gaans ten 
Noorden van Loemar, lag onze postSeminis, door 't Sepangsche 
gebergte daarvan gescheiden, en ten Zuiden, op een afstand van 
vier uur gaans, de versterking Lara, welke beide plaatsen slechts 
langs moeielijk begaanbare wegen te bereiken waren , terwijl eene 
gelijksoortige w^ door het bergachtige, sterk geaccidenteerde terrein 
van Lara naar het ongeveer 35 paal, of zoowat 12 uur gaans, verder 
gelegen Montrado voerde, dat de hoofdplaats der Afdeeling was. 

De versterking te Loemar was eene vierkante redoute, aan drie 
zijden afgesloten door eene palissadeering, terwijl de vierde aan 
de rivier gelegen zijde , geheel open was. Aan de drie beschermde 
zijden, waar zich ook de beide ingangen bevonden, was het 
fort omringd door bebouwde gronden, waarvan de tot manshoogte 
opschietende struiken, de waarneming van vijanden, die de sterkte 
wilden bekruipen, niet alleen zeer moeilijk, maar vooral in 't 
duister, bijna onmogelijk maakte, terwijl nergens de noodige hin- 
dernissen aangebracht waren om de redoute storm vrij temaken» 
wat men onnoodig achtte, daar 's vijands tegenstand geheel 
gebroken was en de opstand gedempt geacht kon worden. 



DB OVEBVALLINa VAN ONZB YBRSTBRKING TE LOEKAB — 1866 21B 

Binnen de redoute stond slechts eene woning, van bamboe 
opgetrokken en met nipah-bladeren (atap) gedekt; deze was in 
verschillende vertrekken verdeeld, die ieder hunne speciale be- 
stemming hadden, als: keuken, logies voor de soldaten, wacht- 
lokaal, magazijn en woning voor den kommandant. 

De bezetting bestond oorspronkelijk uit den Europeeschen ser- 
geant Bos en 15 Inlandsche soldaten, doch sedert Lioe Tsong, een 
der Kongsi- hoofden van de mijnen te Loemar, weder afvallig en 
roerig was geworden en overal onrust stookte, was de sterkte 
der bezetting gebracht op 50 Inlandsche onderofficieren en min- 
deren, benevens een Europeesch sergeant en een Europeesch 
korporaal en het kommando daarover opgedragen aan den Luite- 
nant der Infanterie W. Mekem. 

Wijl het vermoeden gewettigd was, dat de andere Kongsie- 
hoofden in 't geheim in verstandhouding stonden met Lioe Tsong, 
die met eene bende in den omtrek rondzwierf, was door het 
bestuur gelast, om ook het Kongsie-huis te Loemar af te breken , 
evenals overal elders, ten einde te beletten dat de onrustigen 
zich in dat sterke reduit verzamelden; deze opruiming was 
vastgesteld op den 12®° Juni 1856. 

De ijverige en voortvarende Luitenant Mekem had reeds her- 
haaldelijk pogingen in 't werk gesteld , om zich van den persoon 
van Lioe Tsong en zijne bende meester te maken, doch het 
ondoordringbare, boschachtige en geaccidenteerde terrein vol 
schuilhoeken had die pogingen verijdeld, vooral omdat de 
Kongsi, waarmede het oproerige Hoofd in geheime verstand- 
houding stond, hem waarschuwde en hielp. 

Niets gaf er eenige aanleiding toe, om een direct naderend 
gevaar of onheil te vermoeden, want van de ons toegedane en 
zeer getrouwe Inlandsche Hoofden waren steeds geruststellende 
berichten ingekomen. Wel meldde zich des avonds tegen elf uur, 
op den ii«° Jimi, de Chineesche spion, Lie Tjap, bij den Kom- 
mandant aan en berichtte dezen , dat er een plan bestond om den 
post te Loemar onverhoeds te overvallen en de bezetting af te 



214 DS OVEBYALLIMa YAM OMZS VBBSTSBKIKa TB LOEMAB — 1866 

maken, doch de Luitenant Mekem slo^ wegens de andere ge- 
ruststellende berichten weinig geloof aan die waarschuwing, en 
dat vooral ook, omdat hij nog dienzelfden middag persoonlijk 
in het Kongsie-huis was geweest en daar alles in den meest 
vreedzamen staat had gevonden, zonder eenig spoor van de 
agitatie die gewoonlijk dergelijke plannen voorafgaan. 

Daar hij bovendien als degelijk vdd-soldaat de noodige veilig- 
heidsmaatregelen genomen had en waakzaam was, gaf Mekem 
dan ook den spion ten antwoord: <Goed, laat ze maar komen , 
€we zullen ze ontvangen! 

Het was den Luitenant Mekem echter verborgen gebleven, 
dat Lioe Tsong, even voor zijn bezoek in het Kongsie-huis , eene 
vergadering gehouden had met de ontevreden mijnwerkers , waarin 
besloten was, dat de bekruiping en den aanval nog dien nacht 
zoude geschieden ; ook den spion was het vastgestelde tijdstip 
waarop het plan uitgevoerd zou worden onbekend. De vriende- 
lijke, vreedzame ontvangst den Kommandant te beurt gevallen, 
diende slechts om het voornemen zoo geheim mogelijk te houden 
en het komplot des te beter te doen gelukken. 

Tegen twee uur des nachts was de geheele bezetting in diepen rust, 
ook de Kommandant , die nog tot één uur gewerkt had , en zich 
daarna overtuigde dat de schildwachten waakzaam waren. Alleen 
de sergeant Bos, die de wacht had, en de schildwachten waakten. 

Eensklaps viel er een schot, gelost door den schildwacht die 
den oostelijken ingang bewaakte , en daar door eenige Chineezen 
bekropen en aangevallen was, doch die terstond zijn aanvaller 
had doodgeschoten. 

Tegelijkertijd ging er aan alle zijden buiten de versterking een 
moorddadig gehuil op , en poogden de aanvallende Chineezen den 
noordelijken ingang te forceeren, doch ook hier velde de schildwacht 
den eersten indringer en werd dadelijk bijgestaan door den sergeant 
Bos met de wachthebbende soldaten, die daar wel de aanvallers 
afweerden, doch niet voorkomen konden, dat de grootste macht 
der Chineezen elders over de palissadeering naar binnen drong. 

Terstond op het vallen van het eerste schot en het klinken 



DB OTRayALUNG VAM OMZB VBBSTBRXING TB LOBMAB — 1866 215 

van den eersten alarmkreet, is de bezetting te wapen gevlogen» 
om dé voorgeschreven alarmstelling in te nemen, en ook de 
Luitenant Mekem heeft zich dadelijk naar de zijnen gespoed, ten 
einde zijne manschappen te verzamelen, en ijlt daarop het eerst voor- 
uit, om den over de palissadeering dringenden vijand te bestrijden. 

Nauwelijks is hij buiten de kazerne gekomen , of een Chinees , 
een groot tweehandig zwaard zwaaiende, valt op hem aan en 
brengt hem twee vreeselijke en doodelijke wonden toe, zoodat 
hij op de eereplaats, aan het hoofd van zijn troep nederzijgten 
den sergeant fios, die toegesneld is, nog slechts een woord van 
aanmoediging kan toeroepen, alvorens den geest te geven. 

Zijne laatste gedachten waren gewijd aan den hem toever- 
trouwden post, en zijne laatste woorden waren eene opwekking 
tot plichtsbetrachting. Tot op het laatste oogenblik toonde die 
dappere een hoog gevoel van plicht te bezitten! 

Zoo sterft een held !!.... 

Een Inlandsch fuselier heeft wel zijn aanvoerder gewroken, 
door den Chinees met de bajonet neer te vellen, doch tevens 
valt hij ook onder de tallooze slagen van diens makkers. 

Nu zijn allen om den sergeant Bos vereenigd tot een wanhopenden 
strijd t^en de overmacht, die woest gillende op hen indringt, maar 
dapper houden zij onder him nieuwen aanvoerder stand, doch 
niet alleen hebben zij dien gewapenden vijand te bestrijden , maar 
ook het vuur bedreigt hen, want de Chineezen hebben het licht 
brandbare gebouw, als H ware boven him hoofd in brand gestoken. 

De onverschrokken korporaal Kleingeld dit ziende, valt met 
geveld geweer den vijand aan en baant zich een bloedigen w^, 
omdat hij trachten wil den brand te blusschen, doch met vijf 
doodelijke wonden overdekt stort hij te midden der vlammen, 
zijn heldendaad met den dood bekoopende. 

Gedurende dien woedenden strijd van man tegen man herinnert 
de sergeant zich eensklaps, dat zich in het brandende gebouw 
nog twee volle vaatjes buskruit en andere munitie bevinden. 
Terstond ijlt de Inlandsche hoorblazer Partosentiko met de fu- 
seliers Kartosentiko en Singoleksono, niet afgeschrikt door het 



216 DB OTRRYILLINO YAM ONZE VSB8TBBXING TB LOIMAB — 1866 

lot van den korporaal Kleingeld, op den vijand in en dringen het 
brandende gebouw binnen; deze dapperen hebben het geluk die 
ontplofbare stoffen uit den dreigenden vuurgloed te redden en 
allen voor vernietiging te behoeden. 

Hoewel aan alle zijde besprongen, staat 't garnizoen pal op 
zijn post, strijdende te midden van den verzengenden vuur- 
gloed, die de versterking phantastisch verlicht en de bajonetten 
en zwaarden onheilspellend doet flikkeren, maar hen ook in 
staat stelt om den aanrander goed in de oogen te kunnen zien 
en hem met zekerheid te treffen. 

Na eene hardnekkige worsteling, gelukt het de bezetting, voor- 
g^aan door sergeant Bos en telkens verwoed met de bajonet 
aanvallende , den vijand uit de versterking te verdrijven ; deze bleef 
echter nog steeds in den omtrek, de moedige verdedigers met 
zijn vuur bestokende en ook den nabij gelegen passar aan de 
vlammen prijs gevende. 

Eerst toen de dag aanbrak, trok de vijand af en was het de 
bezetting mogelijk het tooneel van den strijd en de verwoesting 
te overzien, de verliezen na te gaan en tevens het hachelijke 
hunner positie te beseffen. 

Behalve den Luitenant Mekem en den korporaal Kleingeld had 
het dappere troepje nog het verlies van drie Inlandsche soldaten , 
die gesneuveld waren , te betreuren , benevens 3 zwaar en eenige 
licht gewonden. Ook de Chineesche spion Lie Tjap , die zoo tijdig 
en zorgvuldig gewaarschuwd had en zijn toevlucht binnen het 
fort zocht, was zeer ernstig gewond. De versterking was een 
puinhoop geworden en met slechts weinig leeftocht was het 
garnizoen verplicht onder den blooten hemel te verblijven, daar 
de overgebleven middelen het slechts veroorloofden om een klein 
afdak te maken voor de verpleging der gewonden. 

Gelukkig leverde de nabijzijnde rivier overvloedig en fnsch water. 

Wel gingen er eenige stemmen op, om met de gekwetsten in 
hun midden op den post te Lara terug te trekken, doch de 
kordate sergeant Bos weigerde beslist. Hij is nu dekommandant 



DB OVBBYALLING YAN 0NZ8 TEBSTEBXING TB LOBMAB — 1856 217 

en al moest hij ook alleen achterblijven, zijn post zou hij nooit 
verlaten, doch hij stemde er in toe dat de Inlandsche fiiselier 
Soedin trachten zoude om door den vijand heen te sluipen en het 
mondeling bericht van het gebeurde , naar Lara over te brengen. 
Ondertusschen regelt de nieuwe kommandant alles voor eene 
actieve verdediging, en laat eene bergplaats maken van uit- 
gegraven aarde, om de geredde mimitie voor nat worden te 
behoeden, want daarop rust, nevens de dapperheid der zijnen, 
het behoud van den post. 

Zoodra de kommandant te Lara bericht kreeg van het voor- 
gevallene, draalde hij geen oogenblik, doch zond terstond de 
Luitenant Hamel met 13 man naar Loemar. Dit was alles wat 
hij in dit uiterste geval missen kon, daar ook de opstand naar 
dezen post dreigde over te slaan. Deze versterking kwam reeds in 
den avond van den 12^^ te Loemar aan. 

Den volgenden dag trad Luitenant Hamel met kracht op en 
viel met een deel der bezetting de Chlneezen aan, die op 150 
pas van de versterking een diepe loopgraaf hadden gemaakt, 
waaruit hij hen met de bajonet verdreef, zoodat het voortdurend 
bestookte garnizoen daardoor eenige verademing kreeg. 

Li den nacht van den 12^ Juni kreeg de Majoor Maubach, 
Militairen Kommandant te Montrado, per vertrouwde ijlbode, 
die allerlei binnenpaden had gevolgd, bericht van het voorge- 
vallene te Loemar, en nog dienzelfden nacht tegen drie uur 
rukte hij derwaarts op, aan het hoofd van eene kolonne sterk 
150 bajonetten en twee mortieren. 

Na een uiterst vermoeienden en inspannenden marsch van elf uur, 
bereikte die kolonne tegen twee uur in den middag van den 13®° Juni 
Soengie Betong, doch daar berichten ontvangende , dat Lara en de 
gemeenschap met dien post ernstig bedreigd werd, zette op zijn last 
de Luitenant Harreveldt terstond met 50 soldaten, die zich vrijwillig 
aanboden , den marsch voort , en deze kwam na een tocht van negen 
uur door een hoogst bergachtig terrein, te midden der duisternis 
te Lara aan. 



218 DB OTRaYALLING TAN OMZB VEBSTBBKING TB LOBMAB — 1866 

Dit laatste detachement was dus 20 uren achtereen op marsch 
langs bijna onb^aanbare paden, door zeer geacddenteerd ter- 
rein en had in dien tijd ongeveer 35 paal of 12 uur gaans a%e- 
legd. O&choon de wensch om hunne makkers bij te staan en 
de lust om met den vijand slaags te raken hen de noodige 
kracht en het groote volhardingsvermogen hadden gegeven tot die 
ontzettende inspanning, zoo is het toch te begrijpen, dat zij nu 
tot het uiterste vermoeid waren; hunne tegenwoordigheid stelde 
echter reeds de Inlandsche Hoofden te Lara gerust, want het 
gerucht , dat ook de Chineesche mijnwerkers te Lara zich bij den 
opstand zouden aansluiten, bleek niet geheel zonder grond. 

Ook de Majoor Maubach draalde niet lang met de rest der 
kolonne, die dan ook den 14®'^ Juni des avonds te Loemar 
aankwam en daar het bivak betrok. 

Even na de kolonne Maubach, in den morgen van den 15^ 
Juni, trok de Luitenant von Koch met een detachement de ver- 
sterking te Loemar binnen, omdat hij, te Siminis in garnizoen 
zijnde en bericht krijgende van den overval te Loemar, terstond 
ter ondersteuning was opgerukt en eveneens zonder rusten den 
moeilijken tocht, over dien afstand van acht uur gaans, in één 
snellen marsch had volbracht. 

Dit beslist en spoedig optreden van alle zijden , maakte den groot- 
sten indruk op den vijand en deze begreep nu dat alle verzet on- 
mogelijk was , waar allen zoo voortvarend en flink waren opgetreden. 

Den 15®° Juni werd het Kongsie-huis te Loemar stormenderhand 
genomen en het lijk gevonden van den hoofdleider Lioe Tsong , 
die bij den overval zwaar gewond zijnde, door de zijnen aan 
zijn lot was overgelaten. 

Dienzelfden dag meldden zich nog 150 gewapende Dajaks 
aan, die terstond gebezigd werden, om, echte woudloopers als 
zij zijn, de opstandelingen in hunne schuilhoeken in H voor ons 
ondoordringbare woud op te zoeken. 

Bij proclamatie werd aan de goedgezinden drie dagen tijd 
gegeven om zich te Loemar te onderwerpen, waarvan echter de 
Hoofden werden uitgesloten. 



DB OTRRVALLINO VAM ONZE YEBSTBBKINO TB LOBHAB — 1866 219 

Den i6®», 17®° en i8®° Juni kwamen allen in onderwerping 
en werden 23 Hoofden gevangen genomen. 

De Luitenant Kolonel W. £. Kroesen >), gewestelijken Militairen 
Kommandant ter Bomeo's Westkust, kwam den 19^ Juni van 
Pontianak te Loemar aan en installeerde terstond den krijgsraad 
om de 23 rebellen te hooren en te vonnissen. 

Van hunne misdaden overtuigd, werden elf ter dood veroordeeld 
en aan de overigen verschillende strenge strafifen opgelegd. 

Terstond verleende de Overste Kroesen als Kommandant te 
velde het fiat executie en den 20®° Juni werden de Elf ter dood 
veroordeelden in het openbaar opgehangen. 

Na de voltrekking van het vonnis sprak de kranige voort- 
varende Overste de troepen toe, prees de verdedigers om hun 
kloekmoedig stand houden en vooral de aanvoerder, de sergeant 
Bos, die in zulke moeielijke oogenblikken zoo flink wist op te 
treden, herdacht het smartelijk verlies dat het Leger in Luitenant 
Mekem leed en zwaaide de verschillende aanvoerders den meest 
welverdienden lof toe, voor hun kordaat, zelfstandig en voort- 
varend handelen. 

In negen dagen tijds was de opstand, die zich zoo dreigend 
liet aanzien, zoo bloedig begon en zoo gevaarlijk had kimnen 
worden, door de voortvarendheid van onze Officieren en de 
flinke volharding onzer brave soldaten geheel gedempt. 

£ere zij de ferme doortastendheid van hen, die tijdig zoo kordaat 
zelfstandig wisten te handelen , al bekleedden zij ook ondergeschikte 
positie's, en vooral £ere zij de ongekende inspanning onzer dappere 
soldaten, die, gehoorzaam aan de roepstem hunner Officieren, bijna 
^t onmogelijke volbrachten, om hunne benarde makkers terhulpe 
te snellen. 

Snel, dapper, en beslist handelen, is eene taak die het roem- 
rijke Indische Leger wel is toevertrouwd. 



^) Later als Luitenant Generaal een der meest verdienstelüke Kom- 
mandanten van het Indische Leger. 



Expeditie naar het Landschap Reteh 

(Oostkust Sumatra) 
door de Kon. Ned. Marine — 1858 

Notre devoir est de bien comprendre notre 
mission et de raccemplir avec fidélité. 

Qaocia Des vertas militaires. 

£en groot deel onzer zegepralen in Nêerland's Indi6 wordt 
behaald door den degelijken en hoog gewaardeerden steun onzer 
brave Marine. Trouw en onversaagd staat zij hare krijgsmakkers 
der Landmacht ter zijde en naast deze weet zij te toonen, dat 
de HoUandschen stam voor geen enkele natie onderdoet in 
dapperheid, zelfverloochening, volharding, didpline, trouw en 
kameraadschap tot in den dood, de eer en grootheid onzer 
naam boven 't eigen leven stellende. 

Het ligt in den aard der krijgsbedrijven van eenigen duur aan 
den wal en meer in 't binnenland, dat, daar waar marine-lan- 
dingsdivisiên aan die krijgstochten deelnemen , het opperbevel en 
de geheele leiding der operatiën aan den aanvoerder der landmacht 
wordt toevertrouwd, omdat de marine troepen, samengesteld uit 
de krijgshaftige mariniers en onze zoo kranige en kordate Jantjes , 
meer geoefend zijn voor den dienst aan boord onzer oorlogs- 
schepen en korte tochten aan den wal, langs de kust 

De taak om den zeeroof tegen te gaan, de brutale wreede 
zeeroovers te tuchtigen en hunne roofiiesten uit te roeien is 
natuurlijk geheel in handen onzer zeemacht , wier landingsdivisiën 
danj in hoogst enkele gevallen versterkt worden door kleine afdee- 
lingen,^^ landmacht, die nu onder het opperbevel der Marine- 
Officieren aan den tocht deel nemen. 

Aan die taak, hoe gemakkelijk die ook schijnt bij opper- 
vlakkige beschouwing, als men de reuzenkracht onzer oorlogs- 
bodems in aanmerking neemt tegenover de lichte en brooze 
vaartuigen der zeeroovers, zijn meestentijds groote gevaren ver- 



EXPEDIÏIB NAAB HBT LANDSCHAP BBTBH — 1868 221 

bonden en eischt die zoowel van de aanvoerders als van de min- 
deren veel dapperheid en volharding, maar ook van de eersten 
een kalm en zeer omzichtig beleid. 

Zoodra toch de zeeroovers de onvermijdelijke machtige rook- 
pluim onzer oorlogsbodems aan den horizon ontwaren en van 
onze zijde zelfs met de beste kijkers en uit den top van den 
mast de kleine rooversprauwen , ware notendoppen, nog niet te 
bespeuren zijn, vluchten zij zoo spoedig mogelijk naar hunne 
goed verborgen roofiiesten terug; deze zijn gewoonlijk beschermd 
door ondiepten en klippen, waar onze diepgaande oorlogsstoomers 
niet kunnen doordringen en met zoo'n grooten voorsprong in hun 
voordeel , weten die licht en vluggebouwde rooversprauwen , hoe 
snel onze oorlogsbodems ook stoomen, zich door de kracht van 
tallooze riemen aan de vervolging te onttrekken. 

Dan wordt de taak der vervolging overgenomen door de lan- 
dingsdivisie. De dappere zeelieden gaan dan in de sloepen over, 
roeien de roovers na en zoeken deze in hunne schuilhoeken op. 

Dikwijls gelukt het hun eenige roofschepen te enteren en die 
prauwen te bemachtigen, doch gewoonlijk niet dan na een hoogst 
verwoeden strijd van man tegen man, want de roovers, geen uit- 
komst meer ziende en zeker van den dood door den strop als zij 
gevangen genomen worden, verdedigen zich wanhopend en met een 
moed eene betere zaak waardig. Maar ook dikwijls heeft de vijand 
zooveel voorsprong, dat hij den tijd heeft gevonden om zijne 
prauwen aan wal op onvindbare plaatsen te verbergen en zich zelf 
in hunne bijna ontoegankelijke holen te verschuilen, zoodat alle 
moeite te vergeefs is geweest, en onze dappere zeelieden, zoo 
tuk om zich met de wreede roovers te meten, ontevreden naar 
het oorlogsschip terugkeeren , bij zich zelf de belofte afleggende , 
^€de volgende maal die sloebers wel te zullen vinden , en 't dan eens 
dunnetjes over te doen /»» eene bedreiging die voor den vijand 
niet te minachten is. 

Dergelijke tochten aan den wal duren gewoonlijk niet lang, 
want de hoogst onherbergzame streken, waar zulke rooversnesten 
gelegen zijn , maken in den regel langdurige operatien onmogelijk. 



222 sxpKDrnB naab hbt landschap bbtsh 

De expeditie naar Reteh tot uitroeiing der zeeroovers , die zich 
daar onder hun Hoofd, den titel voerende van Panglima Besaar, 
gevestigd hadden, maakt eene roemrijke uitzondering op den 
regel; de omstandigheid dat hier de landingsdivisiën van drie 
oorlogsbodems ^ slechts versterkt door een 25tal scherpschutters 
der landmacht onder een Luitenant, eene gehede maand aan 
den wal tegen de zeeroovers opereerden, met gebrekkige hulp- 
middelen in eene zeer moerassige streek veldwerken en batterijen 
daarstelden, door behendige en goed aangevoerde taktische manoeu- 
vres den vijand terug drongen, zijn buitengewoon versterkt en hard- 
nekkig verdedigd roofiiest omtrokken en stormenderhand verover- 
den , en al die werkzaamheden , bewegingen en gevechten bestuurd 
en geleid werden door onze beleidvolle Zeeofficieren, hoe vreemd 
hen die taak ook was, maakt die expeditie tot eene gebeurtenis, 
die nevens andere glorierijke wapenfeiten, in de historiebladen 
van de krijgsgeschiedenis onzer Oost-Indische bezittingen niet 
alleen niet onvermeld mag blijven, maar daarin eene eerste en 
hoogst waardige plaats inneemt. 

Hier in H bijzonder toonde onze brave Marine wat intelligentie , 
wilskracht, volharding en dapperheid zelfs in de moeielijkste 
terreinen en omstandigheden tegen een wanhopig strijdenden, 
overmachtigen vijand vermogen, en overtrof zij verre de verwach- 
tingen, die men van de geschiktheid der marine-landingsdivisie, 
om aan den wal te strijden, gekoesterd had, en zulks door de 
hoogst bekwame en degelijke leiding der aanvoerders en de vol- 
maakte krijgshaftigheid hunner ondergeschikten, waardoor zij in 
zulke, voor hen ongewone omstandigheden, den waren weg wisten 
te vinden. 

De rivier Reteh, die zijn naam aan het landschap geeft, valt 
met drie mondingen op de Oostkust van Sumatra in zee , en heeft 
zijn stroomgebied tusschen dat van de Djambi- en de Indragiri- 
rivier. De noordelijkste monding, Bataparan genaamd , was de best 
bevaarbare en de aangegeven weg om de hooger op aan de 
Reteh gelegen landstreken te bereiken. 



DOOR DB KON. NBD. MABINB — 1868 22B 

Het Hoofd der rooversbende, de zoogenaamde Panglima Besaar, 
was reeds in 1828 door ons gouvernement begenadigd, toen 
hij zich als berucht zeeroover onderwierp , omdat hij deerlijk in 't 
nauw was gebracht , en had toen tevens de toestemming bekomen 
om zich in die streek te mogen vestigen. 

Daar deze kust zoo goed als ongenaakbaar was voor onze 
groote oorlogschepen, en dus eene geschikte wijkplaats aanbood ^ 
had deze geboren zeeroover langzamerhand weder zijn oud 
handwerk opgevat ; gevluchte zeeschuimers en andere uit elkaar 
gejaagde rooversbenden uit de omliggende streken, hadden zich 
bij dat beruchte hoofd aangesloten, zoodat deze gaandeweg eene 
sterke macht onder zich kreeg, die veel kwaad stichtte en waar-^ 
door hij zich zoo sterk gevoelde, dat de Panglima weigerde om 
zich aan het gezag van zijn wettelijk Hoofd , den nieuw gekozen 
Sultan van Lingga, te onderwerpen, openlijk verzet aanstookte 
en nu zelfs in open zee de brutaalste aanslagen bedreef. 

Daar alle pogingen door de zendelingen van het Gouverne- 
ment aangewend, om dat Hoofd dier zeeschuimers andermaal tot 
vrijwillige onderwerping aan te sporen, ijdel bleken en afstuitten 
op den overmoed van den roover, die op zijne macht en de ontoe- 
gankelijkheid zijner schuilplaats vertrouwde, werd besloten om zijn 
gezag door kracht van wapenen te vernietigen en het roofiiest 
uit te roeien, voor dat wellicht eene uitgebreide expeditie noodig 
zoude worden , als hij zijne macht door nog meer misnoegden en 
door gevluchte zeeroovers, waarvan de Riouw-archipel wemelde, 
versterkt had. 

Den 9®° October 1858 vertrok tot dat doel Z. M. Stoomschip 
Soembing van Riouw, op sleeptouw hebbende drie Gouver- 
nements, weinig diepgaande, gewapende Kruisbooten en een I3tal 
oorlogsprauwen van den Sultan van Lingga, aan wien, zooals 
reeds gezegd is, het landschap Reteh leenplichtig was. Deze 
prauwen waren door den Sultan goed van wapens en levens- 
middelen voorzien en bemand met 300 koppen. 

De geheele expeditie stond onder de bevelen van den Kom- 



224 EXPKDITIS NAAR HET LANDSCHAP RBTEH 

mandant van den oorlogsbodem Soembing, den Luitenant ter 
zee I® klasse A. ]. Kroef. 

Wegens het slechte weder waarmede men te kampen had , kwam 
de flotille eerst den I2«° October voor de meest Noordelijke monding 
der Reteh, de Bataparan, doch reeds op den 13®° October waren , 
door eene behendige manoeuvre van den Luitenant ter zee i® 
klasse A. J. van Mansvelt , de beide Zuidelijk gelegen mondingen 
van die rivier a%esloten, zoodat het Hoofd der zeeschuimers, 
die op zoo'n spoedige en beslissende handeling niet gerekend had , 
van een groot deel zijner bende afgesneden was, en daardoor 
nu nog slechts 3 k 400 man bij zich had, terwijl anders zijne 
gezamenlijke macht ruim duizend strijdbare mannen zoude 
hebben bedragen. 

De hoofdvestiging van Panglima Besaar was gelegen op de beide 
oevers van de vrij breede, diepe en snelstroomende Soengie Sampeh, 
een rechter-zijrivier van de Reteh , en wel daar waar de Soengie 
Batang (linker-zijrivier der Sampeh) zich met deze vereenigt 

Op den hoek door deze beide rivieren gevormd, dus op den 
linkeroever der Sampeh- en den rechteroever der Batang-rivier, 
zoodat de eerste langs de Westelijke en de laatste langs de 
Zuidelijke face der versterking stroomde, had hij een groot en 
goed bewapend fort gebouwd, welks geschut de beide rivieren 
en het voorliggend terrein geheel bestreek, in verband met eene 
kleinere versterking op den rechteroever der Sampeh , tegenover de 
monding der Batang-rivier; twee roo verschepen, die eveneens 
van geschut waren voorzien, waren tusschen de beide versterkingen, 
in het midden der Soengie Sampeh geankerd. Bovendien was de 
nadering langs de Soengie Sampeh zeer moeilijk gemaakt door een 
drietal van ingeheide boomstammen vervaardigde versperringen. 

De aanvoerder der expeditie stevende met zijne geheele landings- 
divisie in de gewapende sloepen der Soembing, benevens dege« 
wapende Kruisprauwen en eenige Inlandsche vaartuigen der 
hulptroepen de Bataparen in en kwam daarmede weldra in 't 
gezicht der vijandelijke stelling. 



DOOB DB KON. NED. HABINB — 1868 22& 

Bij eene op den 14^ October gemaakte verkenning bleek 
hem, dat het terrein waarop geageerd moest worden, ten Oosten 
der Sampeh- en tèn Zuiden der fiatang rivier, door tallooze 
stroompjes en waterloopen doorsneden werd, bij elk springtij 
geheel onder water liep en dus zeer moerassig was, zoodat men 
bij eiken pas soms tot aan de knieën in den modder zakte, 
terwijl de plantengroei hoofdzakelijk uit Risophoren bestond. 

Daar het terrein vele moeielijkheden opleverde , werden de eerst- 
volgende dagen besteed om de flottille verder stroomopwaarts te 
brengen en toen deze den i8«" October tot op een kanonschots 
afstand der vijandelijke stelling gekomen was , deed de Komman- 
dant Kroef eene nieuwe verkenning, welke de vijand wel trachtte 
te verhinderen, doch diens aanval werd zoo duchtig afgeslagen , dat 
de roovers met achterlating van drie dooden op de vlucht sloegen. 

Uit deze laatste verkenning bleek echter, dat de positie des 
vijands in verband met het terrein bijzonder sterk was en dat 
de werkelijke aanval eerst plaats kon hebben, als de aanvals- 
kolonne de diepe, ondoorwaadbare en snelstroomende Soengie 
Batang, bovenstrooms was overgestoken, eene beweging die de 
vijand zeer gemakkelijk, zoo niet verhinderen, dan toch ten 
zeerste kon bemoeilijken en ons groote verliezen berokkenen. 

Daar op de Maleische hulptroepen niet te rekenen viel en 
alleen een 70tal Boegineezen voor 't gevecht naast de landings- 
divisie in aanmerking kwamen, was de Kommandant van oordeel 
dat zijne macht tot het bereiken van het doel te zwak was, 
waarom hij aan den eersten Officier der Soembing last gaf, met dien 
stoomer naar Riouw terug te keeren om zoowel versterking aan 
combattanten, als eene groote aanvulling van munitie en projec- 
tielen voor de vuurmonden te halen. 

In afwachting van de komst dier gevraagde versterking rustte 
men niet, doch bereidde alles voor, om, zoodra het gevraagde 
aankwam, met aüe kracht te kunnen optreden, enjook om te 
2orgen , dat de aan den wal tegenover den vijand staande afdee- 
deelingen , behoorlijk tegen diens aanhoudende aanvallen en ver-r 

rassingen beschermd waren. 

15 



226 BXPBDirnB naar hbt landschap bbtbh 

Bij dit werk waren echter ontzettende bezwaren te overwinnen , 
want vóór dat eenige versterking of batterij opgericht kon wor- 
den, moest den weeken, modderigen bodem, zoowel voor het 
emplacement daarvan, als voor de wegen tot aanvoer van al 
het benoodigde, met rijshout gedempt worden, om eenigen 
stevigen grondslag te verkrijgen en toch bleef de bodem zoo 
week, dat de mannen voortdurend in den modder rondplasten, 
zoodat het een eerste vereischte was, om verhoogde ligplaatsen 
aan te brengen, ten einde ten minste de troepen in staat te 
stellen om te kmmen rusten. 

Niettegenstaande dien zwaren, erg vermoeienden en zeer on- 
gezonden arbeid , waarna dikwerf nog aan rusten niet te denken 
viel, door de overtalrijke muskieten die het slapen verhinderden , 
niettegenstaande de groote hitte over dag en de kille vochtige 
temperatuur des nachts, vergezeld van de voor de gezondheid zoo 
nadeelige moerasuitwasemingen, niettegenstaande de uiterste inspan- 
ning en volharding die van onze brave marine soldaten en matrozen 
geeischt werd, bleven allen, aangemoedigd en met voorbeeld 
voorg^aan door hunne beleidvolle Officieren, vroolijk en opge- 
wekt Niemand toonde moedeloosheid en zij die zich ongesteld 
gevoelden, wisten hunne lusteloosheid te overwinnen, want het 
grootste feest dat onze dappere Hollandsche Jongens kenden, 
een handgemeen met de roovers waarnaar zij zoozeer verlangden, 
was in 't vooruitzicht 

Ten einde te beletten dat de vijand door het stroomafwaarts 
zenden van branders of brandende vlotten de flotille kon bena- 
deelen, werd eene sterke ankerketting dwars over de rivier 
gespannen en in het midden door zware boeien even boven de 
wateroppervlakte drijvende gehouden. 

Intusschen ontmoette Z. M. oorlogsstoomer Padang, Lui- 
tenant ter zee i® klasse A. W. Keuchenius, het stoomschip 
Soembing en vernemende wat zijne zending was, deed deze 
Officier terstond 30 matrozen en mariniers van dien bodem, in 
eenige sloepen onder den Luitenants ter zee i* klasse K. C. 



DOOR DB KOK. IHED. MARINIB — 1858 227 

Bunnik en L. F. H. Tuckermann de rivier opvaren , om zich bij 
de expeditionaire kolonne te voegen. 

De vijand liet ondertusschen de arbeiders niet met rust 
Den 27®° October gelukte het aan een 8otal zeeschuimers onze 
versterking, die op dat oogenblik door een 7otal Boegineezen 
bewaakt werd, te bekruipen zonder gezien te zijn, beschermd 
als de aanvallers waren door het zwaar begroeide terrein. De 
roovers drongen woest naar binnen, doch de Boegineezen hielden 
moedig stand, tot dat Janmaat, alles in den steek latende, op 
het gerucht van den strijd ter hulpe snelde en den vijand ver- 
joeg, die 14 dooden in onze handen liet. De Boegineezen hadden 
5 hunner in den strijd verloren. 

Den 30®° October hadden de roovers de aangelegde batterijen 
in een wijden kring omgetrokken en beproefden een aanval in 
den rug, doch ook deze poging werd bloedig afgeslagen. 

Eindelijk kwam de verwachte versterking den i®" November 
aan, bestaande uit de i® Luitenant der Infanterie M. N. Niessen 
met 25 uitgelezen scherpschutters en een Officier met 40 mariniers 
en matrozen van Z. M. oorlogsbrik de Haai, onder de orders 
van den Luitenant ter zee 2* klasse W. J. Scholten van Aschat, 
benevens een grooten voorraad ammunitie. 

Van af den 4®° November, toen alles voor den beraamden aanval 
opgesteld was, werd een geregeld bombardement op de vijandelijke 
stelling onderhouden uit twee lange zesponders, een drieponder 
en drie mortieren, die met ongeloofelijke moeite door het moe- 
rassige terrein naar de batterijen waren gesleept en opgesteld. 

De richting werd aangegeven door waarnemers in hooge boomen 
geplaatst, die tevens de uitwerking der schoten observeerden. 

De aanval werd vastgesteld op den 7®° November en zou op 
de groote versterking geschieden Onder de orders van den 
Luitenant ter zee i® klasse Bunnik; die aanvalskolonne was 
samengesteld uit: 

40 man van de Haai, onder den Luitenant ter zee 2® klasse 
Scholten van Aschat, 



228 SXPEDinB NAAR HBT LANDSCHAP BBTEH 

30 man van de Padang, onder den Luitenant ter zee 2<^ klasse 
Tuckermann, 

30 man van de Soembing, onder den Luitenant ter zee 2^ 
klasse Jhr. G. A. Tindal, en 

25 scherpschutters onder den Luitenant der LiÜEuiterie Niessen , 
benevens 40 Boegineezen en 150 Maleiers, op welke laatsten 
echter niet te rekenen viel en die meer bij de kolonne waren inge- 
deeld als helpers om terreinhindemissen te helpen overwinnen. 

De kleine versterking en de rooversprauwen zouden tegelijkertijd 
onder vuur genomen worden door de kruisbooten , onder den 
Luitenant ter zee 2® klasse Jhr. C. H. O. Heemskerk van Beest, 
die tegelijkertijd de onder het bereik van 'svijands kruisvuur 
liggende versperringen moest trachten te doen opruimen en 
zoo ver mogelijk tot nabij de rooversprauwen, de SoengieSampeh 
opvaren, deze prauwen trachten te nemen en verder den aanval 
van de landzijde gedaan, te steimen. 

Een sprekend bewijs voor de groote energie der troepen en 
de vindingrijkheid der Officieren is de omstandigheid, dat aan 
de aanvalskolonne een houwitser op scheepsaifuit was toegevoegd , 
en die vuurmond , geplaatst op een klein Inlandsch prauwtje als 
slede, door den modder en tusschen het struikgewas heen door 
de matrozen moest voortgetrokken worden naar de plaais van 
aanval , waar dit kanon toen zeer goede diensten bewees. Ook de 
prauwen, om de diepe Soengie Batang over te gaan, en zoo 
door eene omtrekkende beweging in 'svijands rug te komen, 
werden door de Maleische hulptroepen op dezelfde wijze naar 
het pimt bovenstrooms van de Soengi Batang gevoerd, waar de 
overtocht zou geschieden. 

Terwijl de artillerie nu zoowel van de land- als rivierzijde een 
hevig bombardement onderhield, rukte de aanvalskolonne zoo 
bedekt mogelijk vooruit en werkte zich snel door het moeras en 
struikgewas , stak zonder eenige hinderpaal te ontmoeten de Soengie 
Batang over en verscheen reeds aan den rand van hetboschop 
150 pas van de achterzijde der vijandelijke versterking, voordat 
zij door den vijand opgemerkt werden, die nu in alle haast te 



DOOB DE KON. MED. MABIME — 1868 229 

wapen liep en een zoo goed onderhoudend geweervuur opende, 
dat de onzen terstond acht zwaar gekwetsten telden. 

Op dat oogenblik hield het bombardement op de groote ver- 
sterking op en werd met dezelfde kracht op het kleine fort en 
de rooversprauwen voortgezet, die niet nalieten dat vuur te 
beantwoorden. 

Nadat, tengevolge van het door de aanvals-kolonne geopende 
tirailleurvuur, 's vijands schieten verminderde en de troepen lang- 
zamerhand naderbij gekomen waren, vonden de Jantjes dat 't 
vuren nu lang genoeg geduurd had, belust als zij waren om er 
met de bajonet of den kortjan op in te gaan; de aanvoerder gaf 
het sein tot stormen, nadat hij zelf tot op 50 pas der verster- 
king, onder een moorddadig vuur de stelling verkend had en 
daarna had vastgesteld , dat de poort het punt van aanval zoude zijn. 

Juichend stormden de aanvallers onweerstaanbaar voorwaarts; 
vooruit de Luitenants ter zee Scholten van Aschat, Tuckermann 
en Tindal , die in één aanloop over de 1 1 Meter breede en diep 
ingesneden gracht sprongen, onmiddelijk gevolgd door den Infan- 
terist G. de Wolflf en den matroos J. F. C. Hanschen, die 
dadelijk trachtten omdesteilepalissadeering te beklimmen, waarbij 
echter Wolflf door een lanssteek zwaar gewond naar beneden 
stortte en ook de Luitenant Scholten terug moest om een klewang- 
houw te doen verbinden. 

De Matroos Hanschen heeft onderwijl de geliefde driekleur 
naast de poort geplant, doch de Luitenant Tindal plaatst de vlag 
boven op de palissadeering onder een luid Hoera der aanvallers 
en weet ze daar te houden, trots de pogingen des vijands om 
hem te verdrijven. 

De Luitenant ter zee i® klasse Bimnik is aan 't hoofd van 
een deel der stormkolonne naar de poort gesneld, waar Janmaat 
terstond middels de enterbijlen beproeft binnen te dringen. 

Ondertusschen doet de vijand uit eene tweede uitgang een 
aanval op de rechterflank der stormkolonne, waarop de Luitenant 
Bunnik aan het hoofd der reserve de vijandelijke aanvallers te 
gemoet trekt en met verlies terugdrijft. 



230 BXPXDITIE NAAR HBT LANDSCHAP BBTEH 

Deze dappere en beleidvolle aanvoerder is bijna overal 
t^enwoordig, alles ziende, alles voorkomende en allen met zijn 
voorbeeld bezielende. Als door een wonder bleef hij gespaard 
voor verwonding, hoezeer reeds getroffen door een lanssteek en 
drie kogels, die wel horloge, sigarenkoker of vuurdoosje verplet- 
teren of doorboren, doch hem geen letsel aanbrengen, terwijl 
bovendien het gevest van zijn sabel door een matten lilla- 
kogel platgedrukt was. 

Ook de linkerflank werd ernstig aangevallen, doch daar bevond 
zich de dappere Luitenant der Infanterie Niessen , die den over- 
machtigen vijand wist te verdrijven. 

Inmiddels is de poort voor de enterbijlen der kranige matrozen 
bezweken en is Tuckermann met de zijnen naar binnen gesneld , 
gevolgd door de dappere Luitenant Scholten, die, na zijne wond 
in der haast zoo goed mogelijk verbonden te hebben, zich 
weder bij de aanvallers had gevoegd. 

£r volgt een kort maar hevig gevecht met bajonet en enterbijl , 
tegen lans en klewang, waarbij de dappere zeelieden toonen 
dat zij hunne wapens op meesterlijke wijze weten te hanteeren; 
wat niet afgemaakt of gewond wordt neemt de vlucht , achtervolgd 
door de strijdlustige Jantjes en bestookt door de kogels der 
ondertusschen dichtbij gekomen kruisprauwen, die door hun vuur 
ook de bezetting der rooversschepen en van de kleine versterking 
hadden verdreven. 

De sterke stelling des vijands was in i J uur tijds in onze handen , 
de driekleur werd met een luid Joelen ten top geheeschen en 
de stukken vernageld, maar 't was ook hoog tijd, want de 
medegenomen voorraad patronen was zoo goed als verbruikt. 

Des avonds toen 't duister was, deed eene sterke bende zee- 
schuimers nog wel pogingen om de versterking binnen te dringen, 
doch door het in brand geraken eener woning , kregen de dappere 
zeelui licht bij den arbeid en toen was \ spoedig met den vijand 
gedaan, hoewel dat korte doch heete gevecht ons nog een onder- 
officier kostte, die den heldendood stierf te midden des vijands , 
en twee gewonden. 



DOOB DE KON. NBD. ICABINE — 1858 231 

Bij den aanval zelf verloren de troepen i doode en i8 ge- 
blesseerden, waarvan 7 kort daarop aan hunne wonden bezweken. 
De vijand liet 70 dooden en vele zwaar gekwetsten in de ver- 
sterking achter, waaronder ook hun Hoofd de Panglima Besaar , 
die spoedig aan zijne talrijke wonden bezweek. 

Hoewel het slechts zeeschuimers waren, moest erkend worden, dat 
zij buitengewoon dapper weerstand geboden hadden, maar hoe 
overmachtig ook en hoe goed ook door wallen beschermd, wisten 
onzen dapperen de overhand te behalen, want hoewel weinig 
in aantal, overtroffen zij den vijand in onstuimigen moed, 
doodsverachting en discipline. 

Behalve 40 gevangenen , werden nog buit gemaakt 26 stukken 
geschut van verschillend kaliber, 18 liila's, honderd geweren, tal 
van buksen, donderbussen , klewangs, lansen enz. en de beide 
nog in goeden staat verkeerende rooversschepen. 

Na de sterkten geslecht te hebben, verliet de kolonne den 
i^en November het tooneel harer krijgsbedrijven, waardoor onze 
kranige marine een heerlijken lauwer voegde bij de velen die zij 
reeds bezat, door daden waarop allen met trotsch konden 
terugzien en vooral de leider van het geheel, door wiens 
beleid de moed der zijnen tot zijn recht kwam. 

Ontzettend waren de bezwaren geweest, talrijk waren de ver- 
liezen, velen waren ziek tengevolge van het hoogst ongezonde 
terrein en de geleden ontberingen, doch heerlijk was de belooning 
die Z. M. den Koning den dapperen schonk. 

Naast de Luitenant ter zee i®*« kl. A. J. Kroef , dien voor 
zijn beleid en dapperheid achtereenvolgens benoemd werd tot 
Ridder der Militaire Willemsorde 4* en 3* klasse, deelden velen 
in de onderscheiding om het Ridderkruis dier Orde te ontvangen, 
maar ter herinnering aan dit beroemde en schitterende wapenfeit 
onzer heldhaftige marine bepaalde de Koning, dat het Schroef- 
stoomschip 4® klasse , in aanbouw op 's Lands werf, den naam 
Sprinkhaan zou veranderen in Reteh , de naam van het landschap 
waar onze brave marine zich zoo heldhaftig en kranig deed 
gelden en zoo waardig de landmacht verving. 



Eene bloedige arrestatie te Soengie Malang 

(Zuid- en Ooster Afdeeling van Borneo) — 1860 

Het lurqgSYaiir dooft, de brand gaat ait, 

En 't schiiktooneel wendt af, 

Maar de eerkroon , niet aan 't zwaard ten bult , 

Omtnilt het heldengraf. 

H. Tollens, Jan van Schaffelaar. 

In de Indische oorlogen tegen opgestane landstreken die ons 
gezag erkenden, oorlogen die van onze zijde, in zooverre men 
dit van oorlogen zeggen kan, zoo humaan mogelijk gevoerd 
worden , is een der meest geduchte gevaren de woord- en trouw- 
breuk van den vijand en zijne verregaande onmenschelijke wreed- 
heid tegenover hen, die in den openlijken strijd ongelukkig in 
zijne handen vallen, eene wreedheid die aan 't ongeloofelijke 
grenst 

Voortdurend moeten onze troepen tegen laag verraad van den 
vijand op himne hoede zijn, niet alleen van hen die openlijk 
t^en ons de wapens voeren, maar ook van personen die zich 
aan ons onderwierpen , of zich naar onze eischen schikten , doch 
die geene gelegenheid voorbij zullen laten gaan om het door die 
onderwerping gewekte vertrouwen te schenden en hunne moord- 
lust in blinde woede bot te vieren, als zij de kans daartoe 
gunstig achten. 

Dit wetende, nemen de aanvoerders onzer troepen zich ook 
altijd in acht, doch als beschaafde oorlogvoerenden vermijden 
zij dat wantrouwen te doen blijken, door al te merkbaar maat- 
regelen tegen verraad te nemen, juist om vertrouwen in onze 
welwillendheid op te wekken; daardoor gebeurt het menigmaal 
dat velen het slachtoffer zijn eener onverwachte uitbarsting en 
menig bloedbad daarvan 't gevolg is, als de laaghartige woord- 
breukige vijanden den onzen vriendelijk glimlachend de eene hand 



KBNB BLOBDieS ASBBSTATIB TB SOENeiB MALAKG — 1860 28S 

reiken en met de andere verraderlijk het verborgen moordwapen 
trekken, waarmede zij den doodeiijken slag toebrengen , of wel zij 
komen als vreedzame kooplieden en vrienden in de leerplaats 
en verkoopen of schenken vergiftigde levensmiddelen eniekkemeien. 
Hoe dikwerf dat ook voorkomt, toch blijft de handeling der 
onzen altijd ridderlijk en waardig t^enover den zich onderwer- 
penden of gevangen genomen vijand. 

De Kapitein van Oijen , Militairen Kommandant en waarnemend 
Assistent Resident te Amoenthaij (Bandjermasin , Z. O. Afd. 
van Bomeo) had bericht ontvangen, dat een aantal dweepzuch- 
tige en tot den dood gewijde priesters onder 't mom der 
vriendschap zouden trachten binnen de versterking te komen om 
dan, als de gelegenheid gunstig was, op een teeken van den 
aanvoerder de verborgen wapens te tirekken, amok te maken, en 
van het geen kwaad vermoedende garnizoen zooveel mogelijk 
menschen om te brengen. 

£en himner, Hadji Abdoellah, had een kogelwond aan het 
bovenbeen en bevond zich met andere saamgezworenen nabij 
Amoenthaij , in eene woning te Soengie Malang. 

Nadat een geheim onderzoek door spionnen en verklaringen 
van gevangen genomen vijanden die berichten bevestigd hadden, 
besloot van Oijen zijne belagers vóór te zijn en te trachten die 
op moord en verraad beluste priesterbende op te lichten, of 
althans het hoofd Hadji Abdoellah gevangen te doen nemen of 
onschadelijk te maken. 

Daartoe deed hij eene keuze onder zijne beste, kranigste en 
dapperste Officieren , onderofficieren en minderen en wees tot aan- 
voerder dier keurbende aan, den i® Luitenant J. T. A. van Emde. 

Naast Officieren als de Majoor Koch, de Kapiteins , van Oijen , 
SchifF, van der Heijden en Rhode, de Luitenants, Man, van Sorgen, 
van Haaften, Hojel en zoovele andere kranige, doortastende 
onderaanvoerders in den langdurigen oorlog op Bomeo's Zuid- en 
Ooster afdeeling, waar altijd met betrekkelijk geringe troepen- 
afdeelingen geageerd werd en kleine patrouilles den vijand onver- 



234 KBNS BLOBOIGB ABBK8TATII TE SOBN&DB MALANG — 1860 

poosd en onvermoeid nazetten en opspoorden, was van £mde 
een der meest geachten, wiens onwankelbaren moed, helder 
doorzicht, groote geestkracht en doelmatig besluit onder alle 
omstandigheden, hem voor alJe moeielijke en gevaarlijke onder- 
nemingen de meest geschikte en gewenschte aanvoerder maakten, 
omdat alle minderen, vol vertrouwen in zijne leiding, zich reeds 
bij voorbaat van den goeden uitslag der onderneming, hoe 
hachelijk ook, verzekerd hielden. Onder van Emde's aanvoering 
was elk soldaat dapper, volhardend en onweerstaanbaar, sterk 
door het vertrouwen in den aanvoerder. 

Den 13*** September 1860 was van Emde met Luitenant 
Verspyck van een tocht teruggekeerd, die hij den iS*** Augustus 
te voren begonnen was, waarin hij na aanhoudenden strijd over- 
winnend den vijand voor zich uitgedreven had, en dwars door 
het meest onbegaanbare terrein vol hindernissen, moeielijkheden 
en hinderlagen Tabalong en Ringkau-Kattan met een handjevol 
dapperen had ontzet. 

Nu in den vroegen morgen van den 15*° September 1860, 
dus even 24 uur later , stond hij weder gereed , om met de Luite- 
nants, T. M. Verspyck en Jhr. J. H. C. van derWijck, benevens 
60 onderofficieren en manschappen de gevaarvolle opdracht naar 
Soengie Malang te ondernemen. 

Gevaarlijk, hoogst gevaarlijk was die tocht, omdat men zoo 
geheim mogelijk en zonder schijnbaar vijandige bedoeling, die 
als woeste roofdieren handelende opstandelingen moest beproeven 
te overvallen , en zoo vreedzaam mogelijk in hun hol moest trachten 
door te dringen. Door machtsvertoon en overreding moest men 
pogen de gevaarlijke sujetten meester te worden , of althans vooral 
den aanvoerder bewegen vrijwillig mede te gaan ; elke overhaaste 
handeling moest vermeden en elke daad van openlijk geweld zoo 
lang mogelijk uitgesteld worden, want daardoor zou de tocht zoo 
goed als zeker mislukken en de bandieten in de bijna ontoe- 
gankelijke bosschen ontkomen. 

Met het oog daarop was het doel der patrouille alleen aan de 
Officieren bekend gemaakt en overigens geheim gehouden. 



KBNS BLOBDIQB ABRBSTATIB TB 80BN0IB MALANO — 1860 235. 

Eerst toen des morgens de kleine kolonne tot den afmarsch 
gereed was, werd den manschappen daarvan mededeeling gedaan , 
doch toen betrok het gelaat van die in den oorlog zoo geharde 
en aan de grootste gevaren gewende krijgers en kreeg een emstigen 
plooi , want een openlijken eerlijken strijd schroomden die dapperen 
niet, maar zij wisten dat in die geheime tochten en 's vijands 
schijnbare onderwerping het grootste gevaar schuilde en dat als 
er dan onverwacht weerstand geboden werd, de strijd buiten- 
gewoon wanhopig, bloedig en hardnekkig zoude zijn, daar het 
dweepzieke priesters waren die opgelicht moesten worden te midden 
himner gewapende volgelingen , die deze getrouwen tot den meest 
roekeloozen strijd op leven en dood weten aan te vuren door 
hunne schijnbare heiligheid, die onkwetsbaarheid kon verleenen en 
dat die priesters zelf in dat uiterste geval hun leven ten duurste zou- 
den verkoopen , een leven dat zij reeds bij voorbaat aan de Heilige 
zaak hunner Godsdienst gewijd hadden in den strijd tegen de 
«kafirs», de «Christenhonden». 

Maar één blik op het kalme, opgewekte gelaat van van £mde , 
die, hoewel de ernst van den toestand ten volle beseffende, 
onvervaard en kalm als altijd zijne maatregelen nam en zijne 
bevelen gaf, wekte allen weder op, overtuigd als zij waren, dat, 
nu van £mde met de leiding belast was en hij bijgestaan werd 
door die Officieren , het succes zeker geacht kon worden en allen 
betrekkelijk veilig het gevaar onder de oogen konden zien. 

De troep werd in drie afdeelingen verdeeld, elk door een der 
Officieren aangevoerd en op een veelzeggenden wenk van den 
aanvoerder werd den marsch zwijgend aanvaard, zonder dat een 
kommando klonk , een trom geroerd of een hoorn geblazen werd. 
Beslist en vol vertrouwen ging de troep welgemoed als naar ge- 
woonte zijne gevaarlijke taak te gemoet 

Zoo stil mogelijk ging men voorwaarts, zelfs het rammelen der 
wapens vermijdende en weldra was de troep geleid door den 
gids in het beschuttende woud verdwenen, een bijna onzichtbaar 
pad volgende. 

Van £mde marcheerde zelf met den gids aan de uiterste spits 




236 EENB BLOEDieS ABSBSTATIE TB SOBNeiX MALANO — 1860 

der kolonne, zoodat allen de zekerheid hadden, dat de beleid- 
volle ondervindingrijke aanvoerder zou zorgen dat niets nage- 
laten werd om den goeden uitslag te verzekeren, want allen 
kenden hem en wisten dat hoe dol koen hij ook zijne soldaten 
in den strijd voorging, hij toch alles zag en hem niets ontging 
om tijdig maatregelen te nemen, ten einde de dappere mannen 
die hij in het vuur bracht, ook weder uit het gevaar veilig terug 
te brengen. 

Tegen acht uur meldde de gids dat men het doel van den 
tocht, Soengie Malang, genaderd was en weldra stuitte de spits 
op vier goed gewapende inlanders, die een voorpost schenen te 
vormen op ongeveer 300 pas van de woning, waar de gezochte 
Hadji Abdoellah eene schuilplaats had gevonden. 

Op hoogen brutalen toon vro^ hij , die blijkbaar het Hoofd was 
van dien post, wat de troepen daar kwamen doen en wie hen 
verlof gegeven had , om op die wijze in de kampong Soengie Malang 
door te dringen. 

Van £mde, gelukkig zelf tegenwoordig en door zijn distinctief 
als Luitenant goed kenbaar in dien rang, beantwoordde die 
vragen, door op kalmen, fermen en beslisten toon den vrager 
onder \ oog te brengen, dat zijne houding hoogst onbetamelijk 
was en hem zijne verontwaardiging te doen kennen over zijn onbe- 
hoorlijk gedrag en zijne verregaand brutale houding tegenover 
een Hollandsch OflBder. 

Dit optreden maakte hem terstond demoediger. Hij deelde nu 
in beleefde termen mede, dat hij Hadji Joessip heette en zoowel 
als Hadji Singat, die zich bij hem bevond, een zoon was van 
Hadji Abdoellah, een getrouw en waardig dienaar van het Hol- 
landsche Gouvernement; dat de beide anderen himne volgelingen 
waren en dat zij waakten voor de rust van hunnen beminden 
vader, omdat deze ziek in zijne woning lag, daar hij zich bij 
ongeluk aan een klewang had verwond. 

Ten einde onraad te vermijden en list tegenover list te stellen , 
werden deze personen niet gearresteerd , want dit zou eene wor- 



SBNB BLOBDIOB ABBBSTATIB TB SOBNGIB MALAN& — 1860 237 

Steling ten gevolge gehad hebben, waardoor de anderen gewaar- 
schuwd zouden worden en gelegenheid zouden hebben gehad, 
met het Hoofd te ontvluchten en in het nabij zijnde diepe woud 
te verdwijnen. 

Van Emde verzocht de beide zoons met hunne volgelingen naar 
de woning van hun vader , Hadji Abdoellah , te gaan en hem te 
zeggen, dat de Assistent Resident, de Kapitein van Oijen , reeds 
gehoord had dat deze ziek en hulpbehoevend was en daarom 
besloten had hem naar de woning van den Inlandschen Regent 
te Amoenthaij te doen overbrengen, zoodat de OflBcier van 
Gezondheid hem kon behandelen en genezen, daar het toch 
onmogelijk was, dat deze zich daartoe dagelijks naar Soengie 
Malang begaf en 't Gouvernement er bovendien zeer veel prijs 
stelde op het behoud van getrouwe hoofden als Hadji Abdoellah. 
Ten einde den tocht gemakkelijk te maken, had men zel£s 
eene doelmatige draagbaar mede genomen en waren de soldaten 
aangewezen om voor de veiligheid van het waardige Hoofd 
te zorgen en mogelijke hinderpalen van tegenstanders uit den 
weg te ruimen. 

Zooals van £mde op een toon van gezag gevraagd had, ge- 
schiedde. De Inlandsche patrouille begaf zich naar de woning, 
en langzaam en zwijgend volgde de kleine kolonne hen; 
gaandeweg vermeerderde het aantal zwaar gewapende volgelingen 
der beide zoons, zoodat de troep Inlanders, bij de woning ge- 
komen, reeds tot Elf was aangegroeid. 

Gedurende dien opmarsch had van Emde de volgende be- 
schikkingen genomen. 

Luitenant Verspijck moest, bij de woning aangekomen, met zijn 
peloton van twintig man doormarscheeren en zijne manschappen 
zoodanig €en tirailleun^ opstellen , dat hij de voor- en rechterzijde 
van den omtrek der woning bezette. 

Luitenant van der Wijck zoude met zijne 20 bajonetten het- 
zelfde doen, wat betreft de linker- en achterzijde der woning. 

Deze bezettingen hadden in last onder geen voorwendsel en 
wat er ook gebeurde, zonder bevel hunne stellingen te verlaten^ 



238 KBME BLOKDI&B A&RB8TATIB TB SOBNeiB MALAN& — 1860 

ten einde steeds t^en ontvluchting te waken, en elk verzet of 
aanval van buitenaf met kracht van wapenen te keer gaan. 

De woning waarin de priesters en dus ook Hadji Abdoellah ge- 
huisvest waren, was een gewoon Dajaksch verblijf, van hout en 
op palen hoog boven den grond opgetrokken, met eene lange 
doch betrekkelijk smalle voorgalerij. Daar men onder de woning 
kon doorzien en deze aan de vier zijden bewaakt werd , was elke 
ontsnapping onmogelijk. 

Met 15 van de 20 bajonetten die hen overbleven, zoomede 
eenige inlandsche politiedienaren , volgde van £mde de beide 
zoons van den hoofdzamenzweerder in de voorgalerij, terwij 5 
soldaten achterbleven bij de draagbaar, die voor de trap der 
woning werd neergezet 

Behalve de soldaten en de 11 gewapende Bandjereezen , die de 
kleine kolonne voorafgegaan waren, bevonden zich nog vier 
vrouwen in de voorgalerij, die echter spoedig in 't inwendige 
der woning verdwenen, terwijl binnen verscheidene stemmen 
gehoord werden, zoodat van £mde de overtuiging had, dat hij 
allen, die hij zocht, geheel onverwacht had overvallen, maar 
daarom juist beval hij zijne manschappen de grootste voorzich- 
tigheid en waakzaamheid aan, hen aanmaande op geweldpleging 
van de zijde der tegenpartij bedacht te zijn. 

Ondertusschen poogden eenige der bewoners langs eene zij- 
uitgang te ontsnappen, doch zich aan alle zijde bewaakt ziende , 
zagen zij van hun voornemen af, en voegden zich bij hunne 
makkers in de voorgalerij, zoodat daar nu iq zwaar gewapende , 
goed gekleede, krachtige Bandjereezen, in de volle kracht des 
levens zijnde, bijeen waren, woedende en achterdochtige blikken vol 
haat werpende op de hen geheel insluitende militairen , die onbe- 
wegelijk als palen op hun post stonden. 

De voorgalerij was nu zoo goed als geheel gevuld en allen 
stonden als 't ware arm en arm , zoodat de soldaten met hunne 
geweren als stootwapen in 't nadeel waren tegenover de Band- 
iereezen , die himne korte vreesselijke klewangs en scherpe krissen 
zelf in de kleinste ruimste konden gebruiken. 



BENB BLOEDIGE ABRBSTATÜC TE SOENGIE MALAKO — 1860 239 

Het wachten moede, gaf van £mde bedaard doch beslist te 
kennen dat hij Hadji Abdoellah wenschte te zien en te spreken. 

Aan dat verlangen werd gevolg gegeven en van Emde vergezeld 
van 4 zijner beste soldaten ging naar binnen , steeds tegen verraad 
op zijne hoede , gaf den beangstigden priester , wiens oogen van 
haat en machtelooze woede schitterden , den wensch der regeering 
te kennen, hem aanmanende daaraan vrijwillig gevolg te geven , 
daar dit in zijn eigen belang was. 

Toen van £mde weder in de voorgalerij terugkwam, bleek 
er eene hevige woordenstrijd ontstaan te zijn onder de Bandje- 
reezen, omdat de zonen van Abdoellah zich tegen het vervoer 
hmis vaders wilden verzetten, doch de bedaarde kernachtige 
toespraak van van Emde en de kalme houding der soldaten 
brachten hen er toe, om met dat vervoer genoegen te nemen,, 
mits de beide zoons en nog een paar van het gevolg den 
gewonde mochten vergezellen. 

Daar dit voorstel aan de wenschen van van Emde te gemoet 
kwam, zoo had hij daartegen geen bezwaar, want al hadden 
allen geëischt mede te gaan, dan zou hij dat nog hebben toe- 
gestaan, omdat daardoor des te meer woelgeesten en samen- 
zweerders onschadelijk zouden zijn gemaakt, zoodra zij onder 
het onmiddellijk bereik onzer versterking waren. 

Hadji Joessip ging daarop naar binnen, sprak met zijn vader 
en een oogenblik later in de voorgalerij terugkeerende , berichtte 
hij, dat deze zich onderwierp aan de zorgvolle behandeling der 
regeering en afgehaald konde worden. 

Nu naderde het beslissende doch ook het gevaarlijkste oogen- 
blik en allen bereidden zich op de eene of andere verraderlijke 
handeling voor, zoodat de soldaten als uit instinct zich dichter 
aaneensloten en ruimte zochten voor hun stootwapen , dat zij met 
meer vaste hand omklemden, terwijl hunne waakzaamheid ver- 
dubbelde. 

Luitenant Verspijck plaatste zich op alles bedacht in de na- 
bijheid van van Emde , doch beneden aan den trap , die naar de 
voorgalerij voerde. 



240 hnb blokdigb ab&bstatib tb soiNeiB iulano — I86O 

De dragers gingen met de draagbaar naar binnen , bewaakt 
door een Ëuropeeseh sergeant en twee flankeurs. 

Van Emde, in zijne vermetele dapperheid geen gevaar voor 
zich zelf achtende, stond kalm in de voorgalerij, alsof er niets 
van eenig belang gebeurde, zijne sabel onachtzaam onder den 
linkerarm houdende met eenige priesters te praten , doch hoe aan- 
dachtig hij dat discours ook scheen te volgen, toch ontging geen 
enkele beweging des vijands aan zijn helderen blik. 

Aller hart klopte als 't ware hoorbaar, bekend als zij waren 
met de verschrikkelijke bloedige gevolgen van een in zoo'n kleine 
ruimte eensklaps uitbrekend amok, en als hadden zij een voor- 
gevoel van het bloedbad dat hen wachtte; doch uiterlijk was op 
die stalen , gebronsde trekken niets te lezen , wat hunne gemoeds- 
aandoening verried. 

£r heerschte eene benauwende, drukkende, dreigende stilte, 
zooals steeds de eene of andere catastrophe voora^aat, slechts 
afgebroken door het ritselen van de door eene zachte koelte 
bewogen bladeren der woudreuzen , die de woning overschaduwden, 
en de versnelde ademhaling van allen, die in gespannen verwachting 
den loop der gebeurtenissen afwachten, terwijl van tijd tot tijd 
de kalme, heldere, bedarende stem van van £mde gehoord 
werd, die, alsof hem dat alles niet aanging, eenige hadji's op 
hunne gefluisterde opmerkingen antwoordde, zijn trouw zwaard 
steeds als onachtzaam onder den linkerarm houdende, doch met de 
rechterhand het gevest vast omklemmende, gereed tot den slag 
of de parade, maar hoe onachtzaam hij ook daar stond » wisten 
de zijnen toch, dat hij vol aandacht was. 

Eensklaps verschijnt Hadji Abdoellah op de draagbaar in de 
voorgalerij tusschen die zwijgende wachtende menigte en neemt 
met veel vertoon afscheid van de zijnen, waarna hij voorzichtig 
de trap afgedragen wordt en buiten de woning neergezet, in 
afwachting dat de troep tot vertrek gereed is. 

Nu schijnt hij zich te bedenken dat hij nog iets te zeggen heeft 
en roept zijn zoon Joessip bij zich, met wien hij fluisterend 
eenige woorden wisselt, waarna deze zich weder naar boven in 



BBNB BLOXDI&S ABSBSTATIÉ TB SOBNGIB MALANG — 1860 241 

de voorgalerij b^af en diep buigend met groote nederigheid 
van Emde naderde, als had hij dezen iets te zeggen. 

Al deze gebeurtenissen hadden ongelukkig de aandacht der 
soldaten van de i8 anderen Bandjereezen afgeleid. 

Plotseling geeft Hadji Abdoellah een teeken tot amok en als 
één man trekken de Bandjereezen met de eene hand hunne 
breede, schitterende, vreeselijke slagzwaarden, met de andere de 
vlijmscherpe kiis, en begonnen in de opeengepakte menigte als 
razenden rond te hakken en te steken, waarop eene vertwijfe- 
lende, afgrijselijke worsteling volgde, die, hoewel zij korter duurde 
dan noodig is om haar te beschrijven , toch vreesselijk bloedig was. 

Joessip brengt van £mde dadelijk, voor dat deze op iets be- 
dacht was, twee vreeselijke klewanghouwen op 't hoofd toe, die 
hij wel eenigzins met den linkerarm pareerde, doch ten koste 
van dien arm, maar voor dat hij hem andermaal een slag 
kan toebrengen heeft van £mde zijn aanvaller zoodanig verwond , 
dat aan dezen 't slagzwaard ontvalt 

Dadelijk springen twee andere Hadji's hun makker Joessip 
te hulp en van Emde, zwaar gewond als hij is, geen kans ziende 
zich tegen die twee nieuwe vijanden te verzetten, maar zich op 
den verraderlijken Joessip willende wreken, grijpt dezen met de 
gezonde hand bij de keel en valt met zijn vijand worstelend op 
den grond. 

Zoodra de aanval begon, zijn de Luitenant Verspyck en de 
flankeur de Later, trots het verbod, slechts hun moed gehoor- 
zamende naar boven gesneld en hebben dadelijk de beide Hadji's, 
die Joessip ter hulp snelden, afgemaakt, maar niet voor dat 
deze aan van Emde nog zeven vreeselijke wonden hadden toe- 
gebracht, waarbij Verspyck zelf ook gewond werd. 

Niettegenstaande zijne talrijke en vreeselijke wonden heeft van 
Emde de worsteling met zijn vijand volgehouden, doch nu door 
bloedverlies uitgeput begeven hem de krachten, waarvan Joessip 
gebruik maakt om zijn linkerhand vrij te maken, waarin hij de 
kris geklemd houdt. 

Reeds heft hij het wapen op, om van Emde een doodelijkea 



242 BBMX BLOSDI&B ABBX8TATIX TB SOSNeiX 1ULAM6 — 1860 

Stoot toe te brengen, toen Luitenant Verspyck hem door een 
krachtigen sabelhouw den voorarm afslaat en tegelijk de Later 
hem de bajonet in 't hart stoot 

Nu van Emde voorloopig buiten gevaar is, laten zij hem 
aan de zorg der to^esnelde soldaten over; beiden haasten 
zich nu anderen ter hulp te snellen en werpen zich als ware 
helden te midden van het woedende handgemeen, dat in die 
beperkte ruimte tusschen zoovele krachtige mannen plaats heeft 
en waar stilzwijgend met de woede der wanhoop gestreden 
wordt 

Vreesselijk schouwspel ! . . . Telkens verheffien zich de glinsterende 
van bloed druipende klewangs en treffen met dof geluid de 
lichaamsdeelen der t^enstanders, of het staal van het pareerende 
wapen, telkens glijdt er een uit op de door bloed glibberige planken» 
of valt om niet meer op te staan, 't Waren allen verschrikkelijke, 
woedende , wanhopende twe^evechten op leven en dood , waarin 
niemand genade vraagt, die ook niet gegeven zou worden, en 
waarbij men in dolle woede zijn wraak in stroomen bloeds koelt 

De iQJarige £uropeesche sergeant Tierbach, een krachtige^ lenige 
jonge Hollander, van 't ras waaruit helden geboren worden , uit-^ 
stekend bajonetschermer, is terstond door een drietal vijanden be- 
sprongen, die echter, omdat hij een muur in den rug had, hem 
slechts van voren konden aanvallen, daar waar hij door zijnen 
moed en zijne behendigheid zoo goed als onkwetsbaar was. Met een 
glimlach op 't jeugdige , baardelooze , doch reeds gebruinde gelaat, 
weert hij alle aanvallen af, en weldra is hij ongewond in staat 
anderen zijne hulp te verleenen , want hij heeft zijne tegenstanders 
allen met zijne bajonet doorboord. 

De Inlander Wirosentiko, de mandoer der dwangarbeiders, is, 
hoewel slechts met eene kris gewapend, met twee forsche Band- 
jereezen in gevecht geraakt en bloedt reeds uit eenige wonden. 
Het gelukt hem een zijner vijanden de kris in 't hart te steken, 
die echter ongelukkig in 't lichaam blijft zitten; ongewapend als 
hij nu is, grijpt hij den tweeden tegenstander met beide handen 
om den hals en valt met hem op den met bloed doorweekten 



S81IB BLOBDIGB ABRBSTATIB TB SOBN&IB lULANe — 1860 24B 

glibberigen vloer. Dadelijk heft de Bandjerees de zware klewang 
op om hem het hoofd te kloven, toen de dappere Luitenant 
Verspyck weer als redder opdaagt en met zijn trouw zwaard den 
vijand nederhoudt. 

Een soldaat, wien door een toeval bij den eersten aanval on- 
middellijk zijn geweer ontglipt, heeft zijn tegenstander met beide 
handen geworgd en wordt zoo gevonden met wonden bedekt en 
bijna van den vijand niet te scheiden, zoo krachtig had hij in 
zijne laatste pogingen de vuisten toegeknepen. 

In weinige oogenblikken was de vreeselijke strijd beslist, 
waarbij alle t^enstanders den dood vonden, terwijl aan onze 
zijde twee man gesneuveld en acht zwaar gewond waren. 

Van Emde ademde nog. 

Dadelijk nam de onverschrokken Verspyck het kommando op 
zich, en zijn eersten maatr^el was een schildwacht voor dé 
deur der woning te plaatsen, om de soldaten te beletten dat 
zij in hunne wraakzucht zich aan de vrouwen, die nog daar 
binnen waren, zouden vergrijpen, want het gezicht der talr^ke 
slachtoffers en vooral de verschrikkelijke verwonding van hun 
dapperen aanvoerder, had hunne woede tot razernij opgevoerd. 

Een edel pogen dat helaas weder met ondank beloond werd. 

Nauwelijks is de schildwacht op zijn post en is men bezig de 
gewonde makkers op te zoeken, of een snijdenden, hartver- 
scheurenden, wanhopigen kreet klinkt boven alles uit en de vier 
vrouwen stormen als razende furiën met zwaaiende klewangs 
naar buiten, stortten zich op hun beschermer, den schildwacht, 
en voor dat men eigenlijk wist wat er gebeurde, hadden zij den 
jongen man met 17 gapende wonden afgemaakt. 

Dadelijk werpt de kranige Verspyck zich weder in den strijd; 
hij wil trachten de razende vrouwen te ontwapenen en in elk 
geval hen tegen de woede der soldaten te beschermen, doch 
hier schiet zijne macht te kort en blijken zijne pogingen ijdel, 
want zijn stem wordt niet gehoord, zijn bevel niet opgevolgd! 
De vier vrouwen werden met de bajonetten afgemaakt, doch 
niet dan nadat nog twee der onzen zwaar gewond door de 



244 SBNI BLOEDIGE ABBBSTATIE TE SOENGDB MALANG — 1860 

scherpe klewangs neergezegen zijn naast den zoo verraderlijk 
a%emaakten schildwacht 

't Was een ontzettend tooneel! ». . . 't Edele Hollandsche bloed 
vloeide in stroomen! .... 

In rouw gedompeld keerde de kolonne om i^ uur naar 
Amoenthay terug, hare dooden en gewonden medevoerende. 

Kort daarop overleed de dappere van Emde en werd hij bij- 
gezet op de laatste rustplaats, waar reeds zooveel brave makkers 
in den koelen schoot der aarde rustten en waar eenigen tijd later 
ook de dappere ridderlijke Hojel aan zijne zijde een graf zou 
vinden, even als hij eene eervolle schitterende carrière op jeugdigen 
leeftijd eindigende in dienst des Konings en in 't belang van 't 
Vaderland, dat hoewel het tal van dappere en brave zonen telt, 
toch moeielijk zulk edele telgen kan missen. 

De herinnering aan den dappere leeft voort bij de trouwe 
makkers, die hem diep betreurden om zijne edele hoedanigheden. 
Voor zijne minderen was hij een bemind Chef, voor de makkers 
een trouw kameraad en voor zijn land een ridder in den waren 
zin des woords, want zijn ridderlijkheid berustte niet op eere- 
teekenen, maar op zijn edel karakter zonder vrees en zonder 
blaam. 

Zijn naam blijve in eere, naast die van zooveel brave zonen 
van Nederland tot in het verste nageslacht. 



^ 



De Sergeant der Artillerie G. J. ter Woord 

de eerste militair beneden den rang van Officier die de Militaire 
Willemsorde 3e klasse verwierf — 1850—1861 

Zielenadel vraagt naar geen rang of stand. 

Achten HoUand's zonen van het dappere Indische Leger, van 
welken rang of graad ook, zich voor hunne moedige daden, 
ontberingen, zelfverloocheningen, opofferingen en voor het ge- 
stortte bloed reeds rijkelijk beloond, als het den geliefden Vorst 
behaagt hen, als erkenning daarvoor, het eereteeken der Militaire 
Willemsorde 4® klasse te schenken, een eeremetaal waarbij, in 
tegenstelling met andere decoratiën, alle gxmst en bevoorrechting 
is uitgesloten en dat altijd spreekt van ware verdiensten in den 
oorlog te midden van tallooze gevaren, hoe groot moet dan niet 
hunne voldoening, hoe zalig hun gevoel zijn en hoe herhaaldelijk 
moeten zij zich, vooral in de inférieure rangen, door moed, 
beleid en trouw boven allen onderscheiden hebben, om de groote 
eer van het Kruis der 3® klasse deelachtig te worden. 

Van af de instelling der Militaire WiDemsorde door den Eersten 
Koning van Holland's dierbaar Oranje Huis in 181 5, tot den 
i8«° Februari 1861, was nog nooit de eer om het Kruis der 3® 
klasse op zijne borst te zien schitteren , aan een militair beneden 
den rang van Officier ten deel gevallen. 

Gerrit Jan ter Woord, sergeant bij het wapen der Artillerie 
van het Indische Leger, een waardig afstammeling van de voor- 
vaderen die Neerland groot maakten door hunne daden , was de 
eerste die in dien inférieuren rang die hooge onderscheiding 
welverdiend ten deel viel, eene eer die met hem, voor denhard- 
nekkigen opstand in de Z. en O. Afdeeling van Bomeo (Ban- 
djermasin), nog slechts aan drie andere dapperen werd geschonken, 
allen Officieren, en wel: 



246 DB SBBeBüiT DKB abullsrib q. j. tul woobd 

G. M. Verspyck, Majoor der In^terie, bevelhebber der 
expeditie , 

H. W. van Oijen, Kapitein der In^terie en 

G. H. Schepers, Kapitein der Genie en Sappeurs. 

Reeds daarom alleen mag zijn eervollen en roemrijkea naam 
daar niet ontbreken, waar van heldendaden sprake is. 

G. J. ter Woord, Algemeen stamboek N<* 27556, kwam als 
Infanterist in het jaar 1849 ^ Indië, doch werd, te Batavia 
aangekomen, met zijn goedvinden geplaatst bij het wapen der 
Artillerie, waarbij toen groot gebrek was aan krachtige mannen. 

Het was iemand van grooten, forschen en zwaren lichaams- 
bouw en bezat in evenredigheid daaraan eene herkulische kracht 
Zijnen moed, zijne doodsverachting en zijne onverschilligheid 
voor alle gevaren, waren spreekwoordelijk onder zijne makkers; 
zelüs onder het hevigste vuur, terwijl aan alle zijden doeden en 
gewonden vielen, bleef hij eenvoudig, kalm en bedaard, zonder 
de minste overhaasting zijn stuk richten en een voortdurend goed 
gericht vuur afgeven ; altijd was hij een schitterend voorbeeld van 
die echte krijgsmansdeugden, die den waren held eigen zijn. 

Van nature met groote spierkiachtbegaafd, was hij onvermoeid 
en op elk uur van den dag of den nacht met zijn vuurmond 
tot het gevecht gereed, want te velde was zijne eenige rustplaats 
altijd onmiddellijk naast of onder het hem toevertrouwde kanon, 
waarmede hij liever te gronde ging, dan het in welk gevaar 
ook te verlaten, even als de dapperen, de Luitenant J. A. W. 
van Winsheijm, de sergeant J. H. Knepper en de kanonnier 
J. van de Wart, die den 2i«° November 1850 nabij fort Sorg 
(W. Afd. van Bomeo) hun stuk niet wilden verlaten en den helden- 
dood stierven bij de verdediging van dat him toevertrouwde pand , 
door de zware Chineesche slagzwaarden gruwelijk verminkt. 

Ter Woord was een uitstekend, goed geoefend artillerist, met 
alles tevreden, nooit klagend, beleefd, goedhartig, zelfopofferend 
en steeds vol toewijding zonder grens; zelf den hoogsten lof aan- 
vaardde hij met de grootste bescheidenheid, zonder zich in iets 



BIDDBR 3« KLASSB DBR MILITAIRB WILLEMSORDE — 1850—1861 247 

meer te achten dan zijne krijgsmakkers , die toch even als hij al 
het hunne deden en hun leven in de waagschaal stelden om het 
door den aanvoerder beoogde doel, zoo volkomen mogelijk te 
bereiken. 

Gedurende zijn verblijf in Indiê van 1849 — 1861 was hij, 
nadat hij voldoende geoefend was, bijna voortdurend te velde; 
hij verwierf al zijne graden, kanonnier i® klasse, korporaal en 
sergeant, voor zijn moedig gedrag en bovendien werd hij nog 
driemaal eervol vermeld, behalve dat hem het kruis der Militaire 
Willemsorde 4® en 3® klasse werd toegekend. 

Zijn stamboek vermeldt in de rubriek : 

Gedane veldtochten, versierselen, bekomen wonden en 

uitstekende daden. 

1 850- 1 85 i-i 852-1 853 Krijgsverrichtingen op Bomeo ( Wester Afd.) 
1854 Idem 

1855- 1856 Idem 

1856 Krijgsverrichtingen in de Lampongs 

1857 „ op Timor 

1 859- 1 860- 1 86 1 „ Z.-O. Afd. van Bomeo 

(Bandjermasin) 

23 Mei 1860. Bij den tocht naar Tabalong gewond door drie 
randjoe's. 

Bij Z. M. besluit d.d. 21 October 1854, N* 103, Eervol vermeld 
voor deszelfs gehouden gedrag bij de Ejijgsverrichtingen op Bomeo, 
gedurende de maanden Maart tot en met Juli 1853 (was toen 
korporaal). 

Bij hetzelfde besluit Eervol vermeld voor deszelfe gehouden 
gedrag bij de krijgsverrichtingen op Bomeo (Wester-Afdeeling) in 
Mei en Juni 1854 (was toen korporaal). 

Bij Z. M. besluit d.d. 6 November 1857, N<> 47, benoemd tot 
Ridder der Militaire Willemsorde 4" klasse voor deszelfe gehouden 
gedrag bij de krijgsverrichtingen in de Wester-Afdeeling van 
Bomeo in 1853 (was toen korporaal). 

Bij Z. M. besluit d.d. 17 Februari 1856, N^ 84, Eervol vermeld 



I 



248 DB sxaesANT der ABXiiiLEaiB e. j. ter woobd 

voor deszelfis gehoudeo gedrag bij de krijgsverrichtingen op Timor 
(was toen korporaal). 

Bij Z. M. besluit van i8 Februari 1861, N** 82, bevorderd 
tot Ridder der Militaire Willemsorde 3® klasse, als hebbende zich 
onderscheiden bij de krijgsverichtingen in de Z.-O. Afd. van 
Bomeo (was toen sergeant). 

Toen hij door lichaamsgebreken, ten gevolge van zijn voort- 
durende veldtochten, den dienst verliet, was hij 36 jaar oud 
en de dappere krijger telt thans 75 jaar. 

Later werd hij door H. M. de Koningin, nog benoemd tot 
Broeder van de orde van den Nederlandschen Leeuw. 

Zijne militaire loopbaan was betrekkelijk kort, doch zeldzaam 
schoon en schitterend en het is niet mogelijk in een kort bestek 
dien dappere op al zijne tochten te volgen en al zijne moedige 
heldhaftige daden te vermelden. Enkele mogen volstaan. 

Reeds herhaaldelijk had hij zich onderscheiden, de aandacht 
op zich gevestigd door zijne groote onverschrokkenheid en kalmen 
moed , gedurende de expeditie tegen de Taijkong Chineezen , in 
't bijzonder bij de verovering van Pamangkat (Westkust Bomeo) , 
waar de aanvoerder, de dappere Overste F. G. Sorg den helden- 
dood stiert en waarbij wij 50 man aan dooden en gewonden 
verloren, bij het afslaan van den vijandelijken aanval op het 
fort Sorg, in den nacht van 8 op 9 December 1850 en bij de 
verdediging van de sterkte Sepang, waar hij zich, toen er gebrek 
aan levensmiddelen kwam, met eenige vrijwilligers door den 
vijand heensloeg en met de noodige vivres in het ingesloten fort , 
dwars door de vijandelijke liniën terugkeerde (1853 April); 
eindelijk werd hij ingedeeld bij de kolonne die 18 Mei 1854 te 
Boentemaij (Westkust Bomeo) voet aan wal zette. 

Weldra was de vijand uit zijne geduchte versterkingen te Sing- 
kawang verdreven, nadat de kolonne een moeilijken marsch van 
vier dagen achter den mg had, bijna altijd door de modder 
en bij vloed tot aan de knieën door het water, zoodat de troepen 



BIDDSB 3« KLASSE DKB MILITAIBB WILLBMSOBDB — 1860—1861 249 

op de takken der boomen plaats moesten nemen om een oogenblik 
te kunnen rusten, waardoor men per dag slechts iets meer dan 
een uur gaans vooruit kwam, want die vier dagen dienden om 
3^ geograpfische mijl af te leggen. Toch bleef de troep opgewekt 
en met ijver bezield. Daarna werd naar het broeinest van den 
opstand Montrado opgerukt, welks verovering en daarop ge- 
volgde verdediging een der schitterendste wapenfeiten was, 
waaraan de Indische krijgsgeschiedenis zoo rijk is. 

Op den marsch naar Montrado, moest bij Koelor een riviertje 
gepasseerd worden, dat in gewone tijden doorwaadbaar was en 
hoogstens 4^5 meter breedte had, doch nu wegens de hevige 
regens, sterk gezwollen en een kokende, bruisende, woest voort- 
snellende, ondoorwaadbare stroom was geworden, met eene 
breedte van ongeveer 20 meter. 

De infanterie en de bagage passeerde den stroom, middels een 
door de sappeurs in der haast uit eenige boomstammen samen- 
gesteld loopbruggetje , doch voor den vuurmond , die 370 kilogram 
woog, was het overgangsmiddel te zwak, zoodat deze dwars door 
den stroom getrokken moest worden, tot welk einde lange trek- 
touwen van rottan aan het stuk werden bevestigd, om door de 
vereende krachten van manschappen en koelie's te worden over- 
getrokken. 

Toen alles gereed was, werd aan ter Woord, die gedurende den 
geheelen uiterst moeilijken marsch, het werk van 't ontbrekende 
boompaard tusschen de berrie-boomen gedaan had en met draag- 
zeel over zijne sterke schouders en zijne handen aan de boomen 
het stuk bestuurd en getrokken had , gelast om tusschen de berrie- 
boomen uit te treden en het stuk op den gevaarlijken tocht onder 
water door aan zich zelf over te laten. 

Kalm, doch bedaard en beslist weigerde de brave kanonnier 
zijn vuurmond te verlaten, zeggende, dat hij bij 't stuk en 't stuk 
bij hem behoorde, en dat overal waar 't kanon ging hij mee zou 
gaan, zoolang zijn krachten dat toelieten en vooral nu, nu 't stuk 
bestuurd moest worden, daar 't door den sterken stroom en den 
ongelijken bodem wellicht om kon vallen en dan beschadigd worden. 



250 DB sxaeiANT der abtillebib q. j. tul woord 

Geen vertoogen hielpen ! Ter Woord stond er op, om met zijn eigen 
kanon onder water door te gaan en ten einde den marsch niet 
te zeer te vertragen en den beminden soldaat niet te dwingen, 
gaf de aanvoerder, hoewel met een bezwaard gemoed, zijne 
toestemming , vertrouwende op de bekende kracht van den stoeren 
artillerist, aan de trekkers de order gevende met inspanning van 
alle krachten het stuk met spoed over te trekken. 

De trektouwen werden gespannen en langzaam daalde Ter Woord, 
de geheele zwaarte van den vuurmond op zijne krachtige schou- 
ders torschende , den vrij steilen walkant af. Toen het stuk zoover 
in het water stond, dat de vloed de breede borst van den ge- 
leider bereikte, haalde deze diep adem voor den tocht onder 
water door, en onmiddelijk werd uit alle macht getrokken; het 
stuk ging vooruit en Ter Woord verdween geheel onder de opper- 
vlakte van den woest bruischenden stroom. 

In zenuwachtige spanning spoorden allen tot trekken aan en 
de trekkers zelf werkten met ijver, kracht en spoed; ontzettend 
lang en angstig waren de oogenblikken , al waren 't ook slechts enkele 
seconden, doch de toeschouwers scheen het, als waren het uren. 

Eindelijk dook Ter Woord met den vuurmond uit het water 
op, als een echte waterman druipende enblazende van het water, 
doch in den stroom had hij het stuk geen oogenblik losgelaten, 
hoe moeilijk zijne taak ook was geweest Als een poedel schudde 
hij zich af en alsof er niets gebeurd was, vervolgde hij op 
dezelfde wijze, tusschen de berrie-boomen van zijn kostbaar en 
dierbaar kanon, den verderen tocht 

In het jaar 1857 werd eene expeditionaire kolonne naar het 
eiland Timor gedirigeerd; Ter Woord die eenigen tijd van het 
stille eentonige gamizoensleven had genoten, verlangde weder 
te velde te zijn en verzocht zijne indeeling bij den uitrukkenden 
troep, een verzoek dat gaarne werd ingewilligd, want men wist 
hoe bruikbaar hij was. 

Ook daar onderscheidde hij zich als artillerist door zijne groote 
bedaardheid en onverschrokkenheid als richter en als stukskom- 



BIDDER 9* KLA8SB DER MILITAIBB WELLEMSORDB — 1860—1861 251 

mandant Bij een marsch die zestien uren achtereen voortduurde 
langs smalle, ongelijke, moeielijk begaanbare boschpaden , somtijds 
steil klimmende of dalende , was hij niet alleen de persoon die 
door zijne opgewektheid den goeden geest in den troep hield, 
maar hij was ook overal tegenwoordig waar hij met zijn sterken 
arm hulp kon bieden. Telkens droeg hij de geweren van uitge- 
putte makkers, ja 't gebeurde zelfs dat hij den mortier geheel 
alleen op zijne schouders nam, om den uitgeputten dragers dien 
zwaren arbeid een oogenblik te verlichten. 

Bij de bestorming van den berg Takaneuve, waarop de ver- 
sterkte verblijfplaats lag van den vorst van Lidak en bij de 
inname dier sterkte, leed de kleine kolonne een verlies van 35 
man aan dooden en gekwetsten, en daar het vuur der lichte 
mortiertjes door de staalharde rotsen weinig uitwerking had, 
omdat de granaten alvorens te springen op de rots afstuitten en 
weder naar beneden rolden, moest de infanterie het pleit alleen 
beslechten. 

Maar ook nu bleet Ter Woord niet werkeloos, onder hevig 
overstelpend vijandelijk vuur ging onze dappere kanonnier 
bedaard langs de tirailleurlinie, deelde patronen uit waar die 
noodig waren , verhoogde door een enkelen kwinkslag het moreel 
der soms door de steile rotsen moedelooze makkers en trachtte 
de gewonden te helpen of eene gemakkelijkere houding te geven; 
in een woord hij verdubbelde zich als 't ware en was door zijn 
voorbeeld de ziel van den aanval. 

Zoo was het overal! Overal waar men met terreinhindemissen , 
moeielijke wegen of tegenspoeden te kampen had, overal waar 
krachtdadig handelen noodig was, zelfis onder 't zwaarste vuur 
des vijands, was 't altijd Ter Woord die het voorbeeld gaf van 
plichtsbetrachting en opgewektheid en wien niets te veel, niets 
te zwaar, niets te gevaarlijk was. 

Toonde hij zich als artillerist van zoo hooge waarde, nu en 
dan wist hij ook tijdelijk als degelijk infanterist op te tredeiL 



} 



252 DB SEBGBANT DKB ABTILLKRIB G. J. TEB WOORD 

waar dit noodig was; dan toonde hij, dat hij ook bij zijn vroeger 
wapen nog even goed bruikbaar was, en voor andere aanvoerders 
in beleid en beslistheid van handelen niet behoefde onder te doen. 

De rust in de Afdeeling Benoea Lima (Z. O. Afd. van Bor- 
neo— Bandsermasin) kon niet hersteld worden , voor dat eerst de 
districten Tabalong en Balangan met kracht van wapenen onder- 
worpen waren, zoodat de Majoor C. F. Koch daarom besloot 
een tocht naar Tabalong te ondernemen. Bij die kolonne was 
ingedeeld een 3 ponder en een mortier van 11^ cM., waarbij 
de sergeant Ter Woord, onder de i® Luitenant der artillerie 
C. T. W. Borel, het kommando voerde. 

De toestand van het terrein dat men doortrok, was van dien 
aard, dat, welke ijver Ter Woord en zijne kanonniers ook be- 
toonden, hoeveel inspanning zij zich ook getroostten, het voor 
den 3 ponder uiterst moeielijk was om de infanterie geregeld te 
volgen, zoodat daardoor telkens oponthoud veroorzaakt werd. 

Eindelijk den 21^ Mei 1860 besloot de Majoor Koch, om 
den volgenden dag, ten einde den marsch te bespoedigen, de 
drieponder in de prauwen op de rivier te laten volgen, Ter 
Woord daarover het kommando te geven en hem zoowel als 
zijne kanonniers tijdelijk een geweer als wapen te geven. 

Den 22^ Mei bereikte de kolonne tijdig Tabalong en stelde 
zich reeds in positie om tot den aanval over te gaan , toen men 
een hevig lilla- en geweervuur hoorde in de richting waar de 
prauwen zich moesten bevinden. Onmiddellijk zond de kolonne- 
kommandant eene ondersteuning af, om de prauwen uit die 
moeielijke positie te helpen , zonder echter den aanval op Taba- 
long te vertragen, want met Officieren en soldaten zooals hij 
onder zich had en een brutalen, dapperen aanvoerder als de 
Majoor Koch zelf was, was het heel goed mogelijk meer dan 
een gevecht te gelijk te leveren; op een troep vijanden meer ot 
minder keek men zoo nauw niet. 

Toen de ondersteiming bij de prauwen kwam, was de hevige 
aanval des vijands reeds afgeslagen, met den aanvaller geducht 



BIDDKB 8« KLA8SB DBR HIUTAIBB WILLBMSOBDB — 1860—1861 253 

afgerekend en de prauwen reeds weder naar Tabatong onderweg. 
Zonder de kloeke houding van Ter Woord hadden de prauwen 
met hun kostbaren mhoud groot gevaar geloopen verloren te gaan. 

Deze werden eensklaps , langzaam tegen de stroom opwerkende , 
van den linkeroever hevig door lilla- en geweervuur bestookt, 
waarbij dadelijk een paar roeiers gewond werden en de anderen 
in eene paniek over boord sprongen, ten einde zich zwemmende 
en door de vaartuigen gedekt, aan 's vijands lood te onttrekken. 

Onmiddellijk wordt in Ter Woord de Infanterie-aanvoerder 
wakker. 

De prauw waarop hij zich bevindt stuurde hij onmiddelijk 
recht op den oever af, waar 't gevaar dreigde; door een vijftal 
soldaten gevolgd, sprong hij onmiddelijk aan den wal en gaat 
dadelijk den vijand met den bajonet onverschrokken te lijf, die, 
door zooveel dapperheid verrast, na eene korte worsteling op de 
vlucht ging, vreezende tusschen twee vuren gebracht te zullen 
worden , want in de verte , door bosschen en hoogten weerkaatst , 
klonken reeds de toonen van den hoorn, die aankondigden dat 
hulp in aantocht was. 

Bij die gelegenheid werd Ter Woord door drie randjoe's gewond, 
de eenige maal dat hij geblesseerd werd in al zijne veldtochten. 

Zooals wij vroeger meldden werd Ter Woord voor zijn gehouden 
gedrag ter Z.-O. Afdeeling van Bomeo, bevorderd tot Ridder 
der Militaire Willemsorde der 3® klasse. 

Aan het slot zijner dagorder, waarbij de belooningen voorde 
krijgsverrichtingen ter Z.-O. Afdeeling van Bomeo werden bekend 
gemaakt, zegt Z. £. den Luitenant Generaal J. van Swieten, 
kommandant van het Indische Leger terecht: 

««Het strekt mij tot een waar genoegen deze belooningen 
««aan het Leger te kimnen mededeelen , vertrouwende tevens 
««dat deze hernieuwde blijken van 'sKonings tevredenheid 
««en vooral de den sergeant der artillerie G. J. Ter Woord, 
««algemeen stamboek nummer 27556. te beurt gevallen 



fr 



254 DB sxaesANT dxb abtillxbix e. j. tkb woobd xnz, 

««schitterende onderscheiding, allen een spoorslag zal zijn 
««tot nieuwe daden van moed beleid en trouw.»» 

Ter Woord was allen een schitterend voorbeeld van eenvoud 
en krijgsmansdeugden, en het is zeker dat HoUand's dappere 
zonen dat voorbeeld zullen volgen als de gelegenheid zich daartoe 
aanbiedt, en dat zij, als Vorst en Vaderland in de ure des 
gevaars hun moed, beleid en trouw noodig hebben, even als die 
dappere, hun plicht als Nederlander onvervaard zullen vervuDen. 

Moge de dappere ter Woord nog lang genieten van de helden- 
daden van het Indische Leger, want hoewel reeds lang den 
dienst verlaten hebbende, leeft hij nog steeds mede met zijne 
brave makkers, die in die verre gewesten Neêrland's Vlag met 
eere omhoog houden. 



Zeldzaam eerbewijs 

aan den dapperen Luitenant der Infanterie J. H. Hojel en diens 
roemrijken dood op het slagveld 1860—1861 

Telle est la récomp«Qse da vrai mérite, d'etr» 
estimé pendant la vie, et de servir d'exemple 
après la mort 

Fbkdbrix n. 

£r is in het leven van den Nederlandschen militair een 
oogenblik, waarop alle andere eer en grootheid in 't niet ver- 
zinkt en dat Is^ als den dapperen krijger de onderscheiding 
deelachtig wordt, dat hem voor het front der troepen, als be- 
looning voor zijne uitstekende daden van moed, beleid en 
trouw, het eeremetaal der Militaire Willemsorde op de borst 
wordt gehecht, hij den eed als Ridder aflegt en den Ridderslag 
ontvangt 

Dan zwelt de borst van rechtmatigen trots, dan klopt, het 
hart van hoogeren wellust, dan is 't gemoed tot berstens toe 
geroerd en schijnt alles wat men gedaan heeft, al het gevaar 
dat doorstaan werd, al het ondergane leed nietig, in vergelijk 
met dat hooge, welsprekende eerbewijs. 

Dat Kruis heeft voor eiken Hollandschen krijgsman de hoogste 
waarde; hij heeft er zijn leven voor veil; maar hoe heerlijk het 
bezit van dat eereteeken ook is, 't wordt nog grooter zaligheid 
als de makkers^ die mede streden en medeleden , den boven 
allen uitverkorene dat eereteeken niet alleen niet misgunnen > 
maar erkennen dat hij boven allen die onderscheiding ten volle 
verdiende en waardig was en hun kameraadschappelijk zege) 
hechten aan 's Vorsten besluit. 

Maar nog oneindig hooger is de onderscheiding, veel zaliger nog 
de gewaarwording, als een Chef in eene spontane opwelling van 
bewondering en enthousiasme de Koninklijke sanctie vooruitloopt^ 
en op het bloedige slagveld dat eeremetaal van de eigen borst 
neemt qi op die van den dappere hecht, onder de luide 



i 



256 ZELDZAAM XSBBKWUS AAN DEN LUITENANT 

geestdriftvolle goedkeuring van de krijgsmakkers, die in den 
strijd getuige waren van zijnen ontembaren ridderlijken moed, 
en zelfs de zwaarst gewonden, hunne pijn niet achtende en ver- 
minking vergetende, in blijde bewondering mede juichen tereere 
van den held. 

Dat is de ware Ridderslag, want hierbij is zelfis alle schijn van 
bevoorrechting of van Vorstengunst uitgesloten; hier zijn het de 
ooggetuigen die zijne meerderheid erkennen en dat is 't juist 
wat de waarde er van verhoogt, al mag de held ook het op die 
wijze geschonken Kruis niet dragen. 

Het verheven schouwspel van eene dergelijke erkenning te 
midden der gevallenen en terwijl de kruitdamp nog niet geheel 
is opgetrokken^ is slechts eeiunaal in de Indische oorlogen voor- 
gekomen. 

De held van die heerlijke , aangrijpende en onvergetelijke eer- 
betooning was de 2® Luitenant der Infanterie J. H. Hojel, die 
door den dapperen Kapitein H. W« van Oijen, in de pas 
veroverde versterking nabij Kampong Pasambie, Zuid- en 
Oosterafdeeling van Bomeo, onmiddelijk na de bestorming, in 
tegenwoordigheid der geheele kolonne en onder geestdriftige 
goedkeuring der medestrijders, op die wijze tot Ridder geslagen 
en daar als zoodanig gehuldigd werd. 

De 2® Luitenant J. H. Hojel was iemand van middelmatigen 
lichaamsbouw, begaafd met buitengewone spierkracht en groote 
lenigheid, zoodat weinigen hem in vlugheid en gymnastische 
oefeningen evenaarden. 

Voor zijn moed en doodsverachting bestonden geene grenzen, 
en hoe algemeen die deugden ook bij den HoUandschen stam 
en bij het dappere Indische Leger gevonden worden, zoo 
wekte zijne onversaagdheid toch de algemeene bewondering op, 
want nooit of nimmer, hoe groot het gevaar ook was, hoe talrijk 
de moeielijkheden ook waren, gewond of niet, nooit werd Hojel 
bij eenige bestorming of eenig stout wapenfeit, door een anderen 
dappere voorgegaan; altijd was hij de eerste op de vijandelijke 



DKB INFANTEBIE H. J. HOJBL — 1860—1861 267 

wallen, de eerste in den strijd en de laatste die het zwaard 
opstak, zonder ooit zijne bedaardheid te verliezen, steeds ver- 
trouwende op zijne vlugheid en kracht en zonder ooit te kort 
te komen aan beleid en doorzicht; hij zag het gevaar wel, doch 
achtte het niet de moeite waard er notitie van te nemen. 

Reeds den 3^ Augustus 1860 hadden onze troepen onder 
aanvoering van den Kapitein H. W. van Oijen, ter sterkte van 
119 bajonetten en een 3 ponder de versterking te BatoeMandie 
veroverd, ten koste van eenige dooden en tal van gewonden; 
onder deze laatsten was ook de dappere Hojel geweest, die 
hoewel door een springlans en randjoe's gewond, toch bij de 
bestorming de eerste was die de vijandelijke sterkte beklom en 
zich op de veroverde wallen vertoonde. 

Den 22^ September daaraanvolgende hadden de muitelingen, 
ten getale van ongeveer 500 goed gewapenden, de vernielde 
versterking weder hersteld en bezet, zoodat de gemeenschap 
tusschen onze posten te Lampehon en Barabei-ie daardoor ernstig 
verstoord werd. 

De Majoor G. M. Verspijck, de Chef der Bandjermasinsche 
expeditie, de latere beroemde en hooggeëerde Generaal van het 
Indische Leger, kanselier der Nederlandsche orden, Jh' G. M. 
Verspijck, was tot het nemen der noodige maatregelen den $^^ 
October persoonlijk te Amoenthaij gekomen, waar hij vernam dat 
de bezetting van Batoe Mandie besloten had, op Moeara Petap 
terug te trekken, indien zij tot den terugtocht gedwongen was 
en daarom werd door dien Hoofdofficier het volgende bevolen. 

De Kapitein van Oijen zou den 7®° October van Amoenthaij 
met eene kolonne op marsch gaan, ter sterkte van 160 bajonetten, 
een houwitser en een mortier, langs de Balangan rivier voort- 
rukken, alle vijandelijke sterkten nemen tot Moeara Petap en 
van daaruit rechtstreeks op Batoe Mandie aanrukken, om tot 
de insluiting des vijands en de verovering der sterkte mede te 
werken, in verband met eene kolonne onder den Kapitein L. J« 
Rhode, die van de andere zijde van uit Barabei-ie den 12®'^ 



258 ZELDZAAM KBRBEWU8 AAN DEN LUITENANT 

October zoude oprukken, ter sterkte van 130 bajonetten en i 
houwitser, zoodat de vijandelijke bezetting tusschen twee vuren 
zoude gebracht worden en haar den terugtocht aan beide zijden 
zoude afgesneden zijn. 

Bij de kolonne van den Kapitein van Oijen, wier feiten wij 
een oogenblik moeten volgen, waren ingedeeld, de Kapitein 
K. van der Heijden, de 2« Luitenants, J. L. H. BeijensenJ. H. 
Hojel, zoomede de dienstdoende Officieren (Adjudant-onderof]&- 
cieren) Backerus en van Puflfelen, terwijl de artillerie onder het 
bevel stond van den 2®° Luitenant van dat wapen A. C. H. 
Winter, allen beproefde en ondervindingrijke aanvoerders, die 
reeds in zoo menig gevecht getoond hadden welken moed hen 
bezielde, mannen die door elk soldaat met vol vertrouwen in 
't grootste gevaar gevolgd zouden worden en die zeker de 
moeielijke taak met succes zouden volbrengen, onder eene aan- 
voering als die van den energieken, dapperen en volhardenden 
Kapitein van Oijen, en het vertrouwen dat de beminde bevel- 
hebber Verspijck in hen stelde, niet zouden beschamen, wat 't 
hen ook kostte. 

Bij de voorhoede , die dus 't eerst met den vijand in aanraking 
zoude komen, waren de beide Luitenants Beijens en Hojel 
ingedeeld; de dienstdoende Officier van Pufifelen moest met 30 
bajonetten als flankdekking de overzijde der Balangan-rivier 
(linkeroever) volgen, terwijl de achterhoede onder de bevelen 
stond van den dienstdoenden Officier Backerus. De Kapitein van 
der Heijden kommandeerde de hoofdtroep, en tusschen deze en 
de rechter flankdekking bevonden zich de praauwen, die langs 
de rivier de vivres, de reserve-munitie en de ambulance ver- 
voerde. 

Reeds terstond kwam men met de opstandelingen in aan- 
raking, doch dreef hen zonder verlies te lijden voor zich uit, 
waarbij de vijand zijne dooden en gewonden door de dichte 
struiken medesleepte en zich daardoor aan de actieve vervolging 
onttrok. 



DKE INFANTERIE H. J. HOJEL — 1860—1861 259 

Den S^ October hield de vijand beter stand en werd 't ge- 
vecht ernstiger. 

Reeds om 8} uur des morgens stuitte de voorhoede op eene 
door houtgewas bijna onzichbare barrikade, die den toegang tot 
kampong Pasambie belette en ontving daaruit een onverwacht 
en geducht salvo, dat ons dadelijk 2 dooden en 6 gewonden 
kostte. Terstond rukte Winter onder den vijandelijken kogelregen 
met zijne stukken op en stelde die op 75 passen der versterking 
in batterij, waarbij twee kanonniers gewond werden. 

De met verzwakte lading geworpen granaten troffen doel, en terwijl 
Kapitein van der Heijden met een peloton ijlings 's vijands rechter- 
flank omtrok, viel de voorhoede onder Hojel en Beijens stoutmoedig 
met de bajonet in front aan. Aan alle zijden bedreigd, daar 
van Puflfelen op den anderen oever zich niet onbetuigd liet, koos 
de vijand het hazenpad, eenige dooden achterlatende. 

Doch geheel gevlucht waren de verdedigers niet, want zij 
waren alleen teruggetrokken op eene meer geduchte sterkte aan 
de andere zijde van Pasambie gelegen, zoodat de pas veroverde 
stelling meer als eene voorpost beschouwd kon worden. 

Nadat de kampong Pasambie was doorgetrokken, kwam deze 
versterking in 't gezicht. Zij leunde met de linkerflank aan de 
Balangan rivier, was in front ongeveer 50 passen breed en had 
flanken van 100 passen lengte. De borstwering, waarboven de 
vijandelijke vlag uitdagend wapperde , was van boomstammen steil 
opgetrokken , 2 meter hoog en had eene dubbele rij boven elkaar 
geplaatste schietgaten, terwijl eene breede gracht, rijkelijk met 
randjoe's beplant, de nadering bemoeielijkte. 

Zoodra de kolonne in 't gezicht komt ontvangt de strijdlustige en 
opgewonden bezetting de troepen met een donderend uitdagend 
krijgsgeschreeuw en een moorddadig geweervuur, terwijl eenige 
voorvechters op de wallen de onzen tot den strijd uitdagen, 
niet zoozeer omdat zij vreesden dat onze troepen den aanval 
niet zouden doen, zij wisten wel beter, als wel om zich zelf op 
te winden en de andere verdedigers moed in te spreken. 

Dadelijk brengt de dappere Winter met zijne kranige kanon- 



260 ZELDZAAM EEBBKWUS AAN DIN LÜITENAHT 

nieis de beide stukken, trots 's vijands vuur weder in batter^* 
en bestookt de versterking met granaten en kartetsen, terw^ 
ook van der Heijden er terstond toe overgaat 's vijands rechter- 
flank om te trekken en van Pufielen diens linkerflank bedreigt 

De vijand geen oogenblik verademing willende laten, gelast 
van Oijen, na eenige goed gelukte worpen der artillerie, de 
reeds ongeduldig wachtende voorhoede de versterking in front 
met de bajonet aan te grijpen en als één man stormt de voor- 
hoede, onder een luid veel belovend *hoer<» op den vijand los, 
even als altijd voorgegaan door den dapperen HojeL 

De opstandelingen zich aan alle zijden bedreigd ziende, trachten 
te vluchten, want van der Heijden is met zijn troep, stoutmoedig als 
altijd , zonder van 's vijands vuur notitie te nemen reeds omge- 
trokken en in den rug verschenen ; terwijl van der Heijden en van 
Pufielen door een krachtig vuur den vijand daarbij veel verlies 
toebrengen, heeft Hojel zich reeds door de tallooze randjoe's 
der gracht, allen vèr vooruit, een weg gebaand en hoewel ge- 
wond, staat hij weer als naar gewoonte het eerst op de borst- ^ 
wering, wat de hem volgende troep een luid geestdriftig ^Jtoera» f 
ontlokt. 

Daar ziet hij dat de vijand wil vluchten en reeds bezig is de 
vijandelijke vlag omlaag te halen. \ 

Zonder een oogenblik te aarzelen, zonder te wachten dat de 
hem volgende soldaten zich bij hem gevoegd hebben , springt de 
overmoedige, dol koene, kranige Hojel van de borstwering in 
de versterking, 's vijands vuur en woest getier niet achtende, 
legt met een pistoolschot den eersten neder die hem in den w^ 
treedt, baant zich met zijn door krachtigen arm gezwaaid 2:waard 
een bloedigen weg, vermeesterd de vijandelijke vlag en terwijl 
de vijand, ontzet over zooveel moed, achteruitwijkt, springt hij 
weder op de borstwering, en begroet de aanrukkende kolonne 
onder het zwaaien der vijandelijke vlag met een luid victorü 
geroep, dat aan alle zijden beantwoord wordt, tusschen het voort- 
durend knallen der schoten en de jubelende tonen van 't geliefd 
Wilhelmus. 



K 




DER INFAMTBRIB H. J. HOJBL — 1860—1861 261 

Het was een aangrijpend , verheffend oogenblik zooals die held 
daar stond op 'svijands wal, te midden van krijgsgewoel en 
kruitdamp, zwaaiende met 's vijands vlag, veroverd ten koste van 
zooveel gevaar; het was een tooneel dat het enthousiasme als 
't ware tot razernij deed overslaan, een van die momenten in 
het leven van den militair, die hoe lang geleden ook, onver- 
getelijk blijven, want de indruk is overweldigend. 

De vijand leed eene verschrikkelijke nederlaag en liet tal van 
dooden, die hij op zijne overhaaste vlucht niet mede voeren 
kon, achter. Onze dapperen hadden weder bewezen, dat hoe 
talrijk den vijand ook is, hoe goed verschanst hij moge zijn, 
voor onzen moed, ons beleid en onze krijgstucht geen hinderpaal 
bestaat. 

Toen de geheele kolonne binnen de veroverde vijandelijke 
versterking verzameld was , liet de Kommandant van Oijen carré 
formeeren en sprak den troep in de opwinding van een oogenblik 
van enthousiaste bewondering toe, hen prijzende en lof toezwaaiende 
voor hun dapper onverschrokken gedrag. 

Daarna trad hij op den braven Hojel toe, reikte hem de 
hand, die hij warm kameraadschappelijk drukte, voerde hem in 
eene spontane opwelling van bewondering in het midden van 't 
carré, nam het eeremetaal der Militaire Willemsorde van de eigen 
borst en hechtte dit onder geestdriftige toejuiching der anderen, 
stilzwijgend, doch met veelzeggend gebaar op de borst van den 
dapperste aller dapperen, den braven Hojel, in afwachting dat 
Z. M. onzen geëerbiedigd en Koning hem die belooning zoude 
toekennen, als eene vergoeding voor zooveel heldendaden. 

Onder de trefifendejubeltonen van het Vaderlandsche Wilhelmus 
omringden allen juichend den geliefden makker en alle handen 
strekten zich gelukwenschend naar hem uit 

Bescheiden, geroerd en dankbaar aanvaardde de dappere 
Luitenant die algemeene huldebetooging, nog met de eene 
hand krampachtig de veroverde vlag vasthoudende; met strakke 
oogen waarin een traan van geluk parelde, blikte hij naar dat 



262 ZlIiDZAAM ESBBBWIJ8 AAN DIN LÜFTKNAMT 

heerlijke zoo zeer begeerde Eereteeken, dat een oogenblik op 
zijne borst rustte, terwijl het dappere hart van rechtmatigen 
trots zwol en onstuimig klopte; hij staarde slechts naar dat 
Kruis, dat voor hem des te meer waarde had, omdat de Chef 
die het van de eigen borst nam en op de zijne hechtte , bewijzen 
had geleverd, dat hij een competend beoordeelaar was van held- 
haftige daden. 

De brave , die zelfis in 't grootste gevaar geen andere gewaar- 
wording kende dan doodsverachting, diezelfde man sidderde en 
trilde nu van aandoening en opwinding, en in ééne zenuwachtige 
handgreep, trachtte hij alle hem zoo warm en welgemeend toe- 
gestoken handen te vatten, ook die van den ridder K. van der 
Heijden , die in een spontaan en ridderlijk élan den braven held 
de accolade gaf en hem tot ridder wijdde. 

Onvergetelijk en indrukwekkend oogenblik ! . . . Een grootsch 
tooneel ! . . . 

Te midden van dooden en gewonden, stonden die mannen, 
zoo gewoon aan grootsche en moedige daden, met handen nog 
zwart van *t kruit en met oogen nog schitterende van de be- 
haalde overwinning, jubelend om hun jongen, dapperen en 
nobelen makker en brachten hem eene luidruchtige , welverdiende 
hulde voor zijn schitterend wapenfeit, terwijl de held geroerd 
en sprakeloos die huldebetooging aanvaardde. 

Een onderwerp waardig om door 't penseel onzer grootste 
schilders vereeuwigd te worden. 

Voor den jeugdigen held was die erkenning te meer eene 
groote voldoening, want hoe jong ook, toch was hij toen reeds 
i6 maal met den vijand ernstig slaags geweest, reeds tweemaal 
gewond , en bij elke bestorming altijd de eerste op de vijandelijke 
borstwering geweest, zoodat verschillende aanvoerders hem reeds 
6 maal voor eene Koninklijke onderscheiding hadden voorgedragen. 

Doch Holland was zoo vèr en de gemeenschap zoo slecht! 
Nog zeven maanden zou de dappere Officier moeten wachten, 
alvorens de Koninklijke Sanctie hem vergunde, dat onder zulke 
omstandigheden ontvangen Kruis te mogen dragen. 



DEB INFANTERIE H. J. HOJEL — 1860—1861 263 

Niet lang helaas! zou die dappere Officier het zoo herhaaldelijk 
verdiende Kruis dragen, want reeds den i«° Augustus 1861 werd 
hij bij den onstuimigen aanval op de versterking te Limpasso, 
doodelijk gewond, terwijl hij zijne soldaten weer als gewoonlijk 
moedig en onverschrokken voorging. 

£r was bericht ingekomen dat de opstandelingen te Limpasso , 
in dezelfde streek gelegen waar Hojel zoo'n imposante en spon- 
tane huldiging werd gebracht, bezig waren om eene geduchte 
versterking op te richten, met het doel daar stand te houden 
en den omtrek onveilig te maken. 

Dit zoo spoedig mogelijk te beletten en de vijand elke vesti- 
ging afdoende te verhinderen , was het doel waarmede de Kapitein 
K. van der Heijden op den i«" Augustus des morgens zeer vroeg 
uitrukte met eene kolonne, sterk 80 bajonetten en i mortier, 
waarbij ingedeeld waren de Luitenants Hojel en J. H. Albrecht. 

Na een geforceerden marsch bereikte de kolonne tegen i|uur 
Limpasso, waarop Hojel als kommandant der voorhoede on- 
middelijk 'svijands stelling onder een hevig vuur verkende. 

De hoofdversterking bestond uit eene kleine vierkante redoute, 
met een versterkt bivouac daarachter. Een breede open weg 
voerde naar die versterking, doch was geheel onbruikbaar ge- 
maakt door tallooze randjoe's, terwijl het terrein ter zijde van 
den weg zoo goed als onbegaanbaar was door ontelbare wolfs- 
kuilen , waarbij kleine aarden werken den vijand in staat stelden , 
de opruiming dier terreinhindemissen met succes te beletten. 

Na eenige goedgelukte worpen met den mortier, wordt Albrecht 
met 20 man uitgezonden om den vijand in den rechterflank aan 
te tasten, terwijl de Kapitein van der Heijden zelf den front- 
aanval zal leiden met den dapperen Hojel. 

De aanvalskolonne avanceert aan beide zijden van den weg, 
doch komt sleehts langzaam vooruit, daar de wolfskuilen ver- 
meden moeten worden en het telkens noodig is om de kleine 
aarden borstweringen met de bajonet te nemen, daar deze de flanken 
bedreigen; dit alles geschiedt onder een goed gevoed lilla- ea 



264 ZKLDZAAM EXEBKWUS AAN DKN LÜITKNAMT 

geweervuur der hoofd versterking, waar de vijand als naar ge» 
woonte zich door geschreeuw tracht op te winden en daarbij de 
beide bij hun zoo bekende aanvoerders, van der Heijden en 
Hojely honende scheldwoorden en uitdagingen toeroept 

Reeds telde de troep vele verliezen en naderde een deel, onder 
Hojel^s moedig voorbeeld, gestadig avanceerende, de hoofdver- 
sterking, toen het noodlottige schot viel en de held van zoovele 
gevechten, doodelijk in de mondholte getroffen nederstortte, terwijl 
hij zijne soldaten aanmoedigde en zich reeds gereed maakte voor 
den laatsten beslissenden aanloop. 

Flankeur Smit, een soldaat die in 't gevecht zelden Hojel's 
zijde verliet en ten zeerste aan hem gehecht was, roept, dit 
ziende, uit: €€de Luitenant moet gewroken worden! Vooruit t 
Volg me maar! Ik zal den weg wel wijzen !%% waarop hij terstond 
onweerstaanbaar vooruit stormt, trots 'svijands overstelpend ge- 
weervuur. 

Van vermoeienis of uitputting is geen sprake meer ! Allen zijn 
bezield met den meesten ijver en de grootste begeerte om het 
bloed van Hojel, hun beminden Luitenant, te wreken. 

Smit baant zich zonder op iets te letten met het kapmes in 
de eene en 't geweer in de andere hand door alle hindernissen 
heen een weg naar de versterking, op den voet gevold door de 
flankeurs Knipper, Gots en Rockharts en den Inlandschen fuselier 
Ressosmito. Allen schijnen onkwetsbaar in 't overweldigend vijan- 
delijk vuur! Hun aanval is niet te stuiten, zoo onweerstaanbaar 
dringen zij vooruit, slechts gedreven door den lust zich met den 
vijand te meten. 

Drie der moedigste vijanden vallen de voorsten met gevelde 
lans en zwaaiende klewang aan, doch alle drie vallen dadelijk 
onder de bajonetten der dapperen, die zelfs geen tijd hadden 
genomen de geweren te herladen. 

Terstond daarop stormen zij de vijandelijke wallen op, terwijl 
aan allen zijden hulp toeschiet en na een hevig handgemeen 
vluchtte de vijand, 14 dooden en 30 zwaar gewonden in onze 
handen achterlatende. 



DER INFANTKBnC H. J. HOJBL — 1860—1861 265 

De Elapitein van der Heijden , die moed op prijs wist stellen , 
bevorderde den flankeur Smit op het slagveld tot korporaal. 

Vier dagen later ontdekt in die streek de sergeant van den 
Bossche met eene patrouille van 20 bajonetten, soldaten die bij 
Hojers verwonding tegenwoordig waren , een huis dat den vijand 
tot schuilplaats diende en omsingeh onmiddelijk de woning. 

Terstond vallen 25 gewapende vijanden goed aaneengesloten 
den kleinen troep met de vreesselijke klewang verwoed aan. Een 
hardnekkige doch korte strijd ontstaat, waarin de bajonetten 
vreesselijk werk verrichtten en slechts aan drie vijanden gelukte 
het, hoewel gewond te ontkomen. De overigen blijven allen op 
het slagveld. 

Van de onzen waren eenigen gewond, doch bijna alle bajo- 
netten dropen van bloed en waren krom gebogen, want nog riep 
Hojel's bloed om wraak. 

Den 11^ Augustus 1861 overleed de dappere Hojel na een 
vreeselijk lijden aan zijne verwonding en ontviel aan dat dap- 
pere leger waarvan hij een sieraad was, diep betreurd door 
Chefs, kameraads en ondergeschikten, die hem allen lief hadden 
om zijn nobel en ridderlijk karakter. 

£n nog lang daarna was de zucht om Hojel's edel gestort 
bloed te wreken, eene aansporing voor de soldaten zijner kom- 
pagnie tot dappere roemrijke daden en den vijand tot nadeel 
en nederlaag. 



r 



Twintigdaagsche tocht 

met bewonderenswaardige volharding volbracht 
in de Zuid- en Ooster Afdeeling van Borneo 

1862 

Exigeant plus de sacrifices et par conséquent plus 
de vertns que tons les antres états , l'état militaire est 
& la fois Ie plus honorable et Ie premier des états. 

Dbsbobdbliebes , Morale Militaire. 

Daden van groote dapperheid en opofferende heldenmoed in 
den bloedigen strijd trekken gewoonlijk het meest de aandacht eener 
natie, ja zelfs van edeldenkende tegenstanders en zulks sedert 
de vroegste eeuwen , waarvan de overleveringen tot ons gekomen 
zijn, terwijl in de geschiedenis dier eeuwen meestal alleen van 
die feiten met grooten, doch welverdienden lof wordt melding 
gemaakt. 

Bij ons dapper Indisch Leger zijn dergelijke roemvoUe daden 
van Holland's waardige zonen niet zeldzaam, doch helaas allen 
worden niet altijd in de volle schittering hunner grootheid bekend 
zooals zij verdienen, vooreerst, omdat dikwerf die heldenfeiten 
in woeste afgelegen streken worden bedreven met hoogst enkele 
getuigen, maar bovendien omdat door den voortdurenden strijd 
die ons kranig Indisch Leger voert, waarbij telkens de schitte- 
rendste bewijzen van krijgsmansdeugd, moed, beleid en trouw 
worden gegeven, vele daden onopgemerkt blijven, omdat men 
aan zooveel roemrijke daden gewoon, ze als gewone plichtsver- 
vulling beschouwt 

Daaronder rekenen vooral de langdurige marschen onder een 
moordend klimaat in de meest woeste en onherbergzame streken , 
waar onze dapperen den verscholen vijand moeten opsporen en 
waarbij dan geen of weinig roemrijke gevechten plaats hebben, 
doch waar alleen zedelijke moed, volharding, geduld en onge- 
voeligheid voor soms duldeloos lijden op den voorgrond treden. 



TWINTIGDAAGSCHB TOCHT 267 

Voor dergelijke tochten zijn echte krijgsmansdeugden en bovenal 
zelfverloochening en discipline onmisbaar, terwijl de Officieren 
door hmine vastberaden houding bij de minderen het vertrouwen 
in de leiding onwankelbaar hoog moeten houden, om door dat 
vertrouwen hen op te wekken tot volharding en geduld. 

Op zulke tochten wordt dikwerf veel geleden door hitte, uit- 
putting, ziekte en gebrek , waardoor de sterkste gestellen neerge- 
drukt worden; daarbij is soms meer moed, vastberadenheid en 
doodsverachting noodig om de hinderpalen die zich voordoen , en 
den troep ten doode toe afmatten, worstelend te overwinnen, 
dan in den bloedigsten strijd, waar de opwinding van het oogen- 
blik de strijdenden tot het volbrengen van grootsche daden 
aanvuurt. 

Dergelijke tochten worden na terugkeer, somtijds zelfs door 
hen die er aan deel namen, vergeten, met uitzondering echter 
van die dapperen, die daarbij voor hun verder leven in hunne 
gezondheid geknakt zijn, want de roem van het strijdgewoel 
was daarbij óf luttel, óf ontbrak geheel. 

Een zoodanigen tocht van twintig dagen in het jaar 1862 inde 
Zuid- en Ooster-Afdeeling van Bomeo (Bandjermasin) , waarvan 
17 dagen van aanhoudenden vermoeienden marsch en strijd en 
slechts 3 dagen van betrekkelijke rust, moge hiervan een voor- 
beeld zijn. 

In de maand Juli 1862 zoude eene gecombineerde beweging 
van kleine kolonnes uitgevoerd worden in het district Petap , van 
de Zuid- en Ooster-Afdeeling van Bomeo, om de bevolking die 
zich nog steeds vijandig gezind betoonde, de kracht van onzen 
straffenden arm te doen gevoelen, daar zoolang die toestand aan- 
hield , ook de aangrenzende districten Balangan en Alei , en zelfs 
het bevriende Amoentaische , in onrust en spanning zouden blijven, 
door de voortdurende strooptochten en bedreigingen, der zich 
in de woeste streken door de Petap-rivier besproeid, voor onze 
troepen veilig wanende opstandelingen. 

In den Bandjermasinschen oorlog werden steeds kolonnes van be- 



268 TwnnidDAAescHB toght 

trekkelijk geringe sterkte gebezigd, zoowel omdat deze zich gemak- 
kelijker bewegen in een zoo doorsneden en onbegaanbaar terrein als 
de Zuid- en Ooster- Afdeeling van Bomeo aanbiedt , terwijl zij toch 
sterk genoeg waren tegenover den steeds weinig standhoudenden 
vijand, als ook omdat de groote nasleep van koelie's, noodig 
tot het medenemen der zoo noodige voorraden aan munitie 
en levensmiddelen , groote kolonnes te veel in hunne bew^;ingen 
zoude belemmeren. 

Voor de voorgenomen gecombineerde beweging zou eene kolonne 
uit Barabei-ie uitrukken naar de Petap-rivier , onder de orders 
van den Kapitein K. van der Heijden, de later zoo bekende 
Generaal te Atjeh, een tweede van uit Tabalong het Petapsche 
indringen, onder den Kapitein A. van der Hurk, terwijl een derde 
kolonne de verbinding zoude daarstellen tusschen de beide voor- 
gaande en van uit Pringin moest opmarcheeren , onder de aan- 
voering van den Kapitein K. I. B. Ëichelberg. 

Deze laatste kolonne, de eigenlijke hoofdkolonne, moest zoodanig 
ageeren dat zij bij kampong Langkap aan de Petap-rivier , aan- 
raking kreeg met de afdeeling onder Kapitein van der Heijden, 
en bij kampong Baroe aan de Balangan rivier met den troep uit 
Tabalong. 

Aan het beleid en de inzichten van den Kapitein Ëichelberg 
was het in verband met de omstandigheden overgelaten, het 
eerst Langkap, dan wel kampong Baroe aan te doen, doch daar 
de spionnen mededeelden, dat de vijand gelegerd was aan de 
boven-Petap-rivier, waar hij van uit de Doesson-streken van 
den Hoofdopstandeling Antassarie versterking kreeg en dat die 
benden aangevoerd werden door de voornaamste hoofden Pan- 
geran Amin Oelah en Kiaij Demang Lehman, zoo besloot de 
kolonne kommandant het eerst naar Langkap te marcheeren en 
daarbij den loop der Petap rivier te volgen, om vervolgens zijne 
schreden naar kampong Baroe te richten. 

Den 14^ Juli 1862 des morgens ten 9 ure stond bedoelde 
kolonne te Pringin voor den afinarsch gereed, sterk 90 bajo- 



IN DB ZUID- KM OOSTEB AFDBBUMO YAM BORNBO — 1862 269 

netten, waaronder 39 Europeanen en 51 Inlanders (Boegineezen), 
allen van het beroemde 7* Bataljon Infanterie, welks vaandel 
bij de omtrekking van Djagaraga (3® Balische expeditie) met 
het kruis der Militaire Willemsorde werd versierd. Voor het 
transporteeren van munitie, levensmidden en ambulance waren 
aan den troep toegevoegd 15 dwangarbeiders (veroordeelden) 
en 105 vrije koelies, die ruim betaald werden. 

Bij dien tocht zoude de Kapitein Eichelberg ter zijde gestaan 
worden door den Luitenant Adjudant H. P. J. Hennus, de 
Luitenants : J. P. Smagge en EL I. B. van den Abeelen , zoomede 
de Officier van gezondheid 3® klasse C. H. £. Deelken, allen 
Officieren die reeds geruimen tijd op het oorlogsterrein waren en 
met de moeielijkheden, aan dergelijke marschen in die streken 
verbonden, volkomen bekend waren. 

Deze in 't geheel ongeveer 220 man sterke kolonne besloeg 
eene lengte van ongeveer 1200 pas, daar de voetpaden geen 
anderen marschvorm mogelijk maakten dan de Inlandsche, dat 
wil zeggen op één gelid, man voor man, eene omstandigheid 
die voor den vervolge bij alle bewegingen dezer kolonne niet 
uit het oog verloren mag worden. Door dien marschvorm toch 
was de troep weinig slagvaardig, want het toezicht en de invloed 
der aanvoerders strekt zich voor 't oogenblik niet verder uit dan 
tot de soldaten die zij vóór zich kunnen zien, en die zij zich 
omkeerende kunnen waarnemen in zooverre het terrein dit 
toelaat, terwijl bovenal zoo'n marschvorm uiterst bezwarend en 
vermoeiend is, omdat deze telkens aanleiding geeft dat de 
kolonne zich onmerkbaar verlengt, waarvan het gevolg is, dat 
degeheele troep niet alleen bij elke vijandelijke demonstratie halt 
moet maken, doch ook telkens als het noodig is, om voor het 
behoorlijk verband de achterste manschappen van de onmogelijk 
lange kolonne te doen opsluiten. 

Voegt men bij dit telkens herhaalde uiterst afinattende halt 
houden en weder voorwaarts rukken, de moeielijkheden die zich 
telkens voordoen, door het steeds, zij ook slechts kort, stand- 
houden om den vijand te verdrijven, het elk oogenblik over- 



270 TWIMnGDAAOSCHB TOGHT 

trekken van rivieren, hetzij door ze eenvoudig te doorwaden, of 
wel middels door in der haast van boschmaterialen samengestelde 
vlotten over te steken, het somtijds zeer sterk stijgen en dalen 
van den weg, die zich langs de rivier slingert en niets is dan 
een plat getreden voetpad, hier en daar door den vijand met 
randjoe's beplant, of door versterkingen en verhakkingen, die 
genomen en opgeruimd moeten worden, verdedigd, de voort- 
durend blakerende tropische zon , die met hare brandende stralen 
de krijgers afmat en uitput en na dan op die wijze nog slechts 
een betrekkelijk korten afstand te hebben afgelegd, des nachts 
in den open lucht, dikweri onder hevige stortregens en geplaagd 
door tallooze insecten, nog slechts gedeeltelijk rust te genieten, 
terwijl de in der haast bereide voedingsmiddelen niet altijd even 
smakelijk zijn, dan kan men zich een klein beeld vormen van 
de moeielijkheden die bij zoo'n marsch overwonnen moeten 
worden en die steeds in aantal en grootheid toenemen , naarmate 
het terrein woester en afgelegener wordt, dan zal men begrijpen 
de massa volharding die allen moeten toonen en de zware proef 
die de vindingrijkheid, besluitvaardigheid en bekwaamheid der 
Officieren doorstaat. 

Op die wijze werd den 14®° Juli van des morgens 9 uur tot 
des avonds acht uur en den 15®** en i6®° Juli van des morgens 
6^ tot des avonds 5 uur voortdurend doorgemarcheerd, telkens 
strijdende met een weinig zichtbaren vijand en des nachts voort- 
durend beschoten, zoodat de rust die de vermoeide soldaten 
genoten, zeer gering genoemd kon worden. 

Den i6®° Juli bereikte men de kampong Langkap, waar de 
kolonne uit Barabei-ie nog niet was aangekomen en dus inge- 
wacht moest worden. 

Daarom besloot Kapitein Eichelberg daar den 17®" Juli te ver- 
blij ven , doch niet om veel te rusten , want door patrouilles wilde 
hij den omtrek doen verkennen, inlichtingen inwinnen, en zich 
met de uit Barabei-ie verwachtte kolonne in verbinding stellen, 

Ëene patrouille sterk 25 onderofficieren en minderen vereenigde 
zich na korten tijd met den troep onder de Kapitein van der 



m DE ZITIO- EN OOSTEB-AFDEELING VAN BOBNEO — 1862 271 

Heijden, ondanks 's vijands vuur, en keerde met die kolonne des 
middags ten één ure te Langkap terug. 

Een andere patrouille, eveneens 25 bajonetten sterk, onder 
de Luitenants Hennus en van den Abeelen , maakte onder anderen 
een marsch van i^ uur in de bedding van de snelstroomende , 
doch doorwaadbare Petap-rivier, omdat dit nog betrekkelijk de 
gemakkelijkste weg kon genoemd worden; de Luitenant van den 
Abeelen volgde met 3 soldaten den linkeroever die zeer hoog 
en steil was , om aan die zijde een opgang te zoeken , ten einde 
het bed van den stroom te kimnen verlaten, terwijl de rest langs 
den minder diepen rechteroever volgde. 

De Luitenant met zijne drie dappere Hollandsche jongens, 
de soldaten van Sijngel , Bruinier en Hediger, vond eindelijk een 
plek waar men gemakkelijk den oever kon beklimmen, ging 
naar boven en stond eensklaps tegenover eene vijandelijke leger- 
plaats, door eene ongveer 50 man sterke bende bezet. 

Geen oogenblik bedachten zich die vier braven, een salvo 
uit de drie geweren werd afgegeven op den te wapen loopenden 
verrasten vijand, en zonder aan herladen te denken, dat hen 
te lang zoude ophouden, stormden zij dadelijk met de bajonet 
op den vijandelijken troep in, die, niet vermoedende dat die 
brutale aanval slechts door vier mannen plaats had en er voor 
't oogenblik geen anderen konden volgen , zijn heil in de vlucht 
zocht en in het aangrenzende bosch verdween. 

Spoedig snelden de anderen hunne makkers te hulp, en nu 
begon eene hardnekkige vervolging, waarbij den vijand geheel uit 
elkaar gedreven werd. 

Deze patrouille keerde tegen 3 uur in het bivak te Langkap 
terug. 

Daar de troep van den Kapitein van der Heijden nog eenige 
dagen te Langkap zoude blijven, om de vallei der Petap rivier 
te doorkruisen, vervolgde de kolonne Eichelberg haren tocht en 
vertrok den i8*** Juli in de richting van kampong Baroe, ten 
einde de kolonne van Tabalong te ontmoeten. 



272 TwurnoDAAesoHi tooht 

Even als de vorige dagen was ook deze maisch op den i8^ 
en 19^ Juli zeer vermoeiend, niet alleen door den toestand van 
het terrein, maar omdat de vijand den kleinen troep , die nu dwars 
door 't meest onrustige deel der Afdeeling trok, geenoogenblik, 
zelfis niet des nachts met rust liet, en voortdurend met talrijke 
benden omzwermde, die telkens verdreven moesten worden. 

Vooral op het midden van den dag van den iQ^Juli werdde 
inspanning van den troep tot het hoogste punt opgevoerd en deze 
zoodanig afgemat, dat de manschappen zich niet verder konden 
voortslepen en de reeds nabij gelegen kampong Baroe dien avond 
niet meer konden bereiken. 

Op dien dag des morgens om 5} uur afgemacheerd , bereikte 
men, na aanhoudende worsteling met den vijand en talrijke hin- 
dernissen, tegen een uur des middags, als de zon 't hoogst staat 
en hare brandende stralen bijna loodrecht neerdalen, eene ladang 
van ongeveer 2 uur gaans uitgestrektheid, over welken afstand de 
kolonne met ongelooflijke inspanning vier uur voortworstelde en 
toen onmachtig en geheel uitgeput de verkoelende boschrand 
bereikte. 

Tot goed begrip van de inspanning voor dat deel van den 
marsch dient het volgende , voor hen die daarmede niet bekend zijn. 

Eene ladang is, in tegenstelling van eene Sawah^ waar de rijst 
op kimstmatig nat gehouden grond groeit, een droog rijstveld, 
en wordt door den Inlander eenvoudig daargesteld en vruchtbaar 
gemaakt, door alle boomen en struiken van een bosch om te 
kappen , deze in de tropische zon te laten uitdroogen en daarna 
in brand te steken. Van het dimne hout en de dorre bladeren 
verbrandt alles; de asch maakt de grond zoo vruchtbaar, dat de 
rijst welig groeit, die tusschen de gevelde doch niet verbrande 
stammen, soms echte woudreuzen, gezaaid wordt 

Is nu de rijst geoogst, dan blijven de stoppels staan, de 
stammen blijven liggen waar zij vielen en de Inlander zoekt 
weder eene andere plek voor zijn woekerbouw, eene woeste, dorre 
vlakte achterlatende, die door de zon geblakerd en zonder 
eenig schaduwplelqe, voor hen die daarover heen gaan evenveel 



IM DK ZÜID- BN OOSTEB-AFDBKUNG YAM BOBMSO — 1862 27S 

hindernissen aanbiedt als er stammen verspreid liggen, waar- 
tusschen de scherpe , stekelige , woeste alang-alang spoedig opschiet. 

Bij het overtrekken van eene dergelijke ladang heeft men 
in de brandende zon niet alleen te worstelen tegen de snijdende 
hardheid der stoppels die de voeten kwetst, vooral van den 
Inlander die blootsvoets gaat, maar die stoppels zijn tevens 
zoo glad, dat men telkens uitglijdt, terwijl men bovendien elk 
oogenblik boomstammen van soms aanmerkelijke dikte moet 
overklauteren en zich tusschen de half verbrande takken en 
onverbrande scherpe dorens moet heenworstelen. 

Het was voor den reeds vermoeiden troep een uiterst inspan- 
nenden arbeid , zoodat de soldaten dikwerf moedeloos en uitgeput 
neerzonken en de kolonne soms alleen door energie en discipline 
vooruit te krijgen was. 

Het was ook niet mogelijk deze hinderlijke ladang om te 
trekken, want de gidsen wisten geen weg in de aangrenzende 
bosschen, zoodat de kans bestond dat de troep zich aan ver- 
dwalen blootstelde, terwijl ook zonder dat, die omtrekking vele 
hoogst moeielijke uren gevorderd zoude hebben. 

Den 2C^^ Juli bereikte de kolonne, na een marsch van 6 tot 9 
uur in den morgen, voortdurend door den vijand bestookt , hare 
bestemming, Elampong Baroe, waar de troep uit Tabalong reeds 
sedert den vorigen dag was aangekomen. 

Den 2i«° Juli werden verschillende patrouilles in wijden kring 
ter verkenning uitgezonden, die van des morgens vroeg tot des 
avonds laat in beweging waren, doch nu nergens meer een vijand 
ontmoetten. 

£en vijftal daarbij gevangen genomen Dajaks deelden mede, 
dat de Hoofdaanvoerders van de benden des vijands, Pangeran 
Amin Oellah, Kiaij D^nang Lehman en Tommengong Didii^i 
Radja, allen zeer invloedrijke personen, zich met eene bende van 
ongeveer 400 goed gewapende en goed uitgerustte strijdbare man- 
nen aan de bronnen der Petaprivier ophielden, op denGoenong 
(berg) Hauk, een top van het groote Meratoesgebergte, eene 
hoog gelegen, woeste bergstreek, die zeer moeielijk te bereikeijL 




274 TWIMneDAACMOHB TOCHT 

was en waar zij zich veilig waanden, overtuigd als zij waren, 
dat onze troepen den weg daarheen niet wisten , en al konden zi| 
dien al vinden , dan toch nog onmogelijk daar zouden kunnen door- 
dringen, wegens den grooten nasleep die wij steeds mede moesten 
voeren, en omdat zelfe de aan het doortrekken van dergelijke 
terreinen gewende Dajaks , een dusdanigen tocht zeer bezwaarlijk 
achtten. Volgens hen zoude de tocht naar den Goenoeng Hauk 
minstens 3^4 dagen vergen en even veel om terug te keeren. 

Daar ook de Inlandsche Regent van Amoentai de mededee- 
lingen der gevangenen bevestigde , besloot de Kapitein Eichelberg, 
alvorens naar Pringin terug te keeren, met zijne kolonne den 
vijand in diens ongenaakbaren schuilhoek op te zoeken, hoe 
moeielijk hem dien tocht ook a%eschilderd werd, want hij wist 
wat hij met zijne dappere, volhardende mannen kon uitvoeren. 
Daarom vroeg hij in een spoedbrief, per ijlbode verzonden , aan 
den Majoor Konmiandant in de afdeeling Amoentai daartoe de 
noodige machtiging en verwachtte het goedkeurend antwoord in 
den loop van den 23®*^ Juli, zoodat hij zijne maatregelen nam 
om den 24*^" Juli op te rukken. 

Aan die voorbereidende maatregelen werden den 22^ en 23^ 
Juli besteed, tegelijk met het maken van patrouilles in den omtrek. 
Die betrekkelijke rust deed den vermoeiden troep goed, want 
nu vonden zij des avonds bij terugkeer in het bivak ten minste 
het eten gereed en konden des nachts rusten, als zij niet op 
veldwacht waren. 

Den 2y^ Juli keerde de kolonne van der Hurk naar Taba- 
long terug. 

Daar er in den morgen van den 24^ Juli nog geen antwoord 
van den Militairen Kommandant ontvangen was , besloot de Kapi- 
tein Eichelberg, na zijne Officieren geraadpleegd te hebben, den 
tocht naar Goenoeng Hauk op eigener autoriteit te doen, want 
wilde men het gelukken van dien tocht niet in gevaar brengen, 
dan moest deze onverwijld begonnen worden, om te beletten 
dat de vijand van onze nadering bericht kreeg en dus ontsnapte, 
^Bonder dat hem eene gevoelige les was gegeven, maar vooral was 



IN DB ZUID- BN OOSTBB-AFDKBLINe VAN BOBNBO — 1862 275 

dat onverwijlde b^iü noodig, omdat door eiken dag langer 
v^blijf in kampong Baroe de beperkte voorraad levensmiddelen ver- 
minderde, wat niet zoo spoedig weder aan te vullen zoude zijn en 
daardoor werd dus ook met eiken dag de kans van slagen geringer. 

Dien morgen (24® Juli) stond de kolonne voor den afïnarsch 
gereed, sterk, de 5 reeds genoemde Officieren, 75 onderofficieren 
en minderen, benevens 100 koelies om de voorraden te dragen. 
Van de soldaten waren 15 man, en van de koelies ook eenigen 
ongeschikt bevonden om den vermoeienden tocht mede te maken 
wegens verwondingen en ziekte ten gevolge van de vorige 
moeielijke marschdagen, en werden derhalve langs de rivier 
naar Pringin teruggezonden. 

De medegenomen voorraad rijst zoude nu met eenige zuinigheid 
voldoende zijn voor 7 k acht dagen , doch de voorraad gezouten 
vleesch, spek en andere levensbehoeften zouden zeker niet 
zoolang strekken, maar de aanvoerder rekende dat de gidsen 
zich als naar gewoonte in den afstand bedrogen en de moeielijk- 
heden overdreven hadden, zoodat de tocht vermoedelijk korter 
zoude duren, en bovendien hoopte hij gelegenheid te zullen 
hebben om den voorraad op 'svijands kosten aan te vullen. 

Even als altijd was de geest der militairen uitmuntend, want 
een soldaat van het Nederlandsch Indische Leger is altijd op- 
gewekt €als het er op los gaat*^ en hij het vooruitzicht heeft den 
vijand slag te leveren, al zijn aan den opmarsch ook nog zooveel 
bezwaren verbonden. 

De tochten der vorige dagen waren, vergeleken bij den 
marsch die nu aanving, slechts kinderspel en om een goed 
begrip daarvan te hebben en ten volle te besefifen wat op dien 
tocht met zoo bewonderenswaardige zelfverloochening en onuit- 
puttelijke trouwe volharding door onze dapperen geleden werd, 
zoude men óf zelf daarbij geweest moeten zijn, óf ten minste in 
Indiê een moeielijken oorlogsmarsch hebben medegemaakt, want 
geen pen is in staat, ten minste in eenige regelen, al dat lijden, 
al die inspanning en al die worstelingen met het terrein in al 
hare verschrikkelijke schakeeringen naar juistheid te schUderen. 



276 TwiMn«>AAesoHS toost 

Het verkregen succes beloonde echter al die moeite. 

Deze tocht stempelde eiken deelnemer tot held en bewees den 
vijand, dat voor het volhardende dappere Indische Leger niets 
onbereikbaar geacht kon worden en de soldaten onder hunne 
flinke Officieren zeifis het onmogelijke zouden kunnen volbrei^;en. 

Om 6^ uur in den morgen van den 24^ Juli 1862 werd 
weder a%emarcheerd in de richting van Moeara Montoejan, dat 
wil zeggen, een nauw merkbaar voetpad gevolgd, rechtuit door 
bosschen , over hoogten en door laagten , en op den gis door rivieren 
en moerassen, zoodat op het midden van den dag zelfs de gids 
verdwaalde, waardoor de kolonne een langen , hoogst moeielijken 
omweg maakte en eerst des avonds 'tegen 7 uur, zonder eenige 
rust genoten te hebben, aan het riviertje Hakes het bivak betrok. 

Den 25^ Juli begon de marsch weder om $\ uur. Na het 
met inspanning overklimmen van een hoogen en stellen bergrug, 
daalde de troep af naar de Balangan rivier en van af dit oogenblik 
hield zelfs elk spoor van weg of voetpad geheel op 

Nu werd de tocht voortgezet langs de rotsachtige bedding 
der Balangan rivier, stroomopwaarts door het water wadende, 
zoolang dit niet hooger kwam dan tot het midden van het 
lichaam, want langs de zwaar b^;roeide oevers zoude, w^;ens 
het wild dooreengestrengelde bosch, het doorkomen zoo goed ab 
onmogelijk geweest zijn, omdat voor eiken stap vooruit, de welige 
dichte plantengroei met het kapmes opgeruimd had moeten worden. 

Zoodra de rivier op sommige plaatsen te diep werd, klom de 
troep eenigzins tegen den steiTen en hoogen oever op , en volgde 
dien langs de helling door van steen tot steen te springen, en was 
ook dat niet meer mogelijk, omdat zelfs elk punt waar menden 
voet kon plaatsen ontbrak, dan zocht men een betere gelegenheid 
aan de overzijde. Fluks werd er dan van de menigvuldig voor- 
komende rottan een touw vervaardigd , dat door een goed zwemmer 
door den snellen stroom naar den tegenover gelegen oever werd 
gebracht en daar bevestigd, zoodat allen nu langs dat gespannen 
sterke rottankoord zonder gevaar konden volgen. 



IN DB ZUID- BN OOSTBB-AFDBXUNe VAN BOBNEO — 1862 277 

Hoogst afgemat, doornat en uitgeput bereikte de tro^ na 
eene voortdurende worsteling met de moeOijkheden van dien 
weg tegen 5^ uur des avonds eene drooge zandplaat in het 
midden der rivier, en betrok daar het bivak. Het eten werd zoo 
spoedig en zoo goed mogelijk bereid, waarna men rillende van 
koude in de natte kleeding en de open lucht den nacht doorbracht. 

Had den 25^ de tocht onder een voortdurend fel brandende zon 
plaats gehad, den 26^ Juli regende het aanhoudend, zooalshet 
in de tropen regenen kan. Ook nu werd even als den vorigen 
dag de Balangan rivier stroomopwaarts door het water gevolgd en 
bereikte de troep tegen 4 uur weder uitgeput en doornat eene 
geschikte plek op den oever, waar gebivakkeerd werd en de 
mannen eenige rust hoopten te vinden. 

De kolonne was nu eene plek genaderd aan den voet dier 
hooge en woeste bergen , waar nog nooit eenig ander levend wezen 
doorgedrongen was, dan de half wilde Dajak en de roofdieren 
des wouds. 

Hoe men ook op rust gehoopt had en op de warmte van 
groote aangelegde vuren, om de door koude en nattigheid ver- 
kleumde ledematen te koesteren , die hoop bleek ijdel. In de dikke, 
bijna tastbare duisternis van den nacht, steeg plotseling het gebrul 
van den voortbruisschenden bergstroom tot een woest donderend 
geluid, ijzingwekkend weerkaatst door rotsige wanden der hemel- 
hooge bergen en bracht de Dajaksche waarschuwingskreet 
^^andjirv» alles in rep en roer. Aan rusten was geen denken 
meer, want gevoed door den regen die den geheelen dag aan- 
gehouden had, trad de Balangan rivier eensklaps bulderend buiten 
hare oevers en overstroomde het bivak, waardoor de kolonne 
genoodzaakt was, hetzij in boomen te vluchten, hetzij op hooge 
rotsblokken, rillend bij elkaar gehurkt, in tastbare duisternis den 
nacht door te brengen, terwijl het water met woest geweld voort- 
stroomde, boomen ontwortelde en rotsblokken met donderend 
geluid medesleepende, tegen andere verpletterde. 

Even snel als het water der rivieren in Indiê bij bandjir rijst 
na een hevigen regen, even plotseling daalt het weder, zoodat 



278 TwiMneDAAesoHB tooht 

bij het krieken van den dag, op de bivakplaats slechts eene modderige 
brei was achtergebleven, en eerst nu was het mogelijk den toe- 
stand te overzien. 

Het was oppervlakkig een treurig troepje, dat daar in den 
morgen van den 27^ Juli in de wildernis voor den afmarsch 
gereed stond, doornat, bemodderd , gehavend , onoogelijk , rillende 
van koude en sommigen van koorts, de beenen en voeten ver- 
stijfd door verwondingen t^^n de rotsen, een zwak troepje dat 
geheel op eigen kracht moest steunen, verlaten als het was te 
midden dier vreeselijke wildernissen, die de braven met hunne 
verschrikkingen omgaven. 

Vele soldaten waren zonder schoeisel, dat door den marsch 
in moeras en water vergaan was, van de meesten waren de 
beenen en voeten gezwollen en gewond, de kleeren waren geha- 
vend en gescheurd , en het lichaam gekneusd door het vallen op 
de rotsen of het kruipen door doomige struiken, maar toch 
waren allen opgewekt en fier, en hoog klopte hen het moedige 
hart in den boezem. Geen dacht er aan den tocht op te geven, 
hoe pijnlijk het ook voor hem was om den lijdensweg te ver- 
volgen, die, naar 't beweren der gidsen, eerst nu werkelijk zóó 
bezwarend werd, dat al het voorgaande daarbij nog gemakkelijk 
scheen. 

Hoe trotsch zou Nederland geweest zijn, als zij een blik had 
kimnen slaan op dien haveloozen troep, samengesteld uit hare 
moedige zonen, die niet versaagden hoe de moeielijkheden ook 
toenamen, en wier blik, trots alles, slechts sprak van moed en 
vastberadenheid. 

De bedding der Balangan rivier moest nu verlaten worden , om 
te trachten dwars door en over het steüe en woeste gebergte 
in hunne nabijheid de bronnen der Petap rivier op te zoeken 
en dan zou de kolonne, als alles naar wensch ging, tegen den 
avond de vijandelijke legerplaats kimnen bereiken. 

Was er meer noodig om die kranige, brave jongens tot boven- 
menschelijke inspanning aan te vuren! 



IN DE ZUm- EN OOSTEB-AFDEBLINa VAN BOBNEO — 1862 279 

Om zes uur des morgens ving de laatste marschdag om dea 
vijand te bereiken aan, nadat alvorens de laatste jenever aan 
den troep was verstrekt, op last van den geneesheer. 

De tocht begon reeds dadelijk met de beklimming van een 
bijna loodrecht opstijgenden bergwand, nog glibberig van den 
overvloedig gevallen regen, waarbij de mannen zich van eiken 
uitstekenden steen, van eiken boom of van elk struikgewas moesten 
bedienen om naar boven te kruipen, en na elke 20 k 30 pas 
hijgend halt moesten houden, om weder op adem te komen, 
daarbij telkens uitglijdende, om dan volhardend dezelfde poging 
op hieuw te beginnen, zonder acht te geven op de pijnlijk 
gekneusde ledematen, of de smart der diep ingescheurde wonden , 
veroorzaakt door de als naalden lange en scherpe dorens der 
rottan, die als draden van reusachtige spinnewebben tusschen 
stammen en struiken den weg versperden, alles zonder om te 
zien, want de weg was voorwaarts en opwaarts. 

Doch toen de troep na lange worsteling den top bereikt had 
en even een blik naar beneden wierp, toen deinsden zij ontzet 
terug voor den afgrond die onder hen gaapte en zij begrepen 
zelf niet hoe het mogelijk was geweest, dat zij langs diensteUen 
wand opgestegen waren, maar nog raadselachtiger was 't hun, 
hoe de koelies met de hoewel kleine en b'chte, doch hinderlijke 
vrachten, die beklimming hadden volbracht Menig pak ging dan 
ook verloren en hoe dit ook te betreuren was , het was onmogelijk 
het verlorene weder op te zoeken. 

Zoo voortklauterend als waren het vliegen tegen bijna lood- 
rechte wanden, steeds gevaar loopende in de diepten te storten 
en verpletterd te worden, elkaar broederlijk helpende en steu- 
nende van welken rang of graad zij ook waren, allen slechts 
één in volhardende worsteling, nu meer glijdende dan loopende 
in steUe kloven afdalende, dan weder op nieuw een rotswand 
beklimmende, terwijl de tropische zon zonder eenige genade hare 
brandende stralen nederzond, zelfs de steenen brandend heet 
makende , waaraan de uitgeputte mannen zich opheeschen of den 
naakten gewonden voet plaatsten, bereikte de troep na eene 




280 TWINTIGDAAGSOHB TOCHT 

onafgebroken inspanning van lo uur, dus des middags ten 4 uur 
ongeveer het punt, vanwaar zij nog op een half uur afstand van 
de bronnen der Petap rivier verwijderd waren. 

Reeds in de verte, door de echo's weerkaatst, hoorde men 
het donderend geraas van de zich langs reusachtige rotsblokken 
voortspoedende wateren der Petap rivier, met woest geweld de 
hooge rotswanden beukende en watervallen vormende, die zich 
met ontzettend geweld in de diepten stortten. 

Hoewel het hoog noodig was, dat de tot het uiterste uitge- 
putte troep rust nam, waren er overw^ngen van zeer emstigen 
aard, die zich daartegen verzetten. £r bestond namelijk groote 
kans , dat zoo nabij 's vijands legerplaats een ronddwalende vijand 
den troep ontdekte en dan zoude 6f de tocht vergeeüsch geweest 
zijn, &f de overtalrijke vijand zoude de uitgeputte troepen aan 
alle zijden hebben besprongen en dan ware de kolonne voor- 
zeker verloren geweest, uitgeput als zij was, bijna zonder levens- 
middelen in die woeste streken, door allen verlaten en geen 
weg kennende. 

Het was zaak den vijand te verrassen en dat zoo spoedig 
mogelijk, voor dat het geheel donker werd. 

En de stemming van den troep maakte het ook niet noodig 
om met den aanval te wachten, want de vijand zoo nabij 
wetende, blaakten allen van strijdlust, en al was 't lichaam uit- 
geput, de verwachting gaf hun nieuwe krachten; de glinste- 
rende blikken die zij , in geduldige afwachting van 't kommando 
voorwaarts y in de richting wierpen waar men den vijand ver- 
moedde en de zorg waarmede zij de wapens nazagen, bewees 
dat de mannen hun plicht, ja veel meer zouden doen. 

Weldra gleed de troep eenvoudig langs den hoogen en steilen 
rotsoever der Petap rivier naar beneden in diens bruischende 
wateren; het was toen 5^ uur, en nu moest men nog tien 
minuten stroomafwaarts door het water voortrukken om de vijan- 
delijke legerplaats te bereiken, waaruit men reeds boven de toppen 
der boomen eenige vreedzame rookzuilen zag opstijgen. 

Vrees voor ontijdige ontdekking spoorde de mannen aan , om zich 



IN DB ZUID- BM OOSTBB-AFDBBLIKa VAN BOBNBO — 1862 281 

ZOO vlug mogelijk door het koele snelstroomende water over de 
talrijke rotsblokken voort te spoeden en om 5J uur stond de 
troep voor het vijandelijke bivak, waar men niets kwaads ver- 
moedde en rustig aan den arbeid was, of zich met spel ver- 
maakte. 

Tegelijk dat de kolonne voor de legerplaats verscheen, ontdekte 
haar ook de vijand, die terstond met luid geschreeuw in vreeselijke 
wanorde te wapen liep, want daar vertoonden zich de geduchte 
Hollandsche soldaten met hunne vreeselijke bajonetten en him 
bekend onweerstaanbaar élan. 

Alle pijn, alle ellende, alle inspanning en alle vermoeienissen 
waren vergeten, want de verrassing was gelukt; t^enover hen 
was de radelooze vijand; springende, loopende en zwenmieade 
bereikt de voorhoede den vijandelijken oever en klimt terstond 
voor den aanval naar boven. 

Schieten was niet mogelijk, want door de haast was het kruit 
in den stroom nat geworden. Welnu, dan maar met de bajonet 
er op in, en weldra was een bloedigen strijd, een vreeselijk 
handgemeen begonnen. 

Tal van vijanden zochten vol schrik hun heil in de vlucht 
naar het beschermende bosch, doch velen daarvan vielen in de 
handen van den regent van Amoentai met zijne afdeeling. 
Eenigen poogden in hunne wanhoop zich te verzetten en zelfe 
vrouwen wierpen zich met lans en kris gewapend op onze soldaten, 
maar tegen dien geordenden, dapperen troep was alle verzet ver- 
geefech en weldra was 'svijands legerplaats in onze handen, 
waar deze 13 dooden en tal van gewonden achterliet, waaronder 
verscheidene Hoofden. 

Pangeran Amin Oelah en Kiaij Demang Lehman, hoewel 
gewond, ontsnapten door de opoffering van eenige hunner onder- 
geschikten, doch de uitgeputte troep, kon na zoo'n marsch en 
na zoo'n strijd aan geen vervolging denken. 

Groot was de buit aan allerlei wapenen, krijgsvoorraad en 
preciosa's, de laatste voornamelijk bestaande uit Rijkssieraden 
van den Sultan van Bandjermasin; ofechoon de voornaamste 



282 TwiNneDAAesoHB tocht 

aanvoerders ontsnapten, vielen ons toch in handen Ratoe Dipati» 
de echtgenoote van den broeder van den laatsten Sultan van het 
Bandjermasinsdie Rijk, die door haar moedig en kordaat optreden 
de vlucht van den gewonden hoofdaanvoerder Amin Oelah 
mogelijk maakte, benevens haar zoontje Paogeran KetjU. Ookde 
2® vrouw van Kiaij Demang Lehman behoorde onder de gevan- 
genen, terwijl diens i* vrouw door een geweerschot werd neer- 
geveld, op het oogenblik dat zij een der Officieren met opgeheven 
kris aanviel en wilde doorsteken. 

Levensmiddelen, waaraan de kolonne juist groote behoefte had, 
werden in het veroverde bivak weinig gevonden. 

Des avonds ten 7 uur bivakkeerden de troepen in 'svijands 
legerplaats en overwinnend schetterde luid het geliefd Wilhehnus 
in die onbekend woeste oorden, getuigen van een schoon wapenfeit 
onzer dappere, onvermoeide soldaten. 

De nederlaag des vijands in zijn voor onze troepen onbereikbaar 
geacht toevluchtsoord, was zoo volkomen en zoo afdoende, dat 
hij daarna niet meer in staat was om iets van eenig aanbelang te 
ondernemen, doch nu had de geneesheer ook handen vol werk 
en hoe uitgeput hij zelf was, hij gunde zich geen rust voor hij 
zijne lijdende makkers, de brave volhardende soldaten, geholpen 
en verpleegd had. 

Afgescheiden van de uitputting der troepen en den gehavenden 
toestand waarin zij verkeerden, was de positie door eene andere 
omstandigheid zeer netelig, daar de gidsen verklaarden dat hun 
geen andere terugweg bekend was, dan de weg die de kolonne 
reeds gevolgd had om den vijand te verrassen en daaraan kon 
onmogelijk gedacht worden , want die ontzettende bezwaren zou de 
a%ematte troep niet ten tweeden male kimnen overwinnen, vooral 
daar het bleek dat een tiental soldaten wegens hunne verwon- 
dingen onmogelijk meer konden marcheeren en gedragen zouden 
moeten worden, terwijl tot overmaat van ramp slechts nog voor 
een paar dagen rijst en voor één dag zout vleesch en spek in 
voorraad was. 

Hoe dringend het ook noodig mocht zijn ten minste één dag 



IN DB ZUID- EN OOSTEB-AFDBBLINe VAN BOBNBO — 1862 288 

te rusten en zoo mogelijk de overwinning volkomen te maken, 
door de meest valide manschappen den omtrek te doen door- 
zoeken, het kon en het mocht niet, want alles moest zwichten 
voor, geen voedsel. 

De Kommandant moest trachten zoo spoedig mogelijk te Pringin 
te komen en daar geen der gidsen eenige inlichtingen kon geven , 
besloot hij op goed geluk den stroom der Petap rivier te volgen en 
zoo Langkap te bereiken, dat benedenstrooms aan den oever dier 
rivier lag, en waar zij den 17^ Juli te voren gebivakkeerd hadden. 
Hoe ver echter Langkap verwijderd was , wist niemand te zeggen. 

Den 28"* Juli des morgens zeer vroeg ging de troep weder op 
marsch en daalde in het water der Petap rivier af, na 's vijands 
legerplaats verwoest te hebben. 

Den 28®°, 29®»* en 30®** Juli sleepte de troep met hare zieken 
en gewonden zich door de rivier over den rotsachtigen bodem, 
tot het middel door 't water wadende, nu vallende en door den 
hevigen stroom medegesleept , dan zich weder aan de scherpe rots- 
blokken, die de ledematen kneusden en wondden, optrekkende, 
voortdurend doornat , overdag geblakerd door de zon , des nachts 
verkleumd en bibberende van koude en koorts, bijna geen rust 
kennende en de twee laatste dagen alleen drooge rijst met water 
als eenig voedsel gebruikende, doch altijd zonder morren en 
zonder klagen, elkaar steunende en opbeurende als brave mak- 
kers, rang en positie vergetende en him plicht vervullende als 
kranige , moedige soldaten van 't Indische Leger. 

In de namiddag van den ^o^ Juli bereikte de kolonne, zonder 
door den vijand in hare benarde positie lastig gevallen te zijn, 
de kampong Langkap, doch 't was slechts een troep invaliden 
met ontvelde en bloedende voeten, gezwollen beenen , haveloos , 
bemodderd en in lompen gekleed, sommigen steimende op een 
stok , die de kampong binnen marcheerde , doch de verroeste en 
gehavende wapens werden fier gedragen. 

De meeste koelie's, die trouw hunne buitengewoon zware taak 
met lofifelijken ijver vervuld hadden, zoodat geen enkele zieke 
of gewonde achterbleef, vielen van uitputting neer. 



284 TwninaDAAOsoHS tocht 

Toch mockt de troep niet rusten voor zij Pringin bereikt had 
en reeds den volgenden dag begon de marteling op nieuw en 
sleepten de mannen zich langs den moeiehjken weg voort. 

Den i^ Augustus kwam men te Pringin aan, waarde kolonne 
door de achtergebleven makkers met luiden jubelkreet en harte- 
lijken welkomstgroet werd ontvangen» terwijl het hun aan geen 
goede en liefderijke zorgen ontbrak. 

Bijna allen waren ziek. 

Veel leed was geleden, veel ellende doorstaan, doch de 
dapperen hadden weder getoond dat voor de fiere Hollandsche 
jongens en hunne donkerkleurige makkers van het roemrijke In- 
dische L^;er, niets onmogelijk en niets onbereikbaar was, en dat ook 
buiten den bloedigen strijd onze braven de bewijzen konden leveren, 
dat de groote militaire deugden van onzen Hollandschen stam in 
de moeilijkste oogenblikken schitterend op den voorgrond zullen 
treden. 

Mogen zij die zoo Holland's naam in eere houden, steeds naar 
verdiensten worden gewaardeerd door Nêerland's volk, want dat 
vooral maakt aan die braven zelfs de moeielijkste taak nog licht 



Een krUgstocht langs de Kajan-rivier 

Wester Afdeeling van Borneo 
1865 

Zelfstandig en beslist optreden van de Luitenants der Infanterie 

M. A. DU Croo en H. L. J. F. Smbets. 



Zoo worden alleen v^iOtiwUUkendBhrijgsdadmf 

op de MüiiawB WiUamaorde aanspraak gevende , gehouden , 
de zoodanigen welke hadden kunnen nagelaten worden, 
zonder zich daardoor aan pligtverznim schuldig te maken 
en welke dos eene meer dan gewonen graad van moed, 
beleid en trouw openbaren. — Art 1 , Reglement van Admi- 
nistratie en Discipline voor de MUitaire Willemsorde. 



Onder de gevallen bedoeld in Art I van het Reglement van 
Administratie en Discipline voor de Militaire Willemsorde, waar 
het beslist, zelfetandig handelen en het doeltreffend ingrijpen in de 
krijgsgebeurtenissen door den dappere , die dat op eigen verantwoor- 
delijkheid uitvoerde, terwijl het niet tot diens directe plichten kon 
gerekend worden, behoort het even beleidvol als moedig optreden 
van de Luitenants der Infanterie, M. A. du Croo en H. L.J. F. 
Smeets bij den tocht op de Kajan-rivier, ter Wester Afdeeling 
van Borneo, welke expeditie, onder den toenmaligen Luitenant 
Kolonel G. P. de Neve, ten doel had, om den vijand uit diens 
broeinest van opstand, Loboh Kranje, te verdrijven en daarna naar 
het tweede centrum van den tegenstand, Tebida, op te rukken. 

Onzen strijd tegen de Dajaksche volkstammen aan de Kapoeas- 
Melawie- en Kajan-rivieren werd hoofdzakelijk gevoerd om een 
aloud doch wreedaardig gebruik onder die inboorlingen uit te 
roeien, namelijk het koppensnellen. Noch overreding, noch ver- 
toogen, noch beloften hadden hen er toe kunnen brengen, dat 
met hunne zeden samengegroeide gebruik af te schaffen, zoodat het 
voortdurend aanleiding bleef geven tot bloedige roof- en moord- 



286 XKN KBUGSTOOHT LANGS DE KAJAK-SIVIER 

partijen tusschen de verschillende zelfstandige stammen, waarin 
de Dajaksche bevolking verdeeld was , waarom de regeering besloot 
hen met kracht van wapenen tot gehoorzaamheid te dwingen, daar 
zij als beschaafde natie dergelijke moedwillige en schandelijke 
moordtooneelen, hoewel tot de zeden en gebruiken des lands 
behoorende, op haar gebied niet dulden mocht 

Bij de Dajakkers, wier eenigste kleedingstuk een, soms een- 
voudig van boomschors vervaardigd doek is, dat om de lendenen 
van het overigens meestal fraai en regelmatig getatouëerde 
forsche lichaam geslagen wordt, bestaat de voornaamste rijkdom, 
behalve in den mandouw (strijdzwaard) , welks schede versierd 
wordt met haarlokken van de hoofden der door hen versla- 
genen, terwijl voor elk afgeslagen hoofd de kling van een 
onuitwischbaar merkteeken wordt voorzien, ook in de grootst 
mogelijke verzameling van zelf afgehouwen menschenhoofden, 
die gedroogd en gerookt als even zoovele zegeteekenen voor 
hunne woningen worden opgehangen. 

Hoe meer van dergelijke afzichtelijke tropeeên de Dajakker bezit, 
hoe meer hij in aanzien is en hoe beroemder hij zal zijn onder zijne 
natuurgenooten, die hem als een held bewonderen en vereeren. 

Werden die schedels nu nog na een dapperen strijd met gevaar 
van eigen leven verkregen, dan zou dit, hoe onmenschelijk der- 
gelijke zegeteekenen ook mogen zijn, nog eenigszins de trotschheid 
van den bezitter rechtvaardigen, doch de moed om die be- 
roemdheid op die wijze te verkrijgen, ligt niet in den aard van 
den Dajakker, die 't gemakkelijker en minder gevaarlijk vindt, 
om die bewijzen van heldenmoed te veroveren, door argeloos 
ronddwalenden van andere stammen op slinksche wijze te be- 
kruipen, op een gunstig oogenblik het weerlooze slachtoffer van 
achteren te bespringen en dan met één geduchten slag van den 
zwaren mandouw het hoofd van den romp te slaan. 

Hoofdzaak blijft het voor hem , dat hij met een minimum gevaar 
voor zich zelven, de schede der mandouw met een groot aantal 
haarlokken en zijne woning met talrijke schedels versieren kan. 
Eigenaardig is 't, dat hoe gezocht die schedels ook zijn, zij bij deze 



WSSTBB AFDKBUNe VAN BOBNBO — 1865 287 

minder praktische Dajakkers geen handelswaarde bezitten en 
alleen dan in moreele beteekenis in aanzien zijn , als de bezitter ze 
eigenhandig snelde. 

£ene dergelijke heldendaad, die meer heeft van een laf har* 
tigen moord, lokt nu, in verband met hunne gewoonten en 
zedelijkheidsbegrippen, weerwraak uit, die op dezelfde wijze wordt 
voldaan, zoodat dit tal van sluipmoorden ten gevolge heeft , 
waarvan menig onschuldige het slachtoffer wordt 

Onder de verschillende Dajaksche volksstammen zijn de ELajan- 
Dajaks de meest krijgshaftige en onder himne rasgenooten de 
meest gevreesde. 

Deze ELajan-Dajaks hadden onder him opperhoofd, zich noe- 
mende Pangerang Mas Natewidjaja, te Loboh Kranje aan den 
oever der Ingar-rivier, een rechter zijrivier van de Kajan, eene 
sterkte gebouwd , van waar zij onophoudelijk onze nederzetting te 
Sintang, gelegen aan de samenvloeiing van de Melawie- en Kapoeas- 
rivieren, op alle mogelijke wijzen verontrustten, terwijl stroom 
opwaarts van de Kajan-rivier de Tebida-Dajaks eene voor hun 
doen geduchte sterkte bezaten, waar zij ons gezag openlijk 
trotseerden en van waaruit zij ongehinderd himne moord- en 
strooptochten volbrachten. 

De bewapening der Dajaks bestaat in hoofdzaak uit een zwaar 
slagzwaard (mandouw), waarmede zij vreesselijk handig omgaan ^ 
lansen die zij met meesterlijke juistheid weten te werpen, en 
soempittans of blaaspijpen, waardoor zij met vrij groote zekerheid 
kleine, vlijmscherpe, soms van weershaken voorziene vergiftigde 
pijltjes blazen. Bovendien waren velen hunner met vuursteen* 
geweren gewapend en hadden zij ook lilla's of kleine, lichte 
draagbare en gemakkelijk vervoerbare kanonnetjes, benevens 
eenige percussie-geweren, die in een oogenblik van verkeerd 
geplaatst vertrouwen door onze autoriteiten met de noodige 
munitie aan sommige hulptroepen waren verstrekt, en nu tegen 
ons gebezigd werden. 

Het terrein waarop tegen Loboh Kranje geageerd moest worden „ 



288 KEN KBUeSTOCST LANeS DB KAJAV-SIVISB 

lag tusschen den linkeroever der ELapoeas- en den rechteroever der 
Kajan-rivier, in welke laaste de Ingar, zooals reeds gezegd is, 
zijn water uitstort. De Kajan-rivier, rechter zijrivier der Melawie, 
staat door deze laatste met de Kapoeas in verbinding. 

De zeer breede strook gronds tusschen de Kapoeas ten 
Noorden, de Melawie ten Westen, en de Kajan-rivier ten 
Zuiden, is even als overal elders in dat deel van Bomeo eene 
bijna ondoordringbare wildernis, door tallooze onbevaarbare 
riviertjes en waterloopen doorsneden en meest altijd grootendeels 
moerassig, waardoor alleen paden voeren, bestaande uit om- 
gekapte of omgevallen woudreuzen, een zoogenaamd Dajaksch- 
voetpad, in 't algmeen een terrein, waarin alleen zij die daar 
geboren en getogen zijn, zooals de bijna geheel naakte Dajak, 
kunnen doordringen en zich orienteeren. 

Door die terreinsgesteldheid , waar het aanleggen en onder- 
houden van wegen bijzonder kostbaar zoude zijn en het dus 
buitengewoon veel bezwaar in heeft om de troepen over land 
met him grooten nasleep en hun geschut naar het object te 
voeren, geschieden alle expeditie's, zoover als dit mogelijk is, 
per stoomschip, en dan verder per bidar. 

Bidar's zijn weinig diep gaande, vrij groote, overdekte Inlandsche 
prauwen, door zes k acht roeiers voortbewogen en waarin dan 
bovendien nog voor lo ^ 15 gewapenden plaats is. De prauwen 
voor de ambulance aangewezen, zijn meestal de grootste en 
worden gewoonlijk uiterlijk zoodanig gemerkt, dat zij reeds van 
verre voor allen kenbaar zijn. 

Op die wijze worden de grootste afetanden te water afgel^d, 
wat echter niet gemakkelijk is, want op sommige plaatsen is door 
versmalling van de bedding der rivier de stroom zoo sterk, dat men, 
stroomopwaats roeiende, dikwerf den geheelen dag noodig heeft 
om een afetand van een paar honderd meter af te leggen en 
somtijds het moeielijkste punt moet overwinnen, door van rottan 
vervaardigde touwen aan de boomen op den oever te bevestigoi 
en zoo prauw voor prauw tegen den hevigen stroom op te trekken 
Teruggaande, dus stroomafwaarts varende, gaat de tocht vliegensvlug. 



WBSTKB AFDSELINe YAN BOBNSO — 1866 289 

Rekent men bij de benoodigde ruimte voor het aantal combat- 
tanten eener vrij sterke kolonne, nog die welke vereischt wordt 
voor de mede te voeren voorraden van allerlei aard» waaronder 
ook de levensmiddelen voor de roeiers , benevens de afzonderlijke 
bidars voor geschut en ambulance en wat verder voor een tocht 
van eenigen duur noodig is, dan kan men zich, in verband met 
den betrekkelijk geringen inhoud der bidars, een denkbeeld 
maken hoe groot, hoe onhandelbaar en hoe weerloos zoo'n drij- 
vende kolonne is, daar de soldaten door de weinig beschikbare 
ruimte bijna geen gebruik van hunne vuurwapenen kunnen 
maken en bovendien somtijds de prauw met de riemen moeten 
voortbew^en, omdat, als men het niet tijdig voorkomt, de 
vreesachtige roeiers bij het eerste vijandelijke schot over boord 
springen , daar zij , goede zwemmers als zij zijn, zich in het hen 
verbergende water veiliger achten dan in de bidars, die den 
vijand tot mikpunt dienen. 

Talrijke hulpmiddelen worden er geeischt, ten einde eene kolonne 
van eenigen omvang geschikt te maken om tegen den meestentijds 
onzichtbaren , wijkenden en zeldzaam standhoudenden vijand op 
te rukken, talloos zijn de bezwaren om in zoo^n terrein den 
vijand op te zoeken die nooit te verrassen is , en heeft men den 
t^enstander bereikt, dan is het succes der onderneming nog 
meestal denkbeeldig. 

De volkomen onderwerping der Dajaks aan onzen wil volgde dan 
ook eerst, toen op doeltreffende wijze den toevoer van zout, dat 
in de binnenlanden van Bomeo niet geproduceerd wordt doch 
van de kust moet aangevoerd worden, geheel was a%esneden 
en thans komen koppensneltochten nog slechts sporadisch voor 
en dan alleen nog t^en bepaald vijandige stammen, zoodat dit 
meer als hunne wijze van oorlogvoeren te beschouwen is. 

Voor de expeditie naar Loboh Kranje en Tebida, die van uit 

onze sterkte te Sintang ondernomen zoude worden, werden de 

volgende beschikkingen genomen* 

De Kapitein Kraal zou met eene sterke patrouille de Kapoeas- 

19 



200 XXM KBUeSTOOHT LANeS DS KAJAN-BIVIKB 

rivier opvaren tot aan de monding der Süah-rivier, deze laatste 
tot op eene bepaalde plaats met de prauwen zuidwaarts volgen» 
daarna debarkeeren en dan, geleid door bekwame gidsen, dwars 
door de wildernis op Loboh Kranje van 't Noorden aanrukken, 
na de Ingar-rivier op eene bij den gids bekende waadbare plaats 
te zijn overgetrokken. 

Het overige der kolonne zou onder de persoonlijke aanvoering 
van Overste de Neve, middels het Gouvemements stoomschip 
«Kapoeas», de Melawie-rivier opvaren tot aan de monding der 
Kajan-rivier. Daar zouden de troepen in de mede opgesleepte 
bidars overgaan, omdat de Kajan-rivier voor het stoomschip niet 
bevaarbaar was; de zoo gevormde flotille zou met kracht van 
riemen t^en den stroom der Kajan-rivier opvaren,, en het 
stoomschip voor de monding de terugkomst der kolonne afwachten, 
tevens dienende tot depot van levensmiddelen en munitie, en 
om c. q. de voor de kolonne mede te nemen voorraad aan te 
vullen en van Sintang af te halen. 

De gewapende sloepen van het Gouvemements stoomschip 
maakten, onder de orders van den heer van Vliet van de Gou- 
vemements Marine, ook deel uit van de bidar-fiottille. 

Bij de Ingar-rivier gekomen, werd de Luitenant P. H. van 
Hulstijn met 25 bajonetten en 50 man hulptroepen in eenige 
bidars deze zij-rivier opgezonden, om van de Zuidzijde eene bewe- 
ging te maken t^en het aan die rivier gelegen Loboh Kraiije, 
in zamenwerking met de kolonne Kraal en de hoofdkolonne , en 
tevens ook om het ontvluchten van den vijand langs die rivier te 
beletten. Van zijne geheele macht kon de Luitenant van Hulstijn 
voor 't gevecht alleen rekenen op de soldaten van het Indische 
Leger, want de Dajaksche hulptroepen zijn alleen goed om de 
taak der [manschappen bij vervoer te verlichten, of , als de vijand 
niet te nabij is, als éclaireurs dienst te doen, terwijl zij overigens 
veel schreeuwen en beweging maken, zich gedurende het gevecht 
schuil houden en als dat afgeloopen is, zeer behendig weten te 
plunderen; dat alles geschiedt, niettegenstaande zij inden oorlog 



WBSTKB AFDESLING VAN BOBNBO — 1866 291 

katoenen baadjes of buisjes dragen, beschreven met koran- 
spreuken, waardoor zij onkwetsbaar worden, doch hun vertrouwen 
op die beschermende toovermiddelen is niet groot 

Op eenigen afstand verder stroomopwaarts, voorbij de Ingar* 
rivier, ging de hoofdkolonne op den rechteroever der Kajanaan 
den wal en trok zoo van uit het Z.-W. naar 's vijands positie op. 

De tocht die in 't geheel een paar dagen duurde, had wel 
succes, want het versterkte roofiiest van den Hoofdopstandeling 
werd genomen, doch overal week de vijand voor onze aanruk* 
kende troepen en verdween in de wildernis, na ons, van achter 
boomen en struiken waar hij verscholen was, eenige verliezen te 
hebben toegebracht. 

Het moreele succes was zoo luttel, dat toen de kolonne te 
Sintang terug was en de gesneuvelden op het eenigszins afge- 
legen kerkhof begraven werden, een flinke troep noodig bleek om 
den vijand uit den boschrand in de nabijheidte verdrijven, waar 
hij zich in grooten getale genesteld had en de begrafenis met 
z^ne kogels verontrustte. 

De kolonne Kraal kwam, na eenigen tijd met groote inspan- 
ning en ontzettende vermoeienissen door de zoo moeielijke ter- 
reinen te hebben gedwaald, te Loboh Kranje aan, toen de 
hoofdkolonne die sterkte reeds zonder veel moeite bezet had. 

De kolonne van Hulstijn ondervond emstigen tegenstand, 
weerloos als zij in de kleine bidars was op de diepe rivier met 
zeer snellen stroom, telkens van uit de boschrijke oevers be- 
schoten wordende, zonder een vijand te zien. 

Den eersten dag werd de kleine flottille plotseling door een 
overstelpend vuur ontvangen, waardoor twee Inlandsche fiiseliers 
in de bidar van den Luitenant sneuvelden. Tegelijkertijd sprongen 
ook alle roeiers aan de tegenovergestelde zijde van die waarvan 
het vuur kwam over boord, om de bidar tusschen zich en het 
fluitende lood te plaatsen, door welke beweging de zeer lichte 
prauw dreigde om te slaan en alle inzittenden zeker in den 



292 ESN KBUeSTOOHT LANGS DS KAJAN-BIYISB 

snellen stroom verdronken zouden zijn, als niet de Europeesche 
faselier £. Sommerhalder moedig over boord gesprongen was 
naar de zijde des vijands en zob de bidar voor kantelen be- 
hoedde; zonder zich aan het voortgezet vijandelijk geweervuur 
te storen, waardoor nog drie manschappen gewond werden, 
zwom hij met een touw naar den door den vijand bezetten 
oever , terwijl een hagebui van kogels over hem heen in 't water 
sloeg en gelukte het hem het vaartuig naar den oever te trekken, 
doch zoodra de soldaten aan den wal sprongen, verliet de 
vijand zijne positie en verdween in de wildernis. 

Des nachts aan den wal bivakkeerende werd de kleine kolonne 
in de duisternis weer beschoten, doch nu van den anderen 
oever, waardoor nog een Europeesch korporaal gewond werd. 

Daar den volgenden dag de hevige stroom het roeien bijna 
onmogelijk maakte en de troep weder door den vijand hevig met 
lilla's en geweren beschoten werd, zoodat 't onmogelijk was per 
prauw verder te komen zonder talrijke verliezen te lijden, 
terwijl 't voor de kleine kolonne ondoenlijk was met de ge- 
kwetsten door het bosch te dringen en er op de hulptroepen in 
't geheel niet te rekenen viel, besloot de Luitenant van Hulstijn 
naar de monding terug te keeren en daar nadere orders of 
versterking af te wachten. 

Voor de hoofdkolonne wijkende, had de vijand dwars door de 
wildernis vluchtende, zich verzameld aan de oevers der Soengie 
Mau, eene verder stroomopwaarts naar de zijde van Tebida 
gelden rechter zijrivier der Kajan, waar hij door eenige waad- 
bare plaatsen, bij hem alleen bekend , gemakkelijk op beide oevers 
te gelijk kon ageeren. 

De Kolonne Kommandant zond onmiddelijk de beschikbare 
troepen onder Kapitein de Leon derwaarts, versterkt met de 
gewapende sloepen der Gouvemements Marine onder den heer 
van Vliet 

Wel werden ook hier de als altijd voor onze troepen ongenaakbare 
Dajaks verdreven door het onverschrokken aan wal gaan onzer 



WBSTEB AFDBBLING VAN BOBNBO — 1865 293 

dapperen, doch nevens tal van gewonden hadden wij het verlies 
te betreuren van de flinke onversaagde aanvoerders de Leon en 
van Vliet, die den heldendood stierven terwijl zij de hunnen 
voorgingen tegen den overal den troep onzichtbaar omzwermenden 
vijand. 

Wijl het nu bleek dat het water der rivier sterk vallende was , 
waardoor een uit rotsblokken bestaanden natuurlijken dam in de 
Kajan-rivier slechts hoogst moeielijk door de bidars gepasseerd 
kon worden en de snelheid van den stroom met de daling van 
het niveau van het water toenam, zoodat het te voorzien was 
dat slechts uiterst langzaam en hoogst bezwaarlijk tegen dien 
stroom voortgeroeid kon worden, werd van den verderen tocht 
naar Tebida afgezien. 

Tengevolge van dien besloot de aanvoerder tot den terugtocht 
en werd deze dan ook zoo spoedig mogelijk aangevangen. 

Geholpen door den sterken stroom ging het nu snel stroom* 
afwaarts, wat niet zeer bevordelijk was voor de goede orde, 
terwijl de verwarring nog vermeerderd werd , door dat de drijvende 
kolonne van beide oevers door den vijand hevig werd beschoten , 
omdat deze, die in dien snellen terugtocht eene vlucht meende 
te zien, den noodigen overmoed had gekregen om de kolonne aan 
te vallen. Door die beschieting spanden de vreesachtige roeiers 
alle krachten in om zoo spoedig mogelijk buiten 's vijands bereik 
te komen, zoodat daardoor de wanorde haar toppunt bereikte. 

De achterhoede echter, onder de Luitenant H. L. J. F. Smeets, 
had eene bijzonder zware taak, niet alleen om zich den over- 
moedig geworden vijand van het lijf te houden en te zorgen 
dat niets of niemand van de kolonne achterbleef, waartoe zij 
elk oogenblik den steven weder naar den oever moest wenden, 
debarkeeren en den vijand verjagen, maar bovendien had men 
de grootste moeite om de roeiers in bedwang te houden, die 
telkens poogden in de snelst mogelijke vaart de andere voort- 
ijlende bidars in te halen, en slechts met groote moeite door 
dwang en gestrengheid er toe te krijgen waren onder 's vijands vuur 
wèrkzaiam te blijven en den gevaarlijken oever te naderen, ten 



294 hn kbuobtooht langs db kajan-bhthb 

einde goederen of achtergebleven koelies op te nemen; hierdoor 
werden de bidars op bedenkelijke wijze overladen, doch de 
kommandant ontzag noch moeite, noch gevaar om zijn plicht 
met de meeste nauwkeurigheid en ijver te vervuilen. 

De Luitenant M. A. du Croo behoorde als ondergeschikt Officier 
tot de hooidkolonne, die, den stroom der rivier volgende, met 
spoed naar de op de Melawie-rivier voor de monding der Kajan 
wachtende Gouvemements stoomer «Kapoeas» toeijlde en had 
dus alleen bemoeienis met de bidar waarin hij zich bevond. 

Op zeker oogenblik was het hem mogelijk de geheel drijvende 
kolonne met één blik te overzien en toen bemerkte hij , dat onder 
de voortsnellende vaartuigen de bijzonder kenbare Ambulance- 
prauw ontbrak; hij kende dat drijvende hospitaal bijzonder goed, 
want gedurende eenigen tijd was hij, terwijl de kolonne naar 
Loboh Kranje oprukte, met de bewaking der in het bivak ach- 
tergelaten transportmiddelen belast geweest 

Eensklaps ging den bekwamen Officier het denkbeeld door het 
hoofd, dat die prauw, die zonder eenige verdedigingsmiddelen 
was, in der haast wellicht met het ambulance personeel en al 
de zieken en gewonden achtergebleven kon zijn; was dit zoo, dan 
liep die bidar gevaar om door den bloeddorstigen op menseden- 
hoofden belusten vijand genomen te worden en dan was de dood 
der weerlooze bemanning zeker. 

Even snel als dat denkbeeld bij hem oprees, had hij met 
vaste hand het roer gegrepen, de bidar in den stroom geëerd 
en de weerbarstige roeiers middels zijne soldaten gedwongen om 
weder met volle kracht tegen den stroom op te roeien en naar 
het gevechtsterrein terug te keeren, waarbij hij andermaal de 
vijandelijke vuurlinie moest passeeren. 

De aan den oever opgestelde vijanden lieten zich dan ook 
niet onbetuigd om die brutale bidar met hun vuur te overstelpen, 
doch gelukkig werd alleen het vaartuig geraakt en geen der 
inzittenden getrofifen. 

Weldra ontmoette hij de achterhoede onder Smeets , die «indeiijk 



WBSTEB AFDSELING YAN BOBHBO — 1866 295 

de kolonne volgde, omdat hij niets meer bemerkte waarvoor hij 
te zorgen had, en vroeg nu dezen waar de Ambulance-bidar was. 

Smeets, overtuigd zijnde dat dit vaartuig, zooals het behoorde 
bij de hoofdkolonne was en wel vooraan, antwoordde in dien geest , 
doch toen du Croo hem verzekerde dat hij van het tegendeel 
overtuigd was en zijne hulp inriep om de prauw te zoeken, gaf 
Smeets terstond bevel om terug te gaan, en gezamenlijk ging 
het nu stroomopwaarts onder het opperbevel van du Croo als 
de oudste aanwezige Officier. 

Na eene moeielijke en volhardende worsteling tegen den stroom , 
tegelijk aan alle zijde zoekende en teekens gevende, vonden zij 
eindelijk het gezochte vaartuig in eene der kleine kreken, waar 
de vreesachtige roeiers het ingestuurd hadden en waar het nu 
door den val van het water vast zat De roeiers waren in het 
bosch gevlucht en het aan zich zelf overgelaten ongewapende 
ambulance-personeel was niet in staat de aan hunne zorg toe- 
vertrouwde dapperen te redden, doch hadden er ook niet aan 
gedacht om hunne hulpelooze makkers te verlaten. 

Gelukkig had de vijand nog niets van de gevaarlijke positie 
waarin de zieken en gewonden verkeerden bemerkt, o&choondie 
toestand hen niet lang verborgen kon blijven. 

Met vereende krachten gelukte het du Croo en Smeets de 
prauw los te krijgen en toen bleek het, dat het waagstuk zonder 
de hulp der achterhoede mislukt zoude zijn, want de vijand, 
attent geworden, trachtte nu met alle macht de redding te ver- 
hinderen, een aanval waartegen du Croo's kleine troep alleen 
niet opgewassen zoude geweest zijn en dan wellicht redders en 
geredden te samen verloren waren geweest 

Andermaal ging het nu weder stroomafwaarts, doch nu de 
Ambulance-prauw naar behooren beschermd door de afdeelingen 
van Du Croo en Smeets, zoodat allen behouden de monding 
der Kajan-rivier bereikten. 

De Luitenant du Croo toonde bij die gelegenheid eenen meer 
dan gewonen moed, beleid en trouw, want hij deed eene uit* 



296 SIN KBUeSTOOHT LANGS DB KAJAN-BIYIXR 

stekende krijgsdaad, die hij had kunnen nalaten zonder zich ook 
't geringste aan plichtverzuim schuldig te maken, eene daad die 
zijn edel en dapper hart hem ingaf om de hulpbehoevende in 
groot gevaar verkeerende weerlooze makkers met eigen levens- 
gevaar te redden y en de schitterende Koninklijke belooning, het 
kruis der Militaire Willemsorde, die hij voor zijne moedige i 
zelfopofiferende daad verwierf, was volgens de statuten dan ook 
ruimschoots verdiend. 

Ook de dappere Europeesche luselier £. SommerhaMer en 
de kranige Luitenant H. J. L. F. Smeets werden Koninklijke 
onderscheidingen toegekend. 



P. P. H. van Ham 

Generaal Majoor der Infanterie, als Luitenant In de Zuid- en Ooster 

Afdeeiing van Borneo — 1870 

Geyallenl .... maar zyne roeping vervuld. 

Hij viel in den nacht van 25 op 26 Augustus 1894 door het 
verraad der Balineezen te Tjakra Negara op Lombok, temidden 
zijner soldaten op het met bloed gedrenkte slagveld en hij stierf 
zooals hij geleefd had, . « . als ridderlijk held en als geloovig 
Christen. 

Dank zij de onwankelbare trouw, den grooten moed en de 
geduldige volharding van den braven Infanterist i® klasse 
C. Westbroek, die zijn doodelijk gewonden Generaal opnam en 
te midden van den hevigen kogelregen met ongelooflijke inspanning 
in betrekkelijke veiligheid bracht, was het mogelijk zijn sterfbed 
eenigzins te verzachten, daar het verraad en de nederlaag den 
edelen man, die geleefd had zonder vrees en zonder blaam, ter 
neder drukte, en het hem diep smartte dat hij niet meer met de 
zijnen kon strijden en hen ter zijde staan in de gevaren dier 
onmenschelijke slachting, om te redden wat nog te redden was. 

Eerbiedig omringden allen het stofifelijk overschot van hun be* 
minden krijgsmakker en Chef, door de hand van den Priester 
vromelijk met wit linnen overdekt, nadat de edele heldenziel 
onder de z^eningen van den bedienaar der Godsdienst, gedurende 
het geweld van den woedenden strijd, dat forsche, krachtige 
lichaam ontvloden was. 

Di&r werd zijn overschot, en ook dat zijner gevallen makkers , 
even als hij slachtofifers van het vertrouwen in een huichelachtigen 
vijand die het verraad beraamde terwijl hij de hand toestak, 
met den grootsten eerbied aan den schoot der aarde toevertrouwd , 
en daar werd na de schitterende wraak eene eerezuil opgericht, 



298 P. P. H. YAN HAM 

die aan de nakomelingschap de piek wijst waar zooveel dappere 
Hollandsche zonen van het Indische Leger rusten , naast hun be- 
minden en vereerden helden-Generaal 

£n als Chef, èn als vriend, èn als makker zal hij voor allen 
die hem gekend hebben onvergetelijk blijven, en zijn naam verdient 
onbedingt eene eereplaats in Neêrland's schitterende heldenrij. 

Wellicht had hij vijanden, want steeds zijn er wespen die 
aan edele vruchten knagen, maar vrienden, ware trouwe vrienden 
had hij er zeer vele, en trouw vergold hij die zoo gaarne en 
zoo gul geschonken vriendschap. 

Door eigen energie en werkkracht, door fermiteit en ridder- 
lijkheid, was hij, uit erkenning voor zijne werkelijk groote ver- 
diensten, van de laagste rangen in het leger opgeklommen tot 
zijne schitterende posititie, nooit door waardiger mensch bekleed. 

Wars van alle vleierij , dro^ hij het hart op de tong en was 
rond en oprecht in het uitspreken zijner meening, al strookte 
die ook niet altijd met het inzicht van hooger geplaatsten. 

Achterdocht was hem vreemd, en zelf rondborstig en oprecht 
van natuur, geloofde hij steeds in de oprechtheid en eeiüjkheid 
van anderen, totdat hij soms tot eigen nadeel ondervond, dat 
er ook kaf onder 't koren schuilt 

Aan eene bijzondere mate van zelfstandigheid en een hoog 
gevoel van eer, paarde hij eene groote minzaamheid , vooral 
tegenover zijne ondergeschikten, wier wel en wee hem zeer ter 
harte ging, doch zijn anders zoo zacht en vriendelijk oog kon 
als 't ware vonken schieten, en zijne gewoonlijk zachte stem zich 
donderend verheffen , als zijne rechtmatige verontwaardiging werd 
opgewekt door handelingen die tegen de ridderlijke beginselen 
van zijn edel hart indruischten en tegen zijn rechtvaardigheids 
gevoel streden. 

Dan werd zijne reeds imponeerende persoonlijkheid nog indruk- 
wekkender, dan was het alsof zijne krachtige breede gestalte 
nog grooter en krachtiger werd, dan scheen hij begaafd met 
reuzenkrachten die zijn tegenstander konden verpletteren en dan 



IN DE ZmO- KN OOSTBR-AFDBBLQïa TAN BORNBO — 1870 299 

boog de schuldige het hoofd voor dien doordringenden blik, die 
edele rechtmatige verontwaardiging, zich een nieteling gevoe- 
lende tegenover dit toonbeeld van ridderlijkheid en kracht. 

Niets was hem te veel of te moeielijk om het leven zijner 
ondergeschikten te veraangenamen, hen hunne toch dikwijls zoo 
zware taak te verlichten en hen zooveel mogelijk te steunen, 
doch zijn eigen kostbaar leven waagde hij bij elke gelegenheid, 
alsof het geen waarde had; het dreigendste doodsgevaar door- 
stond hij met een kalm gelaat, zonder dat zijn hart ook zelfs 
maar een oogenblik sneller klopte , en hij beheerschte het gevaar 
als 't ware door zijn krachtigen wil, zijne bijna ongeë venaarden 
moed en zijne indrukwekkende persoonlijkheid. 

Wel was hij als Hoofdofficier te Atjeh, waar hij eervol 
vermeld werd, doch het voornaamste veld zijner werkzaamheid 
was de Zuid- en Ooster Afdeeling van Bomeo (Bandjermasin) 
in de jaren 1863 — 64 — 65 en 1866, zoomede 1870 en 71, waar 
hij dan ook als Luitenant het Kruis der Militaire Willemsorde 
mocht verwerven. 

Onder de krijgsgebeurtenissen dier streken zijn dan ook voor- 
beelden geno^ te vinden van zijn kloekmoedig en onverschrokken 
optreden t^enover de opstandelingen; menigmaal liep zijn leven 
daarbij het grootste, ja bijna zekere gevaar, doch de grootheid 
van het aan zijne sterke en vaste hand toevertrouwde gezag, en 
daarmede Neêrland's eer, stond bij hem veel hooger dan zijn leven. 

Wankang, de getrouwe aanhanger van den van den troon van 
Bandjermasin vervallen verklaarden Sultan, Antassarie, gaf inde 
maand April 1870 door boodschappers aan den Resident te kennen , 
dat hij genegen was zich aan het Gouvernement te onderwerpen , 
en over de voorwaarden wilde onderhandelen. 

De Resident belastte met de daarop betrekking hebbende 
besprekingen de Luitenant P. P. H. van Ham, Müitauren Kom- 
mandant te Marabahan, tevens Civiel gezaghebber der Afdeeling 
Becompai Doesson, die daartoe per stoomer de Barito rivier 
opvoer en te Moeara Teweh aan wal ging, om de komst van 



800 P. P. B. YAM HAM 

Wankang af te wachten, die verzocht had, de samenkomst in 
de woning van het Districtshoofd dier plaats, te doen houden. 

Weken lang liet dat Hoofd der opstandelingen den Civielen 
gezaghebber op zich wachten, doch eindelijk kwam het bericht, 
dat hij met honderden zwaar gewapende volgelingen was aan- 
gekomen. 

Wankang, verraderlijk, listig, valsch en laaghartig, even als elk 
Bandjerees, had echter volstrekt geen plan om zich te onder- 
werpen, maar zijn eenig doel met die samenkomst was, om den 
Luitenant van Ham te overvallen, te vermoorden en diens hoofd 
als zegeteeken naar de boven-districten mede te voeren, want 
hij haatte dien ijverigen en doortastenden Officier, die hem door 
zijne onvermoeide voortvarendheid het leven lastig maakte en 
voortdurend zijne plannen dwarsboomde. 

Hoe weinig argwanend ook, kende van Ham toch het weinig be- 
trouwbare karakter zijns tegenstanders te goed, om geen achter- 
docht omtrent diens bedoelingen te koesteren, toen deze met zoo'n 
groot en gewapend gevolg verscheen, welk vermoeden zoo goed 
als zekerheid werd, toen MangkoeSarie, het vertrouwde en trouwe 
Districtshoofd, in wiens woning de bespreking zoude plaats heb- 
ben, van Ham de samenkomst dringend en ernstig ontraadde, 
omdat hij het misdadige complot van den verrader ontdekt had 
en zelfs mededeelde dat het waarschuwend teeken voor allen, 
om zich voor den gruwelijken moord gereed te houden, den 
uitroep zoude zijn, ^tkapal api datang^i^ *), waarna Wankang dan 
zelf het sein tot de laaghartige daad zoude geven. 

Hoewel diep verontwaardigd over zooveel laagheid en zulk 
lafhartig verraad, besloot van Ham den vijand te trotseeren en 
ongewapend naar de vergadering te gaan, om Wangkang, maar 
vooral ook de getrouwe Hoofden te toonen, hoe trouw eenHol- 
landsch Officier zelfis in het grootste en zekerste gevaar zijn plicht 
vervult en hoe weinig bevreesd hij was voor zulke lafhartige en 
ellendige moordenaars, als dat Hoofd en zijne volgelingen. 



^) Het stoomschip (vuurschip) komt 



IN DK ZUID- XN OOSTEB-AFDBBLIMe YAN BOBNSO — 1870 301 

Noch het smeeken van het Districtshoofd, noch de waar- 
schuwingen en vertoogen der makkers, konden den driest moedigen, 
en dol koenen van Ham , die altijd recht door zee ging , van zijn 
onwrikbaar genomen besluit afbrengen en even beslist verwierp 
hij het denkbeeld om met een gewapend geleide ter vergadering 
te verschijnen, want hij wilde van zijne zijde geen wantrouwen 
opwekken en vóór alles vermijden, dat de opstandeling zelfs maar 
zou kunnen denken , dat de waarnemende Controleur bang voor 
hem was. 

Neen! dan liever alles gewaagd! 

Alleen nam van Ham, even als altijd ^t eerst denkende aan 
zijne ondergeschikten , de noodige maatregelen om het garnizoen 
op elke verrassing voorbereid te doen zijn, voor het geval dat 
Wankang zijn laaghartigen aanslag volvoerde en daarna de be- 
zetting van het fort mocht willen overvallen. 

Om lo uur zou de vergadering plaats hebben in de omstreeks 
200 pas van de versterking gelegen woning van het Districts- 
hoofd, waarop het met een kartets geladen stuk geschut gericht 
werd, terwijl een detachement gereed zoude staan, om niet 
alleen op het minste teeken van onraad uit te rukken, maar 
ook naar die woning te gaan als van Ham met den laatsten slag 
van 12 uur nog niet in de sterkte was teruggekeerd, of derwaarts 
op w^ was. 

Door dezen laatsten maatregel zou zijn leven in geen geval te 
redden zijn, als de moordaanslag door de schurken werd uitge- 
voerd, maar hij stierf dan zeker niet ongewroken. 

Op het bepaalde uur verliet van Ham het fort, zwijgend 
doch vol bewondering en bekommernis nageoogd door de be- 
zetting; met vasten tred en opgeheven hoofd, schreed hij 
voort en ging kalm op de woning toe, waar hij wist dat de 
verraderlijke moordenaars hun slachtoffer wachtten. 

Op zijn gang naar de vergadering zag hij tal van zwaar ge- 
wapende Dajaks in de nabijheid dier woning staan, doch dit 
was van weinig beteekenis in vergelijking met het tooneel dat 
hem bij het binnentreden der vergaderzaal wachtte. 



302 P. P. B. YAN HAM 

In het lokaal zaten de volgelingen van Wangkang in vollen 
oorlogsdos langs de wanden op den grond, zwijgend de blikken 
naar de deur gewend, waar zich de groote, krachtige gestalte 
van van Ham vertoonde, terwijl de hoofdopstandeling zelf, 
gekleed als Mohammedaansch Ftiester, aan de tafel op een 
stoel had plaats genomen, met de rijkversierde, ontblootte en 
dreigend glinsterende klewang op zijne knieën. 

De moordenaar, die gluiperige blikken op den binnentredenden 
Officier wierp en gereed was om zijne bloedige en verachtelijke 
misdaad te volbrengen, vond het zelfs niet noodig om op te 
staan en het uitverkoren slachtoffer als Hoofd van het bestuur 
den verplichten eerbied te bewijzen. 

Die blijkbaar vijandige houding in die zoo dreigende stilte gaf 
van Ham terstond aanleiding zijn gezag en zijne positie te 
laten gelden. 

Hoog en trotsch opgericht, met gefronsde wenkbrauwen en 
bliksemende oogen , keek van Ham het Bandjereesche Hoofd streng 
aan, zoodat deze de gluiperig rondloerende oogen nedersloeg; hij 
vroeg hem toen op zeer kalmen , doch van zijn waardigheidsbeseif 
getuigenden toon naar de reden, waarom Wangkang hem de 
verschuldigde eerebewijzen onthield, die hem als Vertegenwoor- 
diger van de Nederlandsche Regeering en als Civiel gezaghebber 
der Af deeling toekwamen, eerebewijzen, die hij gewoon was van 
alle Hoofden te ontvangen, en eene hulde, die zelfs de gewone 
beleefdheid van elk ook maar eenigzins beschaafd Inlander mede- 
bracht, als hij een gast verwelkomde. 

Geïmponeerd door die indrukwekkenden toon en de ontzag 
inboezemende houding van den flinken Officier , stond Wangkang 
eensklaps, tot groote verbazing zijner volgelingen, als 't ware 
willoos op , boog op de gebruikelijke wijze en bood toen van Ham 
de hand ter verwelkoming aan, die deze voor den vorm even 
aanraakte, hoe walgelijk het hem ook was om zijne ridderlijke 
smetlooze hand te ]^;gen in den klauw van dien tijger in 
menschengedaante, die zoo verraderlijk zijn leven belaagde. 

Daarna bedaard en plechtig plaats nemende, sprak hij Wangkang 



IN DB ZUID- BN 0OSTBB-AFDBBLIM& TAN BOBNBO — 1870 dOB 

op zijn gewone, kalme, overtuigende wijze aan, hem in zijn 
eigen belang aanradende om te Bandjermasin bij den Resident 
vergiffenis te gaan vragen, zonder eenige voorwaarde te stellen, 
doch alleen verzoeken te doen, voor de vervulling waarvan hij 
kon rekenen op zijn stemi en zijne voorspraak , waaraan de Resident 
zeker gehoor zoude verleenen. 

Aanvankelijk weigerde Wangkang zeer beslist, doch de over- 
redende taal van van Ham had zooveel invloed en maakte zoo- 
veel indruk, dat hij eindelijk toegai 

Herhaaldelijk had van Ham, aan wiens scherpziend oog 
niets on^;ing, gedurende dat gesprek waargenomen, dat de vol- 
gelingen ontevreden waren over den loop daarvan, en gezien 
dat sommigen met eene bijna onmerkbare bew^;ing dreigend 
naar kris of klewang grepen, doch toen Wangkang beloofde naar 
Bandjermasin te zullen gaan om vergiffenis te vragen, toen had 
naar hunne meening die schijn vertooning lang genoeg geduurd, 
toen wenschten zij dat eindelijk tot de voorgenomen bloedige 
daad zou worden overgegaan en eensklaps klonk uit hun midden 
het dreigende parool ^^kapal api datang\v% 

Op dit sein stonden allen met veel beweging als één man 
op, tot handelen gereed en bereid de bloedige slachting te be- 
ginnen op den wenk van hun Hoofd, welk teeken zij in eene 
doodelijke stilte vol bedreigingen afwachtten. 

Dit was voor van Ham een oogenblik vol ontzetting. Hij wist 
dat nu zijn leven aan een zijden draad hing, want het wapen 
was reeds voor den stoot gereed en een enkel teeken van den 
eerloozen wreedaard tegenover hem zoude zijn bloed doen 
stroomen onder de kléwanghouwen der verraderlijke bende. 

Maar in dit hoogst gevaarlijke oogenblik versaagde van Ham 
niet, want hij had immers reeds vooruit het offer van zijn leven 
gebracht 

Bedaard bleef van Ham zitten , alleen zijne houding werd zoo 
mogelijk nog trotscher en indrukwekkender en een minachtenden 
blik in 't ronde op die dreigende gestalten werpende, vroeg hij 
.Wangkang, dezen streng en onverschrokken aanziende, sedert 



H04 P, P. H. VAN HAM 

wanneer het geoorloofd was dat volgelingen zich zoo oneerbiedig 
gedroegen, als hun Hoofd met een vertegenwoordiger derNeder- 
landsche Regeering in beraadslaging was. Als hem, Wangkang, 
zoo'n oneerbiedige houding onverschillig was, dan was dit zijne 
zaak, maar hij, van Ham, eischte uitdrukkelijk eerbied en ontzag 
voor zich zelf en voor de Regeering die hij vertegenwoordigde. 

Diep was de indruk die deze onverwacht kranige en hooghar- 
hartige houding van den ongewapenden , doch flinken Officier 
maakte. 

Die houding redde hem. 

Hoe driest en onbeschaamd Wangkang ook zel& t^;enover 
den Resident was , zoo brachten toch die kalme hooghartige taal 
en die moedige, zelfbewuste en verontwaardigde houding hem 
in verlegenheid en vervulde den lafhartigen verrader met vrees, 
hoewel hij feitelijk alle macht in handen had. 

Niet wetende wat te antwoorden, sprak hij zijne volgelingen 
eenige gebiedende woorden in de Dajaksche taal toe , waarop aDeii 
gehoorzaam, schijnbaar kalm weder op den grond gingen zitten. 

Daar van Ham besefte dat de tijd snel voortspoedde en alles 
vóór twaalf uur afgeloopen moest zijn, vervolgde hij zonder 
verdere opmerkingen het begonnen gesprek, alsof er .niets ge- 
beurd was. 

Juist toen de eerste slag van 12 uur duidelijk dreunend uit 
de versterking door de lucht weergalmde, was de conferentie 
a%eloopen en had Wankang, die gekomen was om een moord 
te plegen, de plechtige belofte afgelegd, dat hij naar Bandjer- 
masin zou gaan, vertrouwende op het woord van van Ham, de 
verpersoonlijking van eer en moed. 

Langzaam, doch ongemeen duidelijk klonken de twaalf slagen, 
als weifelde de schildwacht ze ten einde te brengen, doch tevens 
ze zoo luid mogelijk doende galmen, om zijn Officier te waar- 
schuwen dat de tijd daar was, en angstig staarden allen naarde 
woning, waar hun beminde Chef vertoefde en wellicht reeds 
ontzield ter neder lag. 

Doch nog vóór de laatste slag van het middaguur van de 



IN DB OOSTBB-AFDBELINe VAN BOBNBO — 1870 905 

klok der sterkte wegstierf en de bezetting zich gereed maakte 
om handelend op te treden, verliet van Ham, gevolgd door 
Wangkang, die hem diep buigende uitgeleide deed, de woning 
der Conferentie en begaf zich zoo bedaard en afgemeten naar 
het fort, als had hij geen oogenblik in doodsgevaar verkeerd en 
als liet hij geen onverzoenlijke, hem doodelijk hatende wreede 
en valsche vijanden achter zich. 

Hoe dapper en koen ook, zoo voelde van Ham zich toch 
verruimd van harte, toen hij weder veilig te midden der zijnen 
was en aangenaain en welverdiend klonk hem het hartelijk ^^ra 
der hem toegedane bezetting in de ooren, want hij was zich 
volkomen bewust als braaf en flink dienaar van den Staat zijn 
plicht te hebben gedaan tot het uiterste gevaar, en geen gering 
te achten succes te hebben behaald. 

Na deze ontmoeting kruisten zich de wegen van van Ham en 
den hoofdopstandeling Wankang in korten tijd nog tweemaal op 
treffende, doch weder voor van Ham op zegerijke wijze. 

Wangkang hield ditmaal zijn aan van Ham gegeven woord, 
ging naar Bandjermasin en vroeg vergiffenis aan den Resident, 
die onder nadere goedkeuring van Hoogerhand zijne onderwerping 
aannam , en hem genade schonk , hem op zijn verzoek Marabahan 
als verblij^laats aanwijzende. 

Dit verzoek van Wangkang om te Marabahan te mogen ver- 
blijven was zeer naar den zin van den Resident, omdat de 
verraderlijke onruststoker nu rechtstreeksch wonen zou onder het 
waakzame oog van van Ham, wiens scherpzinnigheid en besliste 
w^ze van handelen hem een waarborg waren, dat Wangkang 
zich rustig zoude houden of anders in zijne plannen gedwars- 
boomd zoude worden. 

Van Ham was echter die voorkeur minder naar den zin, 
omdat hij daarvan groote moeielijkheden verwachtte, daar de 
onderworpen hoofdopstandeling juist in de Afdeeling Marabahan 
talrijke verwanten en vrienden had en het ook zijne geboorteplaats 






S06 P. P. H. VAN MAM 

was, zoodat de onverbeterlijke rustverstoorder juist daar bij uitstek 
in de gelegenheid zou zijn, om nieuwe verraderlijke plannen op 
touw te zetten en zich een groot^n aanhang te verwerven. 

£n in dat opzicht veigistte de oordedkundige en scherpziende 
Luitenant zich niet, want dit was werkelijk Wangkangs doel, en 
tevens koesterde hij daarbij de hoop den nieuwen opstand te 
beginnen, door van Ham en de bezetting van het fort te Mara- 
bahan verraderlijk af te maken, ten einde dadelijk op een groot 
succes te kunnen bogen. 

Nauwelijks was Wankang een drietal maanden in het door 
hem zdf gekozen ballingsoord, of hij had zich in 't geheim door 
allerlei kuiperijen en beloften een grooten aanhang verworven, 
wat echter voor van Ham niet verborgen bleef, daar Wangkang's 
schreden en handelingen met de meeste nauwgezetheid werden 
nagegaan. 

Tot nu toe was de oproermaker nog niet tot eenige vijandelijke 
handeling overgegaan en zoolang dat niet geschiedde mocht van 
Ham, gebonden door zijne strenge instructies, niet handelend 
ingrijpen en het onbetrouwbare Hoofd gevangen nemen. 

Ten einde echter aan den onruststoker te laten blijken dat hem 
niets verborgen bleef, gelastte hij op de wekelijksche vergadering 
der Inlandsche Hoofden aan het Districtshoofd Hadji Kiaij Demang 
Wongso Negara, dat Wangkang den volgenden dag, 12 Sep- 
tember 1870, in de versterking voor den Cividen gezaghebber 
moest verschijnen. 

Na eenige aarzeling ontraadde het Districthoofd die oproeping, 
omdat, zooals hij vermoedde, Wankang zeker met tal van getrouwe^ 
gewapende volgelingen zoude komen en dan waarschijnlijk inde 
versterking amok'*') zoude maken. 



*) Amok maken y is de uitdrukking die gebezigd wordt als een Inlander 
onverwachts z^n wapen trekt en in blinde woede om zich heen houwende 
alles afmaakt wat onder zgn bereik komt. Dergelijke uitingen van razem^ 
Aïyn meestentijds uiterst bloedig. 



m DE OOSTBR-AFDXELINe TAN BORNSO — 1870 307 

Hoewel Van Ham begreep dat dit voor het Districtshoofd, 
die met Wangkang's stiefdochter gehuwd was, meer dan een 
vermoeden zoude zijn, wilde hij toch het bevel niet herroepen 
en herhaalde dit nog eens duidelijk en op nadrukkelijken toon, 
omdat hij wilde toonen dat hij den ellendeling in geen enkel 
opzicht vreesde en hij het hem toevertrouwde gezag onbevreesd 
hoog wilde houden ook tegenover de andere Hoofden. 

Daar Wankang zich voor de oproeping op den I2«" September 
onder voorgeven van ziekte liet verontschuldigen, belovende den 
14^ te zullen komen, begreep van Ham, die zijn volkje en diens 
verraderlijken aard kende, dat ^t den gewezen opstandeling alleen 
te doen was , om zijne maatregelen voor het voorgenomen verraad 
zoo uitgebreid en zoo afdoende mogelijk te nemen. 

Hoe gevaarlijk het ook was om eene talrijke gewapende en 
fanatieke bende in de sterkte te ontvangen, zoo begreep van 
Ham dat hij de zaak toch moest doorzetten, maar voor de 
veiligheid der bezetting nam hij zelf de nauwkeurigste maatregelen, 
zoodat, als het tot eene uitbarsting kwam, de troep op alle 
gebeurtenissen voorbereid zou zijn en het eerste en meeste 
gevaar op zijn eigen hoofd neerkwam, daar hij weder alleen en 
ongewapend tegenover die gevaarlijke bende zoude staan. 

In den morgen van den 14^ September lagen dicht bij den 
oever der Barito-rivier, onder de wallen van de sterkte te Mara- 
bahan, tal van visschersschuitjes op het heldere water te dob- 
beren, die zich gedurende den nacht daar verzameld hadden 
en waarop zich slechts enkele Dajakkei's vertoonden, schijnbaar 
ijverig visschende; dit vreedzame uiterlijk misleidde echter van 
Ham niet; want dat groot aantal visschersprauwtjes maakte, 
zooals hij bevroedde, deel uit van 't gesmeede komplot en onder 
de lage atappen afdaken , die een deel dier onschuldige prauwtjes 
bedekten, zouden zeker tal van gewapenden verborgen zijn, die, 
zoodra het amok in de sterkte begon en de bezetting aangevallen 
werd , van de rivierzijde het hunne tot den goeden uitslag zouden 
bijbrengen. 

Glimlachend om die grove list, haalde van Ham de schou- 



806 P. P. H. VAN HAM 

ders op, want geen maatregel van veiligheid was verzuimd en 
op zijne beproefde officieren en soldaten kon hij rekenen als op 
een rots van graniet 

Om 8^ uur schreed Wangkang, gevolgd door een zestigtal goed 
gewapende en van geweren voorziene volgelingen, trotsch en ver- 
waten over de ophaalbrug en door de wijd geopende poort der 
versterking y een gluipenden en onderzoekenden blik in 't rond 
werpende. Dat onderzoek scheen bevredigend, want uit niets bleek 
hem dat er eenige voorbehoedende maatregelen genomen waren, 
daar de bezetting schijnbaar doelloes her en ginds verpreid 
was, aan niets anders dan aan hun werk of hunne oefening 
denkende; innig voldaan naderde Wangkang huichelachtig vrien- 
delijk glimlachende de woning van van Ham, die hem met een 
hoog ernstig uiterlijk afwachtte en na den gebruikelijken groet een 
stoel aanwees, waarnaast twee volgelingen stilzwijgend met de 
hand aan het gevest van hun zwaard plaats namen, terw^l de 
overigen voor den trap, die naar de woning voerde, bleven 
staan en zoo den ingang versperden. 

Van Ham wist zijne verontwaardiging te bedwingen en na 
zelf zoodanig plaats genomen te hebben dat hij de geheele 
bende in het oog hield, sprak hij op kalmen, waardigen toon 
den verrader aan, de man die nu voor de tweede maal t^;en- 
over hem vriendschap huichelde, om hem des te gemakkelijker 
te kunnen vermoorden. 

Vooreerst wees hij Wankang er op, dat het aan een Hoofd, 
hoe hoog in positie ook, niet geoorloofd was met zoo 'n talrijk 
gewapend gevolg voor den vertegenwoordiger van de Nederlandsche 
Regeering te verschijnen, als hij daartoe opgeroepen was. 

Toen de oproermaker daarvoor eenige verschooning wilde 
bijbrengen, legde van Ham hem gebiedend 't zwijgen op en liet 
daarna zijne verontwaardiging en toom den vrijen loop. 

Hij bracht Wangkang op strengen toon onder het oog, hoe 
ondankbaar en schuldig hij zich tegenover de Regeering gedroeg 
die hem begenadigd had en tegenover hem, van Ham, die zijne 
voorspraak was geweest en aan wiens invloed hij die genade te 



IN DB OOSTBB-AFDSELINe VAN BOBNBO — 1870 309 

danken had; hij verweet hem dat hij met die gewapende bende 
in het fort kwam om vrees aan te jagen en de bezetting ver- 
raderlijk te overvallen, waartoe ook de bemanning der visschers- 
vaartuigen moest behulpzaam zijn, om met vereende krachten 
het garnizoen over de kling te jagen en het eerst hem, den 
Controleur, te vermoorden. 

««Ik kan u dadelijk gevangen nemen voor uw verraderlijk voor- 
«nemen», ging van Ham in heiligen toom met donderende stem 
voort, «maar ik wil het niet, want mijn God, die ook de uwe 
«is, zal u straffen voor uw laag verraad en uwe zwarte ondank- 
«baarheid, en als ooit door uw toedoen de opstand weder ont- 
«brandt, weet dan Wangkang, dat ik niet zal rusten voor ik u 
«dood of levend in handen heb, en dan zal ik u op dezen 
«ongewijden grond voor mijne woning doen begraven, zoodra ge 
«als misdadiger en verrader gevonnisd zijt !...»» Dat is mijn woord 
«en dat is mijne voorspelling ! . . . Neem u in acht !...»» 

Gedurende die toespraak , met steeds stijgende kracht gehouden , 
was de ellendeling verbleekt en Wangkang, de roover, de ver- 
rader die zich onverwinlijk waande, de ijdele trotschaard, wierp 
zich voor de voeten van van Ham op den grond en smeekte in 
zijn angst de vergiffenis af van zijn gehaten vijand, die hem nu 
weder beheerschte door de grootheid zijner ziel en zijne bewon- 
derenswaardige ridderlijkheid en moed. 

Die zelfvernedering was blijkbaar niet naar den zin van het 
gevolg, dat luide zijne ontevredenheid daarover kenbaar maakte 
en daardoor den eerbied voor 't gezag uit het oog verloor. Zij 
waren ook niet gekomen om eerbied te betuigen, maar om te 
moorden en hadden de zin der toespraak niet begrepen, daar 
niet allen de Maleische taal verstonden. 

Door dat hoogst oneerbiedig , ja zelfs oproerig gedrag van het 
gevolg was de toom van den edelen en verontwaardigden Officier 
onwillekeurig tot het hoogste punt geklommen. 

Met donderende stem gelastte hij Wangkang op te staan en 
zich te verwijderen, en toen daalde hij ziedende van lang inge- 
houden verontwaardiging den trap af, begaf zich te midden van 



310 P. P. H. VAN HAM, KHZ. 

het gewapende gevolg, en zijne krachtige vuist als een moker op 
de hoofden der voorste dreigende rebellen doende neerkomen, 
joeg hij, alleen en ongewapend, de op zijn bloed belustte schur- 
k^ibende met hmi Hoofd de versterking uit en lafhartig vloden 
die bloeddorstige verraders voor den edelen toom van een enkel 
man, • . . voor den ridderiijken van Ham. 

Den 25^ November ontrolde Wangkang weder de vaan des 
oproers en viel dadelijk de hoofdplaats Bandjermasin aan , waarbij 
hij de onzen een oogenblik deerlijk in 't nauw bracht, doch tevens 
een geweldigen sabelhouw bekwam , die hem noodzaakte naar de 
Doessonstreken te vluchten. 

Daar zocht van Ham hem op en vervolgde hem rusteloos, 
zoo als hij beloofd had, tot de opstandeling den 27^ December 
1870 sneuvelde. 

Den 8^ Januari 1871 werd eindelijk het lijk van Wangkang, 
dat door zijne getrouwen medegevoerd was, door Soeto Ono 
gevonden en voor de 3^ maal stond van Ham tegenover zijn 
verachtelijken tegenstander, die nu, zooals hij voorspeld had, 
voor zijne woning in ongewijden grond begraven werd. 

En die held, die Generaal groot en edel in alles, die nog zoo 
nuttig werkzaam had kunnen zijn voor Koningin en Vaderland, 
die dappere viel eindelijk, niet in open strijd, doch door datgene 
wat hij zoo dikwerf moedig en beleidvol 't hoofd geboden had, . . . 
door verraad. 

Hij was gevallen na zijne roeping, anderen ten voorbeeld, 
trouw vervuld te hebben als braaf en ridderlijk soldaat. 



De groote Missigit (Mesc^icl Raja) te Aijeh^ 

1873—1874 

Triomf, roemnichte teelt van Gbüzbv, 



Triomf! laat wagglen 's werelds tronen , 
Als Neerlands nek 't jok verreelt ! 
d' Oranje yorst herkent zfjn zonen 
En 't vaderland zyn heldenteelt 

ToLLBNS, Zegezang b^' Nienwpoort. 



In de jaren 1873 en 1874 was er zeker in ons Vaderland zoo 
goed als niemand, die niet wist dat er te Atjeheene Missigit be- 
stond die door onze troepen tot driemaal toe met dapperheid 
bestormd en genomen werd, door den vijand niet minder moedig 
verdedigd was geworden en ons talrijke kostbare ofifers kostte. 

Moge tegenwoordig die wetenschap niet meer zoo algemeen zijn, 
nu die ooriog reeds zoo lang duurt en andere gebeurtenissen zoowel 
als andere plaatsnamen sedert meer op den voorgrond traden, 
toch blijven die veroveringen van dat Atjehsche heiligdom hunne 
belangrijkheid behouden, omdat zij opgeluisterd zijn geworden 
door talrijke bewijzen van moed, beleid en trouw en omdat tal 
van dapperen en braven van Neêrland's krijgsmacht daar hun 
bloed stortten voor Neêrland's roem, Neêrland's grootheid en 
Neêrland^s eer. 

Nadat die geduchte sterkte reeds eenmaal veroverd was moest 
zij nog tweemaal heroverd worden, omdat zij telkens door onze 
troepen op hooger bevel weder vrijwillig verlaten was en die drie 
bestormingen berokkenden ons tal van dooden en gewonden. 

Wij verloren 

bij de eerste bestorming op den 10^ April 1873 , 

aan dooden^ i Luitenant, i Luitenant t/z i® klasse en 7 minderen» 
aan gewonden^ i Kapitein, 2 Luitenants en 40 minderen; 



812 DB OBOOTB MlSSierr tb ATJBH, 187a— 1874 

bij de tweede bestorming op den 14^ April 1873 , 
aan dooden^ i Generaal, i Luitenant en 3 minderen 
aan gewonden^ 5 Kapiteins, 3 Luitenants en 91 minderen, van 
welke laatsten nog zes dienzelfden dag overleden; 

bij de derde bestorming op den 6^ Januari 1874, 

aan dooden, 14 minderen 

aan gewonden j i Kolonel, 5 Kapiteins, 5 Luitenants en 197 
minderen , zijnde een gezamenlijk verlies van 26 Officieren en 352 
onderofficieren en minderen. 

De groote Missigit te Atjeh was een houten gebouw, drca 
38 Meter lang en 33 Meter breed, met drie boven elkaar ge- 
plaatste spitse daken van atap. Dit gebouw was in het vierkant 
omringd door een muur van ijzerharden klipsteen, door een 
bijzonder cement stevig verbonden, zoodat de zwaarste pikhou- 
weelen door krachtigen arm gezwaaid daarop niets vermochten 
en alleen hevig werkende springmiddelen in staat waren, om in 
die granietharde massa openingen te maken. 

Deze muur, die vermoedelijk dateert uit het begin der 17® 
eeuw en hoogst waarschijnlijk door de Portugeezen werd gebouwd, 
was ± 2| M. hoog en had zijden van iio è 140 Meter lengte, 
zoodat tusschen dien muur en het heiligdom dat hij omsloot 
eene zeer groote ruimte overbleef, die de vijand uiterst doel- 
matig voor eene hardnekkige verdediging had ingericht. 

Bij den derden aanval op den 6^ Januari) 1874 bleek het, dat 
de vijand nog in wijden kring buiten om dien steenen muur 
eene geduchte aarden-borstwering haddaargesteld, die bovendien 
stormvrij gemaakt was door tallooze randjoe's, zoodat behalve 
aan andere wonden, bij dien aanval 39 Officieren en minderen 
door randjoe's gekwetst werden. 

Het terrein buiten de enceinte der Missigit bestond uit rijst- 
en suikervelden, benevens eenige kampongs, boschjes en enkele 
begraafplaatsen, welke laatste met een lagen steenen muur 
waren omringd en zeer goed onderhouden bleken, omdat daar 
vorstelijke of als heiligen vereerde personen bijgezet werden. 



DB OBOOTB MISSIGIT TB ATJBH, 1873—1874 313 

Op korten afstand van de Oostelijke face lag de geduchte 
Kraton van den Sultan met hare tabrijke verdedigingswerken, 
van waaruit de binnenruimte der Missigit bestreken kon worden , 
daar de muur dier sterkte aan die zijde vervallen was en een 
ruime waarneming dier binnenruimte toeliet. 

Het ligt niet in het doel andermaal eene beschrijving der drie 
bestormingen te geven, die reeds door zoovele kimdige schrijvers 
en o. a. zeer uitvoerig , boeiend en welsprekend door den Majoor 
van het Indische Leger J. F. D. Bruinsma, *) is geschetst, doch 
de bedoeling is alleen om enkele buitengewoon schitterende en 
roemrijke daden meer afzonderlijk onder de aandacht te brengen , 
want het zou ondoenlijk zijn om alle dergelijke feiten hier te 
melden, daar ieder deelnemer aan dit schoone wapenfeit op de 
meest roemrijke wijze zijn plicht, ja meer dan zijn plicht deed. 

Onder de vele herinneringen aan roemvoUe namen, dappere 
daden en schitterende wapenfeiten die zich bij de herdenking 
aan de drie Missigit-bestormingen aan ons opdringen, is zeker 
de helden-figuur van den grijzen veldheer. Generaal J. H. R. 
Kohier, de Opperbevelhebber der i« expeditie tegen Atjeh, een 
der eersten. 

Na de tweede verovering van den goed versterkten en krachtig 
verdedigden Mahomedaanschen tempel op den 14^ April 1873, 
toen het succes onze wapenen bekroond had en 't geluk hem 
toelachte , viel de overwinnende aanvoerder op het veld van eer , 
door een kogel in 't edele hart getroffen. 

Als Chef was hij door allen geëerd en bemind om zijn eerlijk , 
oprecht en rechtvaardig karakter; zijne groote nauwgezetheid en 
gestrengheid in alles wat den dienst, het welzijn van den min- 
dere en de eer van het Leger betrof, ging gepaard aan eene 
bijna grenzenloos ruime opvatting van ridderlijk kameraadschap- 
pelijk gevoel en de reinste menschlievendheid , die de edele 



♦) jj^De groote Missigit van Atjeh"", uitgevers C. van Doom & Zoon 
1889, overgedrukt uit „„de Vereeniging ter beoefening der krygsweten- 
schap"", 1888—1889"" 



B14 Dl GBOOTK KISSieiT TB ATJBH, 1S73— 1874 

Chef soms wel achter een stug uiterlijk trachtte te verbergen , 
doch waardoor menig jeugdig makker van den ondeiigang werd 
gered, als de brave, gevoelvolle, grijze aanvoerder hem 200 
tactvol de reddende hand toestak. 

Menigeen dankt hem een gelukkige loopbaan en het vaderland 
het behoud in de gelederen van menig dappere , die later be- 
langrijke en glansrijke diensten bewees. 

Soldaat van top tot teen, was hij, ^^Self-^made man»i^^ door 
onvermoeide werkzaamheid en stalen wilskracht van de laagste 
rangen in het Leger tot zijne glansrijke positie opgeklommen. 

Vóór zijn vertrek naar Atjeh bevestigde hij met een handslag 
aan den Luitenant-Generaal Legerbevelhebber namens de verza- 
melde troepen de gelofte, ^^Wij zullen onzen plicht doen^i^^ eene 
gelofte die hij tot het laatste oogenblik getrouw bleef en met 
zijn kostbaar bloed bezegelde, want even als een echt Spartaan 
keerde hij liever dood op zijn schild, dan zonder dat schild terug. 

En de troep week nooit af van die plechtige gelofte door dien 
beminden aanvoerder namens hen en met hunne gansche instem- 
ming afgelegd. 

Edele, brave, dappere Generaal Kohier, uwen geëerden naam 
en uwen ridderlijken heldendood, na zoo'n schitterend eervol 
leven, zullen de harten onzer dapperen van het Indische Leger 
altijd sneller doen kloppen en zullen steeds in de herinnering uwer 
landgenooten voortleven, omstraald door de glorie van uwen 
grooten moed, uw degelijk beleid en uwe onwankelbare trouw 
tot den dood, den door elk soldaat benijdden dood op het 
slagveld, strijdend, rechtop staande , zonder vrees en zonder blaaoL 

Naast den onvergetelijken Generaal Kohier staat in de geschie- 
denis der Missigit-veroveringen eene andere grootsche en ver- 
hevene persoonlijkheid , die als Kolonel de aanvoerder der troepen 
bij de 3® bestorming was, de Generaal C. L. St A. M. de Roij 
van Zuijdewijn, die ongeacht zijne zware verwonding aan het 
been, waarbij zijn paard werd doodgeschoten, de troepen bleef 
aanvoeren, aanmoedigen en zelfs voorgaan en die van de dappere 



DB GBOOTB XISSIOIT TB ATJBH, 1873—1874 315 

soldaten den teekenenden bijnaam kreeg van ^^Kolonel madjoev^ 
(Kolonel voorwaarts). 

Groot, krachtig en forsch van gestalte en houding was die 
Generaal met den adelaarsblik de verpersoonlijking van ridderlijke 
eer, onstuimigen moed en bewonderenswaardige koelbloedigheid , 
de aanvoerder bij uitnemendheid, die zijne soldaten door zijn 
voorbeeld electriseert en tot stoute daden voert. 

Slechts kort was hij te Atjeh; na de verwonding van den 
Kommandant der 2® Brigade, de Kolonel G. B. T. Wiggersvan 
Kerchem op den 25®° December 1873 bij Lemboe, werd de Kolonel 
de Roij van Zuijdewijn uit zijn Garnizoen te Padang opgeroepen 
om het kommando dier Brigade op zich te nemen. 

Eerst den 5^ Januari nam hij dat bevel over en reeds den 
7®° Januari keerde hij na zijne schitterende overwinning gewond 
naar Padang terug, waar hij den io®° Januari debarkeerde, zoodat 
hij in 't geheel slechts 10 dagen afwezig was geweest 

Met recht kan hij zeggen ««i>( kwam, zag enoverzvon**, want 
in de twee dagen dat hij als aanvoerder voor den vijand was, 
had hij ons Leger een der schitterendste overwinningen bezorgd , 
waarvan de opper-bevelhebber, de Luitenant Generaal J. van 
Swieten in zijne dagorders zegt, ««^ verovering der Missigit 
is een meesterstuk dat u allen en uwen Brigade^Kommandant tot eer 
strekt /»» 

Hetzij hier de plaats om aan te teekenen, zonder de ver- 
diensten van anderen ook maar eenigszins te willen verkleinen, 
dat naast dien aanvoerder, zijn onafscheidelijken Chef van den 
Staf, zijn rechterhand, den nooit genoeg volprezen Kapitein der 
Infanterie G. C. £. van Daalen, een groot deel van de glorie 
dier schitterende overwinning toekomt, want daar waar de 
kolonel madjoe* op het uitgestrekte moeielijk te overziene slag- 
veld niet zijn kon, daar verving hem van Daalen op zoo held- 
haftige, waardige en roemrijke wijze. 

£n de ridderlijke Kolonel de Roij van Zuijdewijn was een der 
eersten om die groote verdiensten onomwonden te erkennen. 



316 PX OBOOTB MlSSierr tb ATJXH, 1873—1874 

Na die beide beleidvoUe, door huDnen moed schitterende aan- 
voerders, komt zeker zonder eenige t^enspraak de derde plaats 
toe aan het 3^ Bataljon Infanferie en als onafscheidelijk daaraan 
verbonden, aan den kommandant van die roemrijke troepen- 
afdeeling, den majoor F. P. Cavaljé. 

Dit kranige Bataljon, bestaande uit onze dappere landslieden 
en de niet minder heldhaftige Amboineezen, was bij de drie be- 
stormingen altijd in de voorste linie en altijd was het de 
Majoor Cavaljé die den aanval leidde ; driemaal werd den vijand 
door dien Majoor en zijn onweerstaanbaar Bataljon geslagen en 
hem zijn grootste en sterkste heiligdom ontweldigd. 

Als bewijs voor het dappere gedrag van Officieren en soldaten, 
draagt het 3^ Bataljon het Ridderkruis der Militaire Willemsorde 
aan zijn Oranje- Vaandel, eene groote, onsterfelijke eer die het 
met het 7® Bataljon deelt, doch waarvoor het tallooze offers 
bracht op het altaar des Vaderlands. 

Van het algemeen verlies van 26 Officieren en 352 onder- 
officieren en minderen bij de drie bestormingen, waaraan onder- 
scheidelijk deel namen het 3*, 9®, 12® en 14® Bataljon Infanterie 
zoomede de Marine-landingsdivisie en de troepen der andere 
Wapens, komen alleen voor rekening van het 3^ Bataljon, 11 
Officieren en 187 onderofficieren en minderen. 

De eerste expeditie naar Atjeh duurde feitelijk van den 8*" 
tot den 17^** April 1873, in welk tijdsverloop de Missigit twee- 
maal genomen werd en gedurende die 10 dagen verloor het y 
Bataljon, dat uitrukte ter sterkte van 25 Officieren , 239 £uro- 
peesche en 368 Amboineesche onderofficieren en minderen, in 
het geheel 13 Officieren, 91 Europeesche en 92 Amboineesche 
onderofficieren en minderen aan dooden en gewonden en dos 
52 pCt. der Officieren, 38 pCt der Europeesche en 25 pCt 
der Amboineesche militairen. 

Bij de derde verovering der Missigit op den 6®° Januari 1874, 
leed het Hnkerhalf 3® Bataljon onder Majoor Cavaljé, op eene 
sterkte van 16 Officieren en nog geen 400 bajonetten, eenverlies 
aan dooden en gewonden van 4 Officierenen iii onderofficieren 



AANVALS-KOLOMNB J. P. VAN LIS& — 1873 817 

en minderen, dus in één gevecht 25 pCt. der Officieren en 
ongeveer 30 pCt. der minderen; van dit Bataljon alleen was dit 
voor de Officieren J en voor de minderen 56 pCt van het 
geheele verlies door de gezamenlijke troepen, die aan de bestor- 
ming deelnamen, op dien dag geleden. 

Die cijfers spreken meer dan boekdeelen ! . . . . 

Eere zij het kranige y Bataljon Infanterie en zijn dapperen 
beleidvollen aanvoerder, de Majoor F. P. Cavaljé , die de traditie 
van Moed, Beleid en Trouw in het Indische Leger zoo hoog 
in eere hielden. 

De Majoor Cavaljé, die reeds voor de expeditie van Bandjer- 
masin met het kruis der Militaire Willemsorde versierd was, 
werd voor de 1® expeditie bevorderd tot Ridder der 3*' klasse en 
ontving voor de 2® expeditie de eeresabel met het opschrift, 
m^Koninkl^'k eerehlijk voor betoonde dapperheid.'»'» 

Eerste bestorming op den 10^" April 1873. 
Aanvah'kolonne J. P. van Lier. 

Gedurende den voorbereidenden aanval had zich onder de 
bevelen van den kommandant der voorwacht, de Kapitein J. P. 
van Lier, eene aanvals-kolonne gevormd, bestaande uit de i® 
en 4® kompagnie van het 3® Bataljon Infanterie, met de 4® kom- 
pagnie ( Amboineezen) , aangevoerd door den Kapitein W. Pordon, 
aan 't hoofd. 

In den beginne kon deze voor den beslissenden aanval 
bestemde kolonne slechts uiterst langzaam avanceeren wegens 
's vijands hevig vuur, doch toen weldra op elke flank een peloton 
van de 3® en 6® kompagnie, onder den Kapitein J. Lauer en den 
Luitenant A. K. Eichholtz , de vleugels van dien troep dekten en 
door hun vuur den vijand zooveel mogelijk van den verdedigden 
muur hield, waardoor diens vuur dus minder hevig werd, kon 
de stormkolonne sneller voorwaarts komen. 

Op ongeveer 100 pas van den muur der Missigit gekomen, 
voerde de richting van den aanvalstroep dezen tusschen een 



318 Dl eBOOTB Missierr n atjkh, i87&— i874 

suikerrietveld en eene dicht begroeide, door een muurtje omgeven 
b^;raa^laats door, waar een kolossalen omgevallen boomstam 
den weg versperde; de troep ondervond daardoor weder eenige 
vertraging, omdat de manschappen over die hindernis heen 
moesten klimmen. 

Nauwelijks waren de beide eerste sectien Amboineezen dien boom 
gepasseerd en hadden het door die overklimming verbroken ver- 
band eenigzins hersteld, of een 40tal Atjehers, die zich in het 
dicht begroeide suikerrietveld en achter het muurtje der b^aa^ 
plaats verborgen hadden gehouden, vielen onder de woeste kreten 
fL€ Allah/,.. Allah !t^t^ met klewang en lans die beide voorste sec- 
tien aan. 

Aangemoedigd en voorgegaan door hunne dappere onverschrok- 
ken officieren, de Kapiteins, van Lier en Pordon en de Luitenants, 
J. Brondgeest, C. £. J. Schweijs en R. H. van Schaik, wist dat 
kleine troepje Amboineezen van geen wijken, terwijl de achter- 
geblevenen zich haastten om hunne makkers te htilp te snellen. 

Een kort doch bloedig gevecht ontstond, ^(aarbij de bajonet 
de zege behaalde op klewang en lans en de vluchtende vijand 
wel dooden en gewonden medevoerde, doch nog ii doodoi 
op de plaats des gevechts moest achterlaten. Wij hadden i min- 
dere gesneuveld en i Officier en 6 minderen gewond. 

Geen schot was er gelost!... De bajonet had alles beslist!... 
De dappere Amboineezen hadden aan de verwachting beantwoord 
en velen daarvan hadden zich schitterend onderscheiden , evenals 
de Europeesche sergeant L. J. de Maaker en de Europeesche 
korporaal G. van Santen die den eersten schok hadden te 
doorstaan gehad en die zichliever met wonden lieten overdekken, 
dan ook maar een pas achteruit te gaan. 

De stormkolonne stelde zich nu op ongeveer 70 pas van den 
muur der Missigit eenigszins verdekt op, om het voor den storm- 
aanval gunstige oogenblik af te wachten ; voor het oogenblik was 
deze aanval niet mogelijk , want 's vijands vuur was nog onverzwakt 
en noch stormladders , noch andere middelen waren aanwezig om 
den steilen 2\ Meter hoogen muur te beklimmen, die door de 



AANYALS-KOLONNE J. P. YAN UBB — 1873 SIS* 

Atjehers zoo goed bezet was en zoo hardnekkig verdedigd werd. 

Hoe ongeduldig de soldaten ook waren om te stormen, toch 
moesten de beleidvolle Officieren dat verlangen tegengaan, want 
op dat oogenblik zoude het nog te roekeloos geweest zijn. 

Daar onze granaten blijkbaar geen voldoende uitwerking 
hadden, bewierp de Luitenant der Artillerie J. J. K. de Moulin 
met zijne sectie mortieren het uiterst brandbare dak van den 
tempel met lichtkogels, ten einde dit in brand te steken en den 
vijand op die wijze het standhouden onmogelijk te maken. 

Langs de geheele aanvals-linie begreep men de bedoeling toea. 
de fel brandende lichtkogels door de lucht suisden en in hoogst 
gespannen verwachting sloeg een ieder en vooral de Officieren 
en manschappen der stormkolonne den uitslag gade, want de 
toestand begon voor de aanvallers zeer moeielijk te worden,, 
daar de troepen sedert den vromen morgen in beweging waren 
en vreeselijk leden door de verzengende hitte en het groote 
gebrek aan drinkwater. 

Allen wachtten vol ongeduld het teeken tot den aanval af. 

De brandende lichtkogels sloegen door het lichte dak van den 
tempel heen en weldra ste^ een dim rookwolkje naar boven, 
dat weldra overging in breedere donkerder rookzuil en gevolgd 
werd door een luid geschreeuw binnen de sterkte. 

Op datzelfde oogenblik klinkt de machtige stem van den 
Kapitein van Lier boven alles uit met den uitroep ^^Leve de 
Koning hi^ en daarop ^«Attakeeren h* Zijn duidelijk met kracht 
uitgesproken kommando, is overal gehoord en zet zich in een 
donderenden juichkreet over de geheele linie voort. Alle vermoeienis, 
alle ontbering is vergeten en onder den zegekreet van ^uLeve 
de Koning» en het aanmoedigend stormsignaal snelt alles als 
één man op de sterkte los, doch de kolonne van Lier 'teerst 
en 't snelst. 

Langs de wortels van een boom en met behulp van een paar 
tusschen de steenen groeiende struiken werkt zich de dappere 
Luitenant Schweijs met groote inspanning naar boven en is t 
eerst op den muur, roept den hem volgenden Kapitein van Lier 



820 OB OKOOTB MISSieiT TB ATJBH, 1873—1874 

toe, dat de vijand vlucht en laat zich onder een daverend 
^Hoerah van den muur binnen de sterkte glijden, dadelijk ge- 
volgd door den Kapitein van Lier, den Luitenant Brondgeest, 
die trots zijne reeds vromer bekomen wond medestormde en 
eenige der vlugste Amboineezen. 

De kolonne van Lier van het y Bataljon was het eerst in de 
sterkte , en weldra drongen de overige troepen van het 3® en 9* 
Bataljon ook op andere pimten de Missigit binnen, hier voor- 
afgegaan door den Adjudant onderofficier E. C. O. von Bredow 
en den Europeeschen korporaal K. F. Bonger, elders door de 
Kapiteins J. Lauer en J. H. A. IJssel de Schepper, ginds weder 
door den Luitenant F. P. Sievers, op een andere plaats door den 
Kapitein J. H. Huijer, den Luitenant W. F. Kxcesen en den 
sergeant-opnemer J. Janssens; allen beijverden zich om den vijand 
het eerst te bereiken. 

De geduchte sterkte was veroverd, doch niet alleen was het 
daar binnen moeielijk uit te houden wegens het hevige voor 
dat de teruggetrokken vijand uit andere, buiten de geheel open 
Ooster face, gelden sterkten op den binnengedrongen troep 
opende, die daartegen nergens eenige dekking vond, maar ook 
de hitte die het fel brandende gebouw verspreidde maakte het 
verblijf daar binnen tot eene hel. 

Eindelijk om 5^ uur gaf de Generaal Kohier den last om de 
Missigit te ontruimen en op eenigen afstand daarbuiten, om een 
hoogen grafheuvel op de open sawah het bivak te betrekken. 

Bedaard en zonder overhaasting werd de zoo moeielijk ver- 
overde sterkte verlaten, doch- de Kapitein van Lier, die met zijne 
stormkolonne het eerst was binnengedrongen en met zijne dap* 
peren het meest tot de roemrijke verovering had bijgedragen , vroeg 
en kreeg verlof om ook nu het laatst van allen die sterkte te 
mogen verlaten. 

Toen alle troepen de Missigit ontruimd hadden, aanvaardde 
ook de kolonne van Lier den terugtocht , nadat zij gedurende al 
dien tijd den vijand in toom had gehouden, doch nauwelijks 
was de laatste man buiten den muur of de vijand drong naar 



AANVALS-KOLOMNB J. P. VAN LIXB — 1873 821 

voren, nam zijne sterkte weder in bezit en opende dadelijk zijn 
vuur op de terugkeerende stormkolonne. 

Onder dat vuur marcheerde de kolonne van Lier kalm en 
bedaard naar het bivak alsof zij van eene vredes-oefening en 
niet uit een bloedigen strijd kwam , de soldaten volmaakt in den 
pas en met opgerichten hoofde, want zij waren zich bewust dat 
zij moedig him plicht hadden gedaan. 

Die houding, die marsch was zoo kranig en allen waren zoo 
vol bewondering voor de door die dappere krijgsmakkers betoonde 
doodsverachting, dat allen en zelfe de kalme zwijgende Opper- 
bevelhebber zoo in geestdrift geraakten, dat daarvan eene spon- 
tane hartverheflfende ovatie het gevolg was. 

Op last van den Generaal Kohier stelde de muziek zich voor 
het bivak op en begroette de aanmarcheerende kolonne van Lier 
met schetterende fanfares; toen die dappere troep den Generaal 
ordelijk defileerende passeerde, trok de grijze aanvoerder zijn 
degen en salueerde vol eerbied die voorbijtrekkende helden, 
tevens het sein gevende tot een gejuich, dat door de geheele 
krijgsmacht jubelend herhaald werd , en donderend steeg uit aller 
borst de kreet ten Hemel ^L^Hoera / . . . . Leve de koning /»» 

Een schitterend eerebewijs, des te grooter omdat het door oogge- 
tuigen van den strijd en medestrijders werd gegeven , eene hulde des 
te meer te waardeeren, omdat die zoo onverwacht en plotseling geheel 
uit het hart voortkwam ; het was eene kameraadschappelijke begroe- 
ting en eerbewijzing die de Officieren en soldaten door hun dapper 
gedrag zoo ruimschoots verdiend hadden, eene eer die door hen 
op den waren prijs werd geschat en voor hen onvergetelijk blijft. 

De Kapitein J. P. van Lier was bij de tweede bestorming op 
den 14 April 1873 weder de aanvoerder der storm-kolonne nu alleen 
uit Europeanen bestaande ; hij ging zijne brave soldaten weder met 
kalmen verheven moed voor en beklom onverschrokken de storm- 
]adders, doch werd daarbij door een klewanghouw over het hoofd 
zoodanig gewond , dat hij het kommando moest overgeven , daar het 
rijkelijk stroomende bloed hem het gezicht benam. 

21 



822 DB OROOTB MISBieiT TB ATJBH, 1878—1874 

Bij de derde bestorming, op 6 Januari 1874, was hi| als Staf- 
officier bij de aanvals-kolonne ingedeeld, waarbq hij op de meest 
onverschrokken wijze hoogst belangrijke diensten bewees , naast de 
nooit hoog genoeg geroemden Chef van den staf der Brigade, 
de Kapitein G. C. K van Daalen. 

Na de 3® verovering den Kolonel de Roij van Zuijdewqn 
behulpzaam zijnde om diens hevig bloedende wond te verbinden, 
waartoe die kranige hoofdofficier zich tot nu toe geen tijd had 
gegund, kreeg de Kapitein van Lier een matten 3 pds. lilla kogel 
in de lendenstreek, waardoor hij zwaar gewond nederviel. 

Als belooning voor zijn moedig en beleidvol gedrag benoemde 
Z. M. de Koning hem voor de i® expeditie tot Ridder der 
Militaire Willemsorde 4* klasse, en schonk hem voor de t 
expeditie de eeresabel met de inscriptie MMKonirMifk eerebljfk vow 
betoonde dapperheid;!^'^ 

Tweede bestorming op den 14*" April 1873. 
Kapitein J. H. Huijer. 

Wijl nu binnen de ommuring der Missigit geen gebouw meer 
bestond dat, in brand geschoten, den vijand noodzaken zon 
om zijne positie prijs te geven, en reeds bij de eerste bestor- 
ming de dringende noodzakelijkheid gebleken was om storm- 
ladders mede te voeren, ten einde met voldoende macht den 
2\ meter hoogen muur te kunnen beklimmen, waren deze 
nu door de sappeurs aangemaakt, doch ook de vijand had 
niet stil gezeten en den hem gegimden tijd gebruikt, om het 
verdedigings-vermogen van zijn heiligdom zoohoog mogelijk op 
te voeren. 

Weder was voor de tweede maal de beleidvolle Majoor Cava^é 
met de algemeene leiding van den aanval belast, weder was 
het kranige 3* Bataljon aangewezen, om, gesteund door flank- 
dekkingen van de andere korpsen, den hoofdaanval te doen en 
weder was het de Kapitein van lier die de storm-koloime zoude 
aanvoeren, nu bestaande uit de beide Europeesche kompagniCn 



KAPITBIK J. H. HÜUBR — 1973 82B 

de i^ en 6® van het 3® Bataljon, dus nu geheel alleen bestaande 
uit flinke dappere Hollandsche borsten. 

Om 5 uur des morgens stonden de voor het gevecht bestemde 
troepen gereed en namen hunne verschillende positie's in. 

De vijand was wel eenigzins verrast door dien vroegtijdigen 
aanval, doch weldra had hij zich daarvan hersteld en begroette 
onze dapperen met een moorddadig geweer- en lilla-vuur onder 
het aanhoudend geroep van €€AIIah\*» 

Een deel van het 3® Bataljon beantwoordde dat vuur op 
krachtige wijze, daarbij flink gesteund door de flankdekkingen, 
terwijl de storm-kolonne onverschrokken voorwaarts rukte , vooraf- 
gegaan door de Sappeurs, onder den Luitenant P. J. Seibert, met het 
oogmerk om de stormladders te plaatsen; daar deze te lang waren 
en boven den muur uitstaken, poogde de vijand die met lansen en 
stokken om te werpen, zoodat de kranige Sappeurs genoodzaakt 
waren die uit alle macht vast te houden, trots de massa steenen 
die de vijand op hen wierp, en waardoor eenigen gewond werden. 

In onstuimig élan klommen de dappere Europeanen naar 
boven, doch konden dan helaas niet verder, want in machtige 
drommen verdedigde de vijand moedig met lans en klewang zijn 
dierbaar heiligdom. De dapperen gaven echter, op de ladders 
staande, den moeielijken strijd niet op en weldra was zoowel 
Kapitein van Lier als de Luitenant H. J. de Borden en tal van 
braven door klewanghouwen of lanssteken gewond. 

Alles was in een dikken rook gehuld door het vreeselijk oorver- 
doovend geweer- en kanonvuur, dat zelfs nu en dan het woeste 
gebrul en de Allah-kreten des vijands overstemde. 

De ladders waren glibberig van het bloed der dappere vol- 
hardende aanvallers, die, daar zij met tromplaad-geweren ge- 
wapend waren, telkens het geweer tot herladen aan de makkers 
beneden aan den muur moesten overgeven en daarvoor wel 
terstond een geladen wapen in de plaats kregen, maar toch een 
oogenblik ongewapend op die gevaarlijke plaats stonden en dan 
niet in staat waren de stooten en houwen af te weren. 

Tal van heldendaden werden verricht, voor elke gevallene 



324 DB eROOTB mSSieiT tb ATJBH, 1878—1874 

nam een makker dadelijk de plaats in, doch het bleef onmogelqk 
om de sterkte binnen te dringen. 

Nu eerst vroeg de Majoor Cavaljé om ondersteuning van eene 
kompagnie achterladers, die gemakkelijk hunne geweren kunnen 
heriaden en tevens de houwen en steken afweren en bovendieo 
vrijwilligers der Artillerie, om met de hand ontstoken granaten 
tusschen de verdedigers te werpen. 

Weldra nadert met versnelden pas de 4® kompagnie van het 
9® Bataljon Infanterie gekommandeerd door den Kapitein J. H. 
Huijer, waarbij tevens de dappere Luitenant W. F. Kroesen is 
ingedeeld. 

Door hunne Officieren voorgegaan, snellen de kranige Javanen 
op de stormladders toe en trachtten die te beklimmen, doch 
glijden in hunne overhaasting uit op de door het gestortte bloed 
gladgeworden sporten en vallen weer naar beneden, vooral w^ 
het gedrang op die ladders groot is, daar de aankomenden met 
allen ijver naar boven willen en de bovenzijnden hunne plaats 
voor de nieuwe aanvallers moeten inruimen. 

Nu snelt de Kapitein Huijer, twee sporten t^eiijk nemende, 
naar boven, onmiddellijk gevolgd door den Europeeschen ser- 
geant J. A. F. Schaefier, de sergeant majoor A. J. Kottinger en 
eenige Inlandsche soldaten, die allen echter weinig tegen de 
vijanden vermogen, omdat deze achter den muur verborgen niet 
zichtbaar zijn, doch elke aanvaller die zich boven den muur 
vertoont terstond met hunne gereed gehouden lansen en klewangs 
aanvallen en hem dooden of verwonden. 

Reeds zijn van de ter ondersteuning opgerukte troepen eenige 
op die wijze gewond, waaronder den sergeant Schaeflfer, toen ook 
Kapitein Huijer, die zijn sabel voor een geweer verwisseld had, 
een lanssteek in den arm bekwam, waardoor hij echter zijne 
gevaarlijke plaats op den top van den ladder niet verliet, fluks 
een zakdoek om den arm bond en den strijd voortzette , door ter- 
stond een al te brutale verdediger è ^ut portanl nttr te schietNL 

Nu zijnjiook de dappere kanonniers C. H. Kool van Herens 
en de trompetter L. Muller Kanter met ontkapte granaten en 



KAPITEIN J. H. HÜUBB — 1873 B25 

brandende lonten bij de ladders aangekomen. De eerste ontsteekt 
eene granaat, bestijgt de stormladder, slingert het projectiel in de 
sterkte, doch sterft, zich te veel over den muur buigende, den 
heldendood. Muller Kanter vervangt hem terstond en werpt, 
uiterst bedaard wachtende en tellende, eerst op de laatste seconde 
vóór de ontbranding de granaat tusschen een drom verdedigers , die 
t^en den muur gedrukt staan, en die een oogenblik terugdeinzen, 
toen het projectiel , tijdig springende, groote verwoesting aanrichtte. 

Dit ziende stapt Kapitein Huijer onverschrokken en vast 
besloten van den ladder op den muur, heit de beide handen 
omhoog waarvan één 't geweer vast omklemd houdt en de andere 
omwonden is met een door bloed rood gekleurden zakdoek, 
roept een donderend vèrklinkend <iM,HoerahT^ en springt dol koen , 
met ware doodsverachting van den 2\ Meter hoogen muur, over 
de lanspimten der nog tegen den muur gedrukt staande verde- 
digers, geheel alleen in de versterking te midden der woedende 
strijdlustige vijanden, die, wel een oogenblik door die daad 
verrast, toch dadelijk in groot aantal met opgeheven klewang 
op den dapperen Kapitein aanvallen , die , hoewel hij zich geknield 
moet verdedigen, daar hij bij dien reuzensprong de voet ver- 
stuikte en een oogenblik niet staan kon, niettemin menig te 
stout opdringenden aanvaller neervelde met zijne altijd vaardige 
en doodelijke stooten toebrengende bajonet. 

Trouwens de onverschokken Kapitein is slechts een zeer kort 
oogenblik alleen, want zijn dolkoenen sprong en zijn schitterend 
heldhaftig voorbeeld vond onmiddelijk navolging. 

De Europeesche hiselier C. Gilgien, de korporaal Menzi, de 
sergeanten Horst en Schutter, benevens eenige Inlandsche ftise- 
liers van het 9® en Europeesche soldaten van het 3* Bataljon 
sprongen als razenden hun braven Kapitein te hulp, terwijl de 
bedaarde en beleidvolle Luitenant Kroesen eenige soldaten op 
den muur doet postvatten en van daar een goed gericht snelvuur 
op den nog weerstand biedenden vijand doet openen. 

De heldhaftige daad van den Kapitein Huijer en zijn donderend 
€€Hoera*T> vond overal weerklank en juichend beklimmen de braven 



326 DB eROOTE MIBSieiT TB ATJBH| 1873—1874 

de ladders , laten zich van den muur vallen en weldra is de 
geheele storm-kolonne binnen de sterkte, die de vijand nu door 
een bloedig handgemeen ontrukt wordt, zoodat zij ten tweede 
male in onze handen is. 

Koen en doortastend was de aanval geweest, eene worstding 
die van 5^ tot 7 uur geduurd had en ons 8 Officieren en 91 
onderofficieren en minderen aan dooden en gewonden kostte, 
tal van heeriijke, moedige daden waren verricht, maar boven 
alles schitterde de heldendaad van den onverschrokken Kapitein 
Huijer, die algemeen bewonderd en gevierd werd. 

Twee dagen later, den 16^ April 1873 gaf diezelfde Kapitein 
weder een bewijs van doodsverachting en onbezweken kameraad- 
schappelijke trouw. 

Op dien morgen was een koionne sterk 700 man onder Majoor 
Cavaljé uitgerukt, om naar die zijde waar de Kraton des Sultans 
vermoed werd te ageeren, waaraan ook trots zijne verwonding 
en verstuiking de Kapitein Huijer deel nam. 

Weldra moest die koionne, die in een goed half uur strijdens 
9 Officieren en 126 onderofficieren en minderen aan dooden en 
gewonden verloren had, terugtrekken, een terugtocht die onder 
de beleidvolle leiding van den dapperen Chef in de grootste 
orde geschiedde, al staakte de vijand ook geen oogenblik zijn 
helsch geweervuur. 

Daar ziet de Kapitein Huijer, die reeds buiten 's vijands vuur 
was, in de verte waar dit vuur 't hevigst woedde een gewonden 
makker liggen. Huijer bedenkt zich geen oogenblik, keert onge- 
acht 's vijands moorddadig vuur op zijne schreden terug, raapt 
den gewonden, hulpbehoevenden soldaat op en brengt hem bij 
de koionne in veiligheid. 

Rond ziende, bemerkt zijn adelaarsblik nog een soldaat op 
die gevaarlijke piek en weder keert hij terug, doch nu vergezeld 
door den Luitenant J. G. Blanken van het 3^ Bataljon, die reeds 
bij het begin van het gevecht vrij ernstig aan het hoofd gewond 
was en met vereende krachten brengen zij het lijk van een ge* 



OKROB BSSTORMINe OP 6 JAN. 1874 827 

sneuveld Amboineesch soldaat binnen, dat zij niet wilden over- 
laten aan de schendende Atjesche handen. 

Schitterend en verheven zijn dergelijke voorbeelden van 
grootschen moed, grenzelooze toewijding en edele kameraadschap, 
die zoo'n hechten band vormen in ons waardig Indische Leger, 
waar de trouw niet vraagt naar rang of graad, maar slechts 
den braven krijgsmakker ziet en die in nood bij staat 

Derde bestorming op den 6«" January 1874 
I® kompagnie 3* Bataljon Infanterie 
onder den Kapitein J. L. Le Bron de Vexsla 

Eindelijk zou den Atjehers voor de derde maal him heiligdom 
worden ontweldigd, doch ditmaal om het niet eerder te verlaten, 
dan toen het jaren later op 'sLands kosten herbouwd, weder 
tot uitoefening der Mahomedaansche Godsdienst aan de geloovigen 
terugg^even werd. 

Voor die derde verovering was aangewezen de 2® Brigade, 
onder den Kolonel C. L. St. A. M. de Roij van Zuijdewijn, die 
eerst den vorigen dag het kommando der Brigade had aanvaard 
in de plaats van den op den 25^ December 1873 ^Ü Lemboe 
verwonden Kolonel G. B. T. Wiggers van Kerchem. 

£n ook ditmaal was, evenals bij de beide vorige bestormingen, 
weder het kranige 3* Bataljon *) onder den Majoor F. P. Cavaljé 
voor die taak aangewezen en weder was de dappere Europeesche 
i^ kompagnie aan de spits geplaatst 

Deze kompagnie, die nu aangevoerd werd door den Kapitein 
J. L. Le Bron de Vexela, gedetacheerd van het Nederlandsche 
Leger, telde 3 Luitenants, de Luitenant H. A. Hulstkamp, even- 
eens van het Nederlandsche Leger gedetacheerd, en de Luitenants 
van het Indische Leger W. Comfurius en W. C. Meuleman,be- 



*) By de eerste expeditie bestonden de Bataljons Infanterie uit zes kom- 
pagnien, doch by de tweede expeditie waren zjj verdeeld in een rechter' 
en linherhalj Bataljon ieder van vier kompagniën. De Overste F. T. Engel 
kommandeerde het rechter- en de Majoor Cavaljé het linkerhalf ^^ Bataljon. 



328 DXRDB BKSTOBMINe YAM DB MIBBieiT TB ATJBH DOOB DB 

nevens 99 flinke Europeesche onderofficieren en minderen, en 
vormde de voorwacht der aanvals-kolonne met eene sectie kanons 
van 8 cM^ onder den Luitenant der Artillerie J.A. van der Kruk, 
en een peloton Mineurs onder de Luitenants A. S. H. Booms en 
H. Koppen, welke laatste troepensoort vooral bestemd was om 
de voorkomende hindernissen op te ruimen en het terrein ge- 
schikt te maken tot ongestoorden voortgang der Artillerie. 

De vijand had van den tijd die hem gegeven was een goed gebruik 
gemaakt en vooral sedert het debarkement der expeditie, toen hij be- 
vroeden kon, dat de aanval hoofdzakelijk tegen de aan de Atjeh- 
rivier grenzende Noord-zijde gericht zoude zijn. Hij had op een af- 
stand van 200 pas van den muur der Missigit een sterken aarden wal 
gelegd, zoodat de Missigit zelf nu als reduit beschouwd kon worden. 

In den aarden wal, die op sonmiige plaatsen 2 Meter hoog 
was, waren holle bamboe-kokers op verschillende rijen boven 
elkander geplaatst, waardoor de daarachter staande schutters de 
aanvallers gedekt onder vuur konden nemen en die kokers dus 
de schietgaten onzer sterkten vervingen. De open grond vóór 
dien wal was met randjoe's als bezaaid en het dichtb^;roeide 
vóórterrein door verhakkingen en zware heggen versperd, wat 
de nadering van groote troepen-massa's zeer moest vertragen. 

Om 7 uur des morgens nam de strijd voor de 3* verovering 
der Missigit een aanvang, door dat de op den rechteroever der 
Atjeh-rivier in de loopgraaf geplaatste belegerings-batterijen hun 
vuur op die versterking openden en den aanval der Infanterie 
door een hevig bombardement op de te veroveren positie , op den 
Ejraton en op andere daarachter gelegen versterkingen voorbe- 
reidden , terwijl later , zoodra de Infanterie daadwerkelijk in actie 
kwam , hun vuur op de Missigit gestaakt en alleen op den Kraton 
en de andere werken zoude worden voortgezet. 

Bij dat bombardement deed de vesting-artillerie uit 24 vuur- 

monden van verschillend kaliber in 2^ uur 774 schoten en 

worpen, waardoor 654 granaten, 95 granaat-kartetsen, lóbrand- 

t€n 9 lichtkogels in de vijandelijke sterkten en liniën geworpen 



!• KOMPAeNIS 3* BATALJON INFANTBRDB — 1974 329 

werden, zoodat elke minuut 4 of 5 projectielen suizend door de 
lucht vlogen en neerkomende met zwaren knal uiteenbarstten. 

Om kwart vóór acht uur was de gehede aanvals-kolonne op den 
linker-oever der Atjeh-rivier in de rendez-vous^stelling vereenigd 
en klonk onder het gebulder van het bombardement der bele- 
gerings-batterijen het signaal ^voorwaartsi* , waarop de gedeeltelijk 
*en tirailleur» verspreide i* kompagnie van het 3® Bataljon met 
de rest der voorwacht oprukte, zooveel mogelijk den oever der 
Atjeh-rivier volgende en met de linkerflank daaraan leunende. 

In den beginne kwam de troep vrij spoedig vooruit en konden 
de Sappeurs het terrein voldoende vrijhouden, doch gaande weg 
werd dit meer en meer begroeid en vooral waren het de zware 
heggen die de voorwaartsche beweging, in 't bijzonder die der 
Artillerie belemmerden, zoodat de krachten van het peloton Sap- 
peurs onvoldoende waren om voor de geheele linie de hinder- 
nissen op te ruimen, waarom de manschappen der tirailleurlinie 
zelf de kapmessen ter hand namen ten einde zich een doorgang 
te banen, terwijl de Sappeurs hoofzakelijk de Artillerie daarbij te 
hulp kwamen. 

Langzaam, te langzaam naar den zin van allen en vooral van 
den voortvarenden bevelhebber der Brigade en die der voorhoede 
avanceerde de troep. Het daarbij telkens door den Kolonel de 
Roij van Zuijdewijn krachtig en ongeduldig uitgeroepen •tnadjoei^ 
(voorwaarts), gaf aanleiding tot den hem door de soldaten ge- 
geven populairen bijnaam van ftKolonel madjot» 

Reeds drie kwartier was men op die wijze met moeite voort- 
gesukkeld en had in dien tijd slechts een aüstand van 600 meter 
doorloopen, doch geen schot was nog gevallen en geen vijand 
had zich nog vertoond. 

Allen waren in de hoogste spanning en vreesden dat de Atjehers 
onder zoo'n hevig bombardement van granaten , granaat-kartetsen 
en bommen geen stand zouden houden en himne sterkte zonder 
verderen strijd verlaten en prijs geven, want dat zou een streep 
door de rekening zijn onzer moedige strijdlustige troepen. 

Eindelijk tegen negen uur bereikte de tirailleurs-linie der i* 



390 DIBDB BBSTOBMINe YAM DB MISSieiT TB ATJBH DOOS DB 

kompagnie eene zware heg, waarachter eene kleine open vlakte te 
zien was. De rechtervleugel onder Luitenant Hulstkamp vond in die 
heg eene opening, een zoogenaamd karfoouwen-gat, kroop er ter- 
stond doorheen en vertoonde zich op de daarachter gelegen vlakte. 

Nauwelijks waren eenigen die opening gepasseerd of zoowel 
in front als op de flanken barstte onder luid gegil en %Aüak^ 
geroep een hevig geweer- en lilla-vuur los, zonder dat nog w^^ens 
het zwaar begroeide terrein een enkelen vijand te zien was. 

Dit vuur kostte de vooruitgedrongen afdeeling terstond 5 ge- 
wonden, waaronder den Europeeschen hiselier J. F. H. Keetds, 
die echter bij den troep bleef en het was deze gewonde soldaat 
die bij de bestorming tegelijk met den Luitenant G. van Tienhoven 
het eerst den wal der vijandelijke sterkte beklom. 

Onder dat moorddadige vuur bereikte de voorwacht, talrijke 
verliezen lijdende, de overzijde dier vlakte, steeds voorg^^aan 
door de dappere sectie-kommandanten; doch hier beletten de 
hindernissen weder dat men spoedig vooruit kwam, zoodat onze 
soldaten, afwisselend kappende en vurende, met de grootste 
moeite avanceerden. 

Eindelijk bereikte de i® kompagnie weder den rand eener vlakte 
en nu stonden de aanvallers op drca 40 meter van eene 2^3 
Meter hooge aarden borstwering, die aan alle zijden vuur scheen 
te braken en waaruit de vijand een hagelbui van kogels afzond 

Daar voor het oogenblik een verder avanceeren onmogelijk 
was voor de kleine macht onder den Kapitein Le Bron de Vexda, 
liet deze den boschrand bezetten door zijne tirailleurs en ofischoon 
de verliezen schrikbarend toenamen, l^den de tirailleurs zich be- 
daard neder en beantwoordden 'svijands vuur zoo kalm en juist 
mogelijk. 

Van de vier sectie-kommandanten , die aan het hoofd hunner 
soldaten getroffen werden, was de eerste die buiten gevecht ge- 
steld werd de Luitenant Comfurius, wien door een kogel wreedelijk 
de beide oogen werden uitgeschoten. Deze dappere flinke Offider 
doorstond de verbinding zijner zoo pijnlijke wonden met de 
grootste bedaardheid, daarbij anderen opwekkende en ofischoon 



U KOMPAGNnB 3* BATALJON INFAMTKBIB — 1874 331 

hij wist dat hij, zoo jong als hij was, voor zijn verder leven 
blind zoude zijn, zoo klonk toch van zijne lippen met vaste stem, 
een enthousiast en oprecht ^n^Leve de Koning \»^ Bewonderens- 
waardig was deze brave Officier in moed, geduld en trouw! 

Daarna werd de Luitenant Meuleman zoodanig gewond, dat 
hij van het slagveld vervoerd moest worden; een kogel had de 
rechter borst getroffen en haar geheel doorboord, terwijl een 
tweede kogel hem het hoofd verwondde. 

De sergeant majoor J. S. P. Funk, die de 4® sectie dapper 
aanvoerde en voorging, werd den arm door een kogel verbrijzeld , 
terwijl de Luitenant Hulstkamp bij het avanceeren struikelde en 
daarbij in eene groote randjoe viel die hem het geheele bovenbeen 
doorboorde, zoodat hij zich hevig bloedende moest verwijderen, 
ofechoon hij in den aanvang, geholpen door een zakdoek- verband, 
op zijne gevaarlijke doch eervolle plaats trachtte te blijven. 

In een kort oogenblik miste de kompagnie de leiding harer 
ervaren sectie-kommandanten, waardoor de moeielijke taak van 
den Kapitein Ie Bron de Vexela nog zwaarder werd. Ook deze 
was door een randjoe licht aan den voet gewond en had het 
linker been gekneusd door een matten kogel, doch van die 
kleinigheden nam hij geen notitie en bleef zijne kompagnie met 
woord en daad aanvoeren en leiden. 

Bijna zoo goed als weerloos lag die kompagnie daar onder dat 
hevige vuur, afgegeven door bijna altijd onzichtbare vijanden, 
doch hoe talrijk de verliezen ook waren , toch bleven de dappere 
Europeanen vol moed en strijdlust en menigeen die gewond 
werd weigerde de linie te verlaten , of verzwe^ dat hij getroffen was» 

Eindelijk had de tirailleur-linie hare patronen verbruikt en de 
reserve-patronen waren nergens te vinden, omdat de vreesachtige 
dragers zich daarmede in het dichtste struikgewas verscholen 
hadden, doch ook zonder munitie bleef de dappere troep zonder 
eenige weifeling, bedaard en koelbloedig in positie. 

De hoomblazer D. van Zuidam liep zonder zich aan den vijand 
en zijn vuur te storen langs de linie, vulde tot 2 & 3 maal toe 
zijn kwartiermuts met de patronen van zwaar gewonde of ge- 



332 DXRDB BKSTOBMUie YAM DK MISSieiT TB ATJSH DOO& DS 

sneuvelde makkers, en verdeelde die heel bedaard onder de 
tirailleurs der voorste linie. 

De Luitenant der Artillerie J. A. van der Kruk , die met zijne 
sectie kanons onmiddelijk achter de tirailleurlinie stond, ver- 
nemende dat de patronen der Inüanterie verbruikt waren, liet 
onmiddelijk slechts één zijner stukken op den linkervleugel dier 
linie in batterie komen, daar voor het 2® nog geen plaats was. 

Reeds 3 der bedienings manschappen waren gesneuveld, doch 
dat is voor dien dapperen Artillerie Luitenant geen hindernis. Hij 
helpt zelf het stuk in batterij brengen, richt zelf den vuurmond, 
terwijl de vijandelijke kogels ratelend het metaal van het stok 
treffen en weldra dondert kartetschot op kartetschot den vijand 
te gemoet, waardoor de Artillerie zeker veel bijbracht om den 
toestand te redden. 

Tal van heldendaden zijn dien dag verricht, doch velen 
bleven verborgen door het dichte struikgewas. In een half uur 
tijds verloor de i® kompagnie 75 pCt der Officieren en ruim 
50 pCt der onderofficieren en minderen. 

De fuselier J. Miroir, die eigenlijk als kok in het bivak achter 
had moeten blijven, mocht op zijn dringend verzoek mede uit- 
rukken, doch stierf naast zijn sectie-kommandant den heldendood, 
terwijl hij hoog opgericht 'svijands vuur beantwoordde. 

De fourier F. H. Wasserman die, van het slagveld teruggaande, 
van een officier de opmerking moest hooren, dat een braaf 
soldaat op zijn post blijft, verontschuldigde zich dat hij zijn 
geweer niet meer vast kon houden en toonde zijne geheel 
verbrijzelde rechterhand, doch t^elijkertijd krijgt hij een schot 
langs den schedel en een kogel door het been, waarop die 
Officier hem ridderlijk zijn leedwezen over zijne vergissing betuigt 
en kameraadschappelijk helpt. 

Weldra snelde de Luitenant G. van Tienhoven, kommandant 
der 4* kompagnie naar voren en plaatste zich met eenige man- 
schappen zijner kompagnie tot versterking in de tirailleuilie, 
die weldra ongeacht 'svijands vuur en de talrijke randjoe's 



1* KOMPAeNIB 3* BATALJON IMFAMTBBIB — 1874 d2S 

juichend vooruit stormde , toen öp den rechtervleugel het kranige 
14* Batalfon Infanterie onder de Overste J. L. J. H. Pel, onder 
het spelen der muziek tot den aanval overging. 

Hier bij het 3® Bataljon was de Luitenant van Tienhoven met 
den reeds bij den aanvang gewonden fiisilier Keetels het eerst 
op de vijandelijke borstwering en toen de vijand voor dien driesten 
bajonetaanval vluchtte, wees de Luitenant Adjudant van het 
y Bataljon, H. J. de Bordes, aan de soldaten den muur der 
Missigit, die deze dappere Officier, van de beide voorgaande be- 
stormingen kende, waarop allen den vijand nastormden, tegelijk 
met de vluchtelingen die enceinte van het heiligdom bereikten 
en daardoor beletten dat de vijand in dat reduit stand hield. 

Terwijl het 3^ Bataljon met de Eerste kompagnie aan het 
hoofd hier overwinnend doordong, plantte elders de Adjudant 
Vaandeldrager P. Peters het Oranje- Vaandel van het rechterhalf 
14® Bataljon het eerst op de vijandelijke borstwering, en iets 
verder was het de Luitenant D. van der Swan, die de Batal- 
jonsvlag, Neerland's driekleur, van het Linkerhalf 14® Bataljon 
juichend het eerst op den eigenlijken muur der Missigit verhief. 

Overal drongen onze dapperen met onweerstaanbaren élan 
vooruit , overal schalde het overwinnend Wilhelmus , overal juichten 
de troepen en ten derden male was dat heiligdom des vijands in 
onze handen, dat daarna door de Sappeurs aan de nog opene 
Oostzijde onder een ontzettend vijandelijk vuur, middels schans- 
korven gesloten werd, waarbij zich vooral onderscheidden de 
mineurs 2^ klasse G. AUgaier en C. Behouden, die beiden ge- 
durende den aanval reeds gewond waren. 

Om 4^ uur kreeg de kommandant der i* kompagnie den last om 
met zijne kompagnie naar het bivak te Penajoeng terug te keeren. 

In de kampong Djawa, t^enover Penajoeng, aangekomen, 
ontving de Kapitein Le Bron de Vexela de order van den Opper- 
bevelhebber om met zijne kompagnie het bivak van het rechter- 
half 14* Bataljon te bewaken, daar dit laatste de veroverde Missigit 
zou blijven bezetten. 



dd4 DIBDB BBSTOBlUNe TAM DK lOBSieiT TB ATJSB 1874 

Toen moest de dappere Kapitein zijn Generaal berichten «cdat 
hij aan die order voldeed, doch dat hij geen enkele Officier meer 
hij zijn troep onder zich had, en dat hij zelf eenigzins gewond 
nog slechts 12 onderofficieren en minderen van de geheele kom- 
pagnie over had, die echter uitgeput waren van vermoeienis en 
inspanning. 

Een gnvond Kt^Hn en 12 bajonetten was alles water overbleef 
en na de bestorming valide was van die prachtige kompagnie 
dappere Hollandsche jongens, die ten getale van 4 Officieren oi 
99 onderofficieren en manschappen zoo welgemoed ten strijde 
trokken. 

Dadelijk werd de kompagnie van die opdracht ontheven, en 
toen de Kapitein Le Bron de Vexela met zijne dapperen van 
het vlot stapte, dat hen over de Atjeh-rivier naar Penajoeng 
bracht, vond hij daar den Opperbevelhebber, de Luitenant Gene- 
raal J. van Swieten, met zijnen staf, die hem opwachtte en dat 
kleine overschot van zooveel braven een Eere-saluut bracht, e^ 
eerbewijs dat het in alle opzichten waardig was. 

De herhaalde verovering der Missigit is een der schoonste 
en schitterendste bladzijden in onze Indische krijg^eschiedenis en 
ontelbaar zijn de daden van moed, beleid en trouw waartoe zij 
aanleiding gaf en waarvan het bovenstaande slechts voorbeel- 
den zijn. 

Allen en alles te noemen is niet mogelijk, doch elk die daaihij 
t^enwoordig was mag met recht trotsch zijn op zijne deelneming 
aan die heldenworsteling en het Nederlandsche volk op zijne 
soldaten die zoo wisten te strijden, daarbij de eer die hen toe- 
komt aan de t^enstanders gevende, die ons met grooten moed 
en ware doodsverachting bekampten. 



Twee onversaagde Boodschappers 

op Atjeh — 1873 

Si Ie danger est inéyitable marchez an-devant. 

DE Wbiss. 

Den iS*'' December 1873 had de 2* Brigade van de expe- 
ditionaire troepen te Atjeh, onder bevel van den Kolonel G. B. T. 
Wiggers van Kerchem, na een langdorigen marsch en onder 
voortdurend streden, steeds den vijand voor zich uitdrijvende, 
de kampong Penajoeng bereikt en daar het bivak betrokken. 

Deze kampong was een belangrijk punt, op den rechteroever 
der Atjeh-rivier gelegen , waardoor het mogelijk werd om van de 
reede langs dien waterweg met gemak groote hoeveelheden 
levensmiddelen en krijgsvoorraad aan te voeren en van waar uit 
tevens gemakkelijk eene geregelde beschieting van de groote 
Missigit en van den Vorstelijken Kraton kon plaats hebben. 

Voorloopig was die Brigade daar geheel geïsoleerd, want 
even als de golven die voor den boeg van een vaartuig wijkende 
zich daarachter weder aaneensluiten, zoo ook spatten de vijan- 
delijke drommen wel uiteen voor ons beleidvol optreden, ons 
overstelpend vuur en de dappere onversaagde aanvallen onzer 
afdeelingen, doch vereenigden zich weder in den rug der kolonne , 
op die wijze alle gemeenschap met den Opperbevelhebber en de 
aan het strand achtergebleven legermacht afsnijdende. 

£n toch moest den Generaal van Swieten bericht gezonden 
worden van den uitslag der onderneming, ten einde daarop zijne 
verdere beschikkingen te kunnen nemen. 

Langs den reeds door de opgemarcheerde kolonne met zoo* 
veel moeite afgelegden weg zoude dit alleen mogelijk geweest zijn 
door eene sterke troepenmacht en dan nog ten koste van groote 
verliezen, want, evenals bij het voorwaarts rukken, zou men op 
dien terugweg zich al vechtende een doortocht moeten banen. 



386 TWn OMTBBSAAeDB B00D8GHAFPBR8 OP ATJBH 1878 

Bovendien waren de troepen ten gevolge van dien aanhou- 
denden strijd en den langen vermoeienden maisch te uitgeput, 
om nog een deel daarvan andermaal dien tocht te doen onder- 
nemen en dat nog wel grootendeels in nachtelijk duister, want 
reeds des morgens ten 5 ure stond de Brigade onder de wapens 
en ving den tocht aan en eerst des middags ten 3 ure werd 
Penajoeng bereikt 

Men had dus ongeveer 10 uur noodig gehad om een weg van 
ongeveer 7 kilometer af te leggen, gedurende welken tqd de 
troepen alleen in de rustpoozen tusschen twee gevechten slechts 
eene enkele harde beschuit had kunnen nuttigen. 

De eenigste gemeenschapsweg waarlangs dat bericht misschien 
het gemakkelijkst, het spoedigst en onder de minste veriie^en 
over te brengen zoude zijn, was de waterweg langs de A^eh- 
rivier. 

Doch dit bleef altijd een bijna ongehoord waagstuk, want van 
dat vaarwater wist men zoo goed als niets. Wel was bdcend 
dat men =i= 3 ^ 3500 meter van de riviermonding verwijderd 
was en dat ongeveer halfweg de zoogenaamde Marine-benting 
door de Marine landings-divisie was genomen, zoodat men in 
gewone omstandigheden met een roeibootje, geholpen door den 
stroom, dat punt in ongeveer een kwartier bereiken kon en de 
monding in circa een half uur, doch dat was ook alles, en de 
omstandigheden waren nu verre van gewoon. 

De linker rivieroever was nog geheel in 'svijands handen, 
daar de expeditionaire macht tot nu toe nog altijd in de land- 
streek op den rechteroever had geageerd en zelfis die rechteroever 
kon ook niet veilig geacht worden, omdat de Atjehsche benden, 
na den doormarsch der Brigade, zich weder geheel van die 
terreinstrook hadden meester gemaakt. 

Bovendien was het ook mogelijk dat de vijand, om te beletten 
dat onze gewapende sloepen de rivier opvoeren, overal versper- 
ringen in het rivierbed had gemaakt, die dan zeker door sterk 
bezette schansen bewaakt en verdedigd zouden zijn 

Maar toch, hoe gevaarlijk de tocht ook was, hoe zeker 't 



TWSB OMVBRSAAODS BOOSSCHAPPSBS OP ATJlffl — 1878 337 

bijna was dat de boodschappers gewond zouden worden of hun 
leven laten, toch moest de poging in het algemeen belang ge- 
daan worden. 

Voor dat waagstuk was echter in de eerste plaats een zeer licht 
vaartuig noodig en in de tweede plaats twee onversaagde waag- 
halzen, twee bedaarde en koelbloedig dappere mannen, voor 
niets vervaard, begaafd met groote tegenwoordigheid van geest en 
een onverzettelijken wil, doch tevens groote lichaamskracht bezit- 
tende en tot de uiterste inspanning in staat, bestand tegen alles, 
zoowel bedreven in het zwenmien als in 't vaardig sturen eener 
boot en intelligent genoeg om eene mondelinge mededeeling te 
begrijpen, te onthouden en bijna woordelijk over te brengen, 
want schriftelijk kon men het bericht wel medegeven, doch bijna 
zeker zouden de boodschappers te water geraken en door dat 
bad zou dus 't geschrevene nat en onleesbaar kunnen worden. 

Het zou moeilijk zijn al die eigenschappen in een persoon 
vereenigd te vinden en bovendien mochten 't nog alleen vrij- 
willigers zijn, volkomen bewust van het gevaarlijke der onder- 
neming en bereid om zich op te ofiferen. 

De Brigade-Kommandant, raadpleegde daaromtrent met den 
uiterst bekwamen, dapperen en doortastenden Chef van den Staf 
der Brigade, den Kapitein G. C. £. van Daalen, die het geheel 
met zijn Chef eens was en meende dat die vrijwilligers het best 
te vinden zouden zijn bij de i* kompagnie Mineurs en Sappeurs , 
omdat daarbij talrijke ambachten vertegenwoordigd waren. 

De kommandant dier kompagnie werd ontboden, hem het 
geheele plan medegedeeld en de vraag voorgelegd , of hij meende 
twee daartoe geschikte sujetten in zijne afdeeling te kunnen aan- 
wijzen. 

Deze, die gaarne voor zijn troepje de eer dier voorkeur behield, 
antwoordde terstond bevestigend en berichtte tevens dat zijne 
manschappen in een kreekje bij het bivak eene sampan ''') ge- 



*) Eene sampan is een uiterst klein, licht vaartuig uit één boomstam 
vervaardigd, waarin gewoonlqk slechts plaats is voor hoogstens twee per- 

22 



d&8 TWXB ONYSBSAAaDX BOOD80HAPPSBS OP ATJSB 1873 

vonden hadden, die nog in goeden staat verkeerde. Wel ont- 
braken de riemen of liever de scheppers (pagaaien), maar die 
waren spoedig uit een paar planken aan te maken. 

Na de opdracht ontvangen te hebben en nadat hem vooral 
op het hart gedrukt was eerst vrijwilligers te vragen voor eene 
zoo gevaarlijke onderneming, gaf de Kompagnies Konunandant 
terstond aan eenige sappeurs den last om twee scheppers voor 
eene sampan te snijden en raadple^de daarna zijne OffideroL 

De Eommandant kende zijne mannen en wist, dat als h^ 
vrijwilligers vroeg en dat wel voor een zeer gevaarlijken tocht, 
de geheele kompagnie als één man vooruit zoude komen, want 
hoe meer gevaar aan zoo iets verbonden was, hoe aangenamer 
dit dat troepje was ; daarom week hij in dat opzicht van de opdracht 
af en koos dadelijk een paar mannen uit , die naar zijne meening 
geheel aan de vereischten voldeden. Over het vr^fmllig bereid 
zijn dier twee braven maakte hij zich in 't geheel niet ongerust 

De keuze viel na korte beraadslaging op den sergeant der 
mineurs H. Boersma en den mineur A. C. Behouden , die beiden 
als scheepstimmerman gevaren hadden en reeds bewezen hadden, 
uitstekende zwenmiers te zijn, terwijl zij ook aan de andere 
vereischten beantwoordden. 

Ontboden zijnde, werd hen gevraagd of zij vrijwillig een zeer 
gevaarlijken tocht wilden ondernemen, waarop zij, zonder verder 
iets te vragen, glimlachend en met schitterende oogen vromen 
wanneer zij klaar moesten zijn en of zij even hun maaltijd 
mochten eindigen, zoo niet dan waren ze toch klaar en zouden 
later wel eten, of het voor 'n enkele maal zonder eten doen, 
als er veel haast bij was. 



sonen, die voorzichtig op den bodem plaats moeten nemen en dat dan 
middels twee pagaaien (scheppers) wordt voortbewogen en bestuurd. Het 
varen met zoo'n schuitje eischt veel oefening en bedaardheid, want 
by de minste onvoorzichtige beweging slaat het om, waarna 't echter 
weder even gemakkelyk recht te zetten is, mits men grond onder de 
voeten heeft of een uitstekend zwemmer is, zooals de Inlanders in den 
regel zyn. 



TWEB ONYERSAAODB B00D80HAPPEB8 OP ATJXH — 1873 339 

Verheugd en innig voldaan zich in de handen wrijvende omdat 
de keuze op hen gevallen was, verwijderden zij zich om zich 
klaar te maken, nadat hun in algemeene bewoordingen den aard 
der onderneming was medegedeeld en hun de stipste geheim- 
houding was opgedragen. 

Om 6^ uur, toen 't volkomen duister was, waren beiden gereed 
om den tocht te ondernemen, zoo weinig mogelijk, doch donker 
gekleed, ieder voorzien van een uitmuntenden revolver en een 
Atjehschen klewang in den gordel, de beste en scherpste die te 
vinden waren in den buitgemaakten voorraad. 

Nadat zij de noodige instructiên en mededeelingen hadden 
ontvangen en zich goed ingeprent, werd de order tot vertrek ge- 
geven, waarbij hen alleen aangeraden werd zoolang mogelijk 
den minst onveiligen en meest begroeiden rechteroever te houden, 
de overige maatregelen aan hun beleid en de omstandigheden 
overlatende. 

Voorzichtig stapten zij in 't brooze wankele vaartuigje , namen 
de pagaaien ter hand en geruischloos gleed de sampan voorwaarts 
en verdween in 't duister, vergezeld van de beste wenschenvan 
de enkele Officieren die bij het vertrek der dappere , onversaagde 
waaghalzen t^enwoordig waren. 

Weldra waren beiden geheel alleen, aan alle zijden omringd door 
gevaren, waarvan de dood wel 't minst was. 

Zij waren geheel aan zich zelven overgelaten op de duistere 
watervlakte met hare schijnbaar eenzame doch woest begroeide 
oevers, geheel alleen moetende steunen op eigen moed om de ge- 
varen kalm onder de oogen te zien , en op eigen inzicht om door 
snelheid en beslistheid van handelen in gevaarvolle oogenblikken 
de moeilijke opdracht tot een goed einde te brengen. 

Wel was de bijna tastbare duisternis waarin zij voortgingen onder 
het overhangend bladeren dak, waardoor geen enkele lichtstraal 
van den sterrenhemel drong, in hun voordeel, omdat zij daardoor 
aan het spiedend en scherpziend oog van den vijand waren 
onttrokken, maar daarentegen werkte dit ook belemmerend op 
de snelheid van den tocht, want zij konden de hinderpalen niet 



340 TWB ONVBBSAAaDB BOODB0HAPPEB8 OP ATJSH 1873 

zien die zich op hun gevaarvol pad zouden voordoen, en waarvan 
de geringste hun licht en broos vaartuig kon doen omslaan of 
verbrijzelen. 

Slechts in 't midden der rivier was eene enkele glinstering van 
't sterrelicht waar te nemen op het door den avondwind zacht 
kabbelende wateroppervlak, en dit lichtschijnsel kon hun eenig- 
zins tot gids en leiddraad dienen. 

Wijd sperden zij de oogen open en tuurden vorschend rond, 
terwijl hun gehoor elk geluid poogde op te vangen en te onder- 
scheiden. Hun waamemings-vermogen was ten hoogste gespannen, 
want in de hen omringende duisternis en stilte dreigden onbe- 
kende gevaren van alle zijden, gevaren die zij niet zoo zeer voor 
zich zelven duchtten, als wel voor het goed en spoedig gelukken 
van den belangrijken tocht 

Door den stroom geholpen en zacht en zwijgend de korte 
pagaaien hanteerende , kwamen zij in 't begin vrij spoedig vooruit, 
doch telkens moesten zij ophouden als zij meenden dat iets hun 
den weg versperde, of dat het kraken van takken, dan wel een 
geweerschot, of een Atjehschen kreet de stilte verbrak en bewees, 
dat hoe eenzaam de oever ook scheen, hij toch in den donkeren 
boschrand talrijke vijanden verborg. 

Reeds driemaal hadden zij of op den wal, of op een onder 
water liggenden boomstam gestooten en even dikwijls was ook 
het vaartuig omgeslagen, gelukkig zonder schade te beloopoL 
Wel waren zij doornat en rilden van koude, wijl zij bij elke 
onderdompeling eenige oogenbiikken stil in 't water bleven zitten, 
om waar te nemen of de vijand hen ook door den plomp in 
de rivier ontdekt had; wel matte hen dat telkens oprichten van 
't vaartuig ten zeerste af, zij die reeds vermoeid waren door den 
langen tocht van dien dag, maar met hoeveel moeite het ook 
gepaard ging, telkens bestegen zij weder zwijgend hun waggelend 
vaartuig en onverpoosd ging het weder verder. 

Tot nog toe had de vijand hen niet ontdekt en scheen hij het 
plassen in 't water niet te hooren of aan iets anders toe te 
schrijven, want wie hunner zou ooit op de gedachte kom^i dat 



TWEB ONTBRSAAODB B00D8CHAPPKR8 OP ATJBH — 1873 841 

twee waaghalzen op een klein uitgehold stuk hout door hunne 
linie trachten heen te sluipen. 

De beide dappere boodschappers hadden geen begrip meer 
van tijd of afgelegden afstand. Waren zij een uur of tien minu- 
ten onderweg, waren zij dicht bij het doel of nog ver daarvan 
verwijderd ? . . . Zij wisten het niet ! . . . 

Voorwaarts lag hun w^ en voorwaarts ging het! . . . 

Eensklaps ontdekten zij op den tegenovergelegen oever eene 
bende Atjehers, waarvan een enkele luid schreeuwend, over de 
rivier iets naar dezen oever toeriep, wat van daar op dezelfde 
wijze beantwoord werd. 

Wat men elkander toeriep verstonden de braven niet , maar zij 
hadden nu de zekerheid dat beide oevers bewaakt werden en dat 
zij nog op grooten afstand van de Marine-benting waren, daar de 
vijand anders niet zoo luidruchtig geweest zou zijn. 

Zacht en onhoorbaar onder de beschermende takken voort- 
schuivende, ontdekten zij ook te gelijkertijd dat de plantengroei 
op den rechteroever ophield en zij nu een open watervlak moesten 
oversteken dat door den sterrenhemel voldoende verlicht werd, 
om een bootje, dat zich daarop waagde, aan den vijand te ver- 
raden, al was 't ook zoo klein als hun uitgeholden boomstam. 

Nu was het gedaan met de veilige duisternis, die hen tot nu 
toe beschermd had! Nu zouden zij ontdekt worden! Nu was het 
oogenblik genaderd dat zij al hunnen moed, al hunne t^en- 
woordigheid van geest en al hunne krachten noodig hadden om 
het gevaar het hoofd te bieden! 

De sergeant Boersma, die de leiding had, oordeelde dat groote 
snelheid nu het eenige was dat hen redden kon, want het was 
niet te voorzien dat de vijand spoedig weg zoude trekken, en 
dat zij, nu zij toch ondekt zouden worden, het beste deden het 
midden van den rivier op te zoeken, om dan, gebruikmakende 
van den stroom die daar veel sterker was dan aan den oever, 
ook sneller vooruit te komen. 

De vijand kon hen dan wel met geweervuur bestoken, maar 
door de duisternis, hunne snelheid en de haast waarmede dat 



342 TWXB OMYBBSAAaDK B00D8GHAPPKB8 OP ATJXH 187S 

vuur afgegeven zoude worden, rekenden zij dat dit 't minst ge- 
vaarlijke was. 

In elk geval werd bepaald, dat wat er ook met een hunner 
gebeurde , zelüs als hij gewond in het water viel , de andere geen 
oogenblik de vaart zou vertragen, maar eenvoudig zoo snel 
mogelijk voortgaan. 

Het doel van den tocht ging bij die braven boven alles ! 

Alleen bedreigde hen een gevaar van meer emstigen aard ea 
wel dat de vijand ook vaartuigen ter zijner beschikking had en hun 
met meerdere krachten en grootere snelheid zoude vervolgen , of 
dat ergens de rivier versperd was, die den verderen tocht per 
sampan onmogeUjk zoude maken. 

Daar echter, hoe zij ook tuurden, nergens eenig vaartuig te 
zien was, rekenden zij eenigzins op hun goed gesternte en wat 
het laatste geval betrof, zouden zij dan maar zoo spoedig mogelijk 
den oever trachten te bereiken om gezamenlijk den tocht over 
land door de bosschen sluipende te vervolgen en bij een onver- 
hoopten aanval zich zoo goed mogelijk verdedigen, opdat ten 
minste één hunner het doel mocht bereiken. 

Na alles kort en fluisterend te hebben vastgesteld , drukten zij 
elkander de hand, als eene stUzwijgende belofte van trouw aan 
de afspraak. 

Toen gingen zij vast nederzitten op den bodem van het vaar- 
tuig, zetten de pagaaien met kracht in het water en met groote 
vaart schoot het ranke bootje naar het midden van den stroom. 

Spoedig had de vijand hen ontdekt en werd hun iets toege- 
roepen, omdat de Atjehers blijkbaar niet begrepen wat die voort- 
snellende sampan beteekende, waar zij van daan kwam en wie 
er in zat, vriend of vijand. 

De beide braven gaven echter geen antwoord , maar gebruikten 
de kostbare oogenblikken om zoo snel mogelijk vooruit te komen. 

De vijand begrijpende dat het niet richtig was, met dat stil 
doch snel voortschietende vaartuigje, begon in den wilde van 
beide oevers te vuren, zoodat weldra de kogels als hagel naast 
hen in 't water vielen en fluitend over hunne hoofden vlogen; 



TWXB OMVRESAAaDS BOODSCHAPPERS OP ATJBH — 1873 343 

slechts een trof een der pagaaien, zonder die echter geheel 
onbruikbaar te maken. 

Hoe nat zij ook waren en hoe zij een oogenblik te voren ook 
rilden van koude, nu gudste hen 't zweet van 't gelaat door de 
ongehoorde inspanning. 

De aderen op 't voorhoofd zwollen op, de borst hijgde naar 
adem , het hart klopte hevig in den boezem en de spieren deden 
hun pijn, maar voort ging het, want nu hing den uitslag van 
de snelheid af. 

De pagaaien bewogen zich krachtig en regelmatig en als een 
meeuw vloog het lichte vaartuigje over het water, zoodat zij 
weldra geholpen door den stroom buiten 's vijand gezicht waren , 
wiens woedend gegil hen uit de verte vervolgde , terwijl hun nog 
steeds kogels nagezonden werden, maar geen oogenblik vermin- 
derden zij de vaart, want elk oogenblik kon op andere plekken 
de vijand, die door 't geweervuur gewaarschuwd was , tevoorschijn 
treden, of met een vaartuig trachtten hen den weg af te snijden. 

Vooruit ! Vooruit ! Zoo snel mogelijk ! . . . . 

Na eenige minuten , die hun eindeloos toeschenen en hen bijna 
geheel uitputten, vertoonden zich in de verte eenige zwarte 
stippen op het water, als om hen den verderen voortgang te 
beletten. 

De eerste gewaarwording, in verband met hetgeen zij onder- 
vonden hadden, was schrik, want zij dachten dat hun nu voor 
goed den weg te water was afgesneden en hen alleen als laatste 
hulpmiddel de moeielijke weg over land overbleef om aan hunne 
opdracht te voldoen, maar reeds in het volgende oogenblik be- 
grepen zij dat dit de sloepen der Zeemacht moesten zijn, die 
voor de Marine-benting op brandwacht lagen. 

£en diepe zucht van verlichting ontsnapte aan hunne borst, 
want zij hadden de eerste veilige haven zoo goed als bereikt, 
zoodat zij zich nu minder behoefden in te spannen. 

Zich langzaam door den stroom latende voortdrijven om weder 
eenigszins op verhaal te komen, leschten zij hunnen dorst en 
verkoelden de hevige kloppende slapen met eenig water. 



844 Twn oMmuiAAeDB boodsohappkbs op ATJKH 1878 

Eensklaps remde Boersma de voortgang der sampan, want 
vóór hen lagen wel de sloepen der eigen krijgsmacht, maar om 
die te bereiken zouden zij misschien grootere gevaren moeten 
doorstaan, dan die zij pas waren ontkomen. 

De c«/a»^W»» onzer kranige marine zijn Jongtns uit ten stuk^ 
die in 't gevecht en vooral in *t handgemeen voor niemand 
onderdoen, maar hoe dapper zij ook zijn, voor de veiligheids- 
dienst aan den wal ontbreekt hen oefening en ondervinding. 
De struiken en greppels die den vijand gelegenheid geven hen 
in de duisternis te bekruipen, de korte boomstronken die in bet 
duister allerlei grillige vormen schijnen aan te nemen, de ge- 
luiden die de stilte verstoren, het kraken van takken door 't 
voorbijsluipen van eenig wild en in 't algemeen die tastbare 
duisternis die den zeeman, die iemand gaarne in de oogen ziet, 
belet om goed om zich heen waar te nemen, dat alles verontrust 
hun, maakt hen zenuwachtig en is oorzaak dat zij soms op het 
minste onraad als razenden gaan schieten. 

£n dat wist Boersma, en hij wist ook dat dat geweervuur ge- 
vaarlijker was dan dat der Atjehers, wegens de snelheid van 
dat vuur en het zoo bestrijkende schot der uitmuntende vuur- 
wapenen. 

Hij voorzag, dat zoodra de schildwachten hen zouden ont- 
dekken, deze zouden beginnen te vuren, wat in deze omstan- 
digheid zeker te vergeven was, want wie kon veronderstellen dat 
twee onversaagde HoUandsche jongens de roekelooze onderneming 
zouden durven bestaan, in zoo'n vaartuigje de gevaarlijke rivier 
af te zakken. 

Daarom werd besloten in 's Hemelsnaam de kans te wagen, 
te trachten zoo snel mogelijk het Marine-bivak te naderen tot zij 
binnen het bereik der menschelijke stem waren, en zich dan 
door luid roepen bekend maken. 

Eindelijk klonk er een schot van den wal en aan den scherpen 
vinnigen knal herkenden zij 't als afgegeven uit een Beaumont- 
geweer. 

Zij waren dus ontdekt! Men zag hen voor den vijand aani . . 



TWEB OKVBBSAAODB B00DSCHAPPB&8 OP ATJKE — 187S 345 

Weldra volgden meerdere schoten die echter gelukkig door de 
duisternis slecht gericht waren en waarvan de kogels fluitend 
over hunne hoofden vlogen. 

Oordeelende dat men hen nu wel in 't bivak zou kunnen 
hooren, verhieven zij hunne stemmen en weldra klonken, als 
antwoord op die dreigende schoten, de geliefde toonen. van het 
Volkslied, dat zij, hoe vermoeid ook, opgewekt en luid uitvoUe 
borst zongen , een lied dat zeker geen Atjeher zoude uitgalmen en 
al zingende bleven zij snel doorroeien. 

Gelukkig waren spoedig eenige Officieren aanwezig om het 
vuren te doen staken, en toen het knallen der schoten ophield 
verhief Boersma zich in hunne notendop en luide klonk zijn stem 
in de stilte van den nacht met een ^^Leve Holland, Leve de 
Koning hi^ waarop beiden hunne mutsen zwaaiende zoo hard 
mogelijk €€Hoerah* riepen en dat zoo enthousiast dat de sampan 
dreigde om te slaan. 

£n toen nu een der Officieren hun de vraag toeriep van 

waar zij' kwamen, en Boersma daarop antwoordde c«z;ait Pena- 

joeng, door ons genomen, met een bericht van den Generaal f toen 

galmden de brave ^Jantjesi^ het uit en een luid overwinnend 

<Mhoezeehit begroette die blijde tijding. 

Nu konden zij rekenen behouden te zijn. 

Het was nu kwartier over achten , zoodat zij dus bijna twee uur op 
de rivier gezwalkt hadden en dat om i6^ 1700 meters af te leggen. 

Zg weigerden om te rusten en zetten onmiddelijk hun tocht 
voort; het laatste deel der rivier tot de monding was spoedig 
ingelegd, waarna zij zich langs het veilige strand naar den Opper- 
bevelhebber begaven. 

Ten negen uur waren zij bij Generaal van Swieten, doodelijk 
vermoeid en uitgeput. Zij deelden hem hunne opdracht mon- 
deling mede, want de brieven waren onleesbaar geworden, en 
deden daarna op zijn verzoek een kort relaas van hun tocht. 

De grijze Generaal, trotsch op zulke mannen, prees hun moed, 
t^enwoordigheid van geest en volharding en beval dat de meest 
mogelijke zorg voor hen gedragen zou worden. 



MS 



TWEE OKVBBSAAeDB B00D8GHAPP1B8 OP ATJSH 



1878 



Den volgenden dag keerden zij over land met de eerste 
kolonne naar Penajoeng terug en meldden zich bij den Eom- 
mandant aan alsof zij van verlof of van een pleizierreisje terug 
kwamen. 

De beide dappere Hollandsche jongens ontvingen voor hunne 
grootsche en moedige daad het zoo welverdiende Eeremetaal der 
Militaire Willemsorde. 



Onze dapperen by Garouw (Aijeh) 

onder den Majoor der Infanterie J. H. Romswinckel 

1874 

Een lauwer kroont des helden schedel j 
Wiens igz'ren voet 
Door vaar en bloed 
Zich stout ter overwinning spoedt 

W. J. Hofdijk, Heldenmoed. 

Zoolang de vijand niet uit zijne stelling bij Kota Babi, Kota 
Radja Bedil en Lamara verdreven , en die positie door onze troepen 
bezet was, waardoor wij in staat zouden zijn den Pedirdijk met 
ons geschut te bestrijken, zoolang waren onze transporten langs 
de Atjeh-rivier niet veilig , welke waterweg toen nog onze eenigste 
en gemakkelijkste verbinding vormde met de reede, zoodat alle 
vervoer van materialen en vivres daar langs moest plaats hebben ; 
nu werden de prauwen aanhoudend door den vijand bestookt, 
die zich in de bedekte en moerassige streek op den rechteroever 
der rivier, ten Noorden van de Marine-Benting en onze sterkte 
Lampoeloe, in grooten getale ophield. 

Ten einde zich van die positie meester te maken en terstond 
voor onze troepen de noodige versterkingen op te richten, om 
de veroverde punten bezet te houden, rukte op den 28^ Jtmi 
1874 des morgens te 4 uur eene kolonne uit, onder de bevelen 
van den Majoor der In£Euiterie J. H. Romswinckel, bestaande uit 
het door dien Hoofofficier gekommandeerdelinker-half 9® Bataljon 
Infanterie, twee sectiên berggeschut en twee mortieren van 12 cM., 
eene sectie Mineurs en de noodige Ambulance, terwijl van het 
rechter-half 9* Bataljon daarbij nog twee detachementen werden 
ingedeeld, een van 50 bajonetten speciaal belast met de dekking 
der Artillerie, en een van 100 onderofficieren en minderen aan 
wie de bescherming opgedragen was van de talrijke vaartuigen 
waarmede, van af Penajoeng langs de Atjeh rivier, de dwang- 



848 ONZB DAFPIBEN BU eABOüW — 1874 

arbeiders, de vivres en de materialen voor de op te richten 
sterkten naar den rechteroever der rivier ten Noorden der Marine- 
Benting moesten worden vervoerd, alwaar zij ontscheept endoor 
de med^enomen dwangarbeiders langs het strand naar de plaats 
hunner bestemming zouden worden overgebracht 

Het was een kranige, flinke, krijgshaftige, goedgeoef<aide 
troep die zich met den vijand zou gaan meten en hem uit z^e 
moeielijk genaakbare schuilhoeken zou verjagen, maar kranig 
flink en krijgshaftig boven allen was de aanvoerder, de Majoor 
J. H. Romswinckel, f^uie V€chtmajaor»i>. 

Dezen vleienden bijnaam was hem door zijne ondergeschikten 
gegeven, die een Chef als van zelf dadelijk onder het vijanddijke 
vuur in al zijne goede en slechte eigenschappen als aanvoerder 
beoordeelen en soms van huime bevinding door teekenende 
bijnamen doen blijken, die hun oordeel op zinrijke en eenvoudige 
wijze samenvatten en dan vooral zooals deze, als jEert-namm 
kurmen beschouwd worden. 

£n die karakteriseerenden bijnaam van ^^Vechtmafoor»» ver- 
diende de Majoor Romswinckel ten volle, niet omdat die brave 
Hoofdofficier zooveel lust in vechten had en elke gel^;enhdd 
zocht om aan dien hartstocht te voldoen, verre van daar, maar 
omdat, zoodra zijn plicht en zijne roeping hem tot handelen in 
den strijd riepen, de kranige, flinke en krijgshaftige Chef , dubbel 
kranig , dubbel flink en dubbel krijgshaftig scheen te worden , omdat 
het dan den schijn had alsof het gewoel van den strijd zijn element 
was , waarin hij zich even goed te huis gevoelde en zich evenzeer 
op zijn gemak bevond, als op eene parade, in eene danszaal , 
ot bij gezelligen, kameraadschappelijken kout 

Zijne aangename, irmemende en toch indrukwekkende en domi- 
neerende verschijning, zijn kranig militair uiterlijk, en zijn hd- 
deren, schitterenden, doordringenden blik teekenden een krachtigen 
wil, groote voortvarendheid en vastberadenheid, degelijk zelfver- 
trouwen, eene edele rondborstigheid en eene bijna ongeëvenaarde 
stoutmoedigheid, in alles niet alleen een man met een ridderlijken 



l 

X 



ONZK DAPPBBBM BIJ aABOUW — 1874 849 



geest en een ridderlijk hart, maar tevens ^^every» inch a gentUman, 
een man wiens handdruk eene eer, wiens lof een ridderslag is. 

Zoodra het kanon donderde, het geweervuur ratelde, het 
gevaar het grootst en de strijd het heetst was, scheen hij, den 
kruitdamp met wellust inademende , en kalm glimlachend te midden 
van den kogelr^en zijne bevelen kort, krachtig en beslist ge- 
vende, een oorlogs-god, die het gevecht beheerscht met zijn 
krachtigen geest, wien geen kogels deren en wiens tegenwoor- 
digheid de strijders , die eerbiedig en bewonderend tot hem opzien, 
tot grootsche daden opwekt 

Hij was dan de bevelhebber in wien de minderen niet alleen 
den aanvoerder zien, die hen in 't dreigenst gevaar met vaste, 
vertrouwen wekkende, beleidvolle hand leidt, maar ook de krijgs- 
makker, wiens kameraadschappelijke trouw zelfis den minsten zijner 
soldaten ten goede zal komen, de Chef die zich zelven niet 
spaart, maar ook zoo noodig van de zijnen de zwaarste ofifers 
eischt, de held wien geen taak te zwaar, geen gevaar te groot 
is, de ^Vichttnajoor». 

Hij spaarde zich zelf zoo weinig en was altijd zoo kalm onver- 
schrokken te midden der grootste gevaren, als de troepen als 
't ware weggemaaid werden , dat de Inlandsche soldaten aan iets 
bovennatuurlijks geloofden en hem onkwetsbaar dachten; en dit 
geloof wist hij met heldhaftige ijdelheid bij hen in stand te 
houden, want toen de dappere Chef eens door een kogel nog 
wel aan het been gewond werd, bleef hij niettegenstaande de 
hevigste pijnen met stoïcijnsche kalmte zijn taak vervullen en de 
grootste vermoeienissen doorstaan; eerst daarna liet hij zich 
in 't geheim verbinden. 

Niet alleen sierde het Kruis der Militaire Willemsorde zijne 
edele borst voor zijne vroegere heldendaden te velde, maar hij 
mocht ook een zeldzaam juweel, een Eerezwaard zijn eigendom 
noemen, dat hem geschonken werd door Semarang's dankbare 
burgerij, toen hij, nog Luitenant zijnde, door zijn energiek 
optreden den plotseling in vollen vrede uitgebroken opstand 
der talrijke Zwitsersche huurtroepen met een handvol zijner 




350 ONZB DAPPKBEN BU eABOUW — 1874 

soldaten op beleidvolle wijze wist te stuiten, en door zijne voort- 
varendheid en zijn kalmen moed Semarang's inwoners redde 
van moord en plundering. 

Later, als Generaal, ontving hij van de hem vereerende sol- 
daten nog een anderen bijnaam , of liever , als zij onder elkander 
van hun beminden Opperoffider spraken, noemden zij hem 
altijd op warmen en hartelijken toon bij zijn voornaam ««/bof/»>, 
en de Infanteristen, die speciaal trotsch waren op dien kranigen 
Generaal uit huime gelederen voortgekomen en die zij altijd als 
den himnen beschouwden, spraken tegenover andere wapens altijd 
eigenaardig van €€omen JoostTn*. 

Hij was een van de ridderlijkste persoonlijkheden en een der 
schitterendste sieraden van het daaraan zoo rijke Indische L^er. 

Zonder eenige hindernis en zonder door den vijand verontrust 
te zijn, bereikte de kolonne onze sterkte te Lampoeloe , van daar 
haren marsch nemende naar den Pedirdijk in den richting Garouw- 
Lamara. 

In het gezidht van de door schansen verdedigde en door een 
talrijken vijand bezette kampong Garouw op de sawah debouchee- 
rende, werd de troep dadelijk door een moorddadig geweer- en 
lilla-vuur ontvangen. 

Slechts een kort oogenblik had de Majoor Romswinckel noodig 
om den toestand te overzien en te beoordeden, waarop hij ab 
naar gewoonte krachtig en duiddijk zijne bevelen gaf. 

Een hevig en bloedig gevecht was daarvan het gevolg, dat 
met 's vijands nederlaag eindigde en waarbij deze talrijke verliezen 
leed, doch ook aan onze zijde sneuvelden 4 minderen en werden 
4 Offideren en 23 minderen gewond. 

Als een voorbedd van de strenge disdpline en de kalmte van 
den troep onder zoo'n Chef, kan vermeld worden, dat trots de 
woede en de hitte van den strijd, van de uit huime Bentingna 
de nederlaag vluchtende vijanden, vijf dier vluchtenden door 
onze soldaten gevangen gemaakt werden en niet in de opwinding 
van het gevecht neergeschoten. 



ONZB DAPPBSBN BLI «ABOUW — 1874 351 

ï Eene enkele episodo uit dat korte maar hevige gevecht zi) 
I hier vermeld. 

Daar de vijandelijke sterkte stormvrij gemaakt was door bamboe- 
doerie versperringen en door het geheele buitentalud der borst- 
wering met dit doomachtige gewas te bedekken, moesten de 
Mineurs, geleid en voorgegaan door den Luitenant der Genie 
gedetacheerd van het Nederlandsche Leger, W. J. N. Cramer, 
onder een hevig, bijna è bout portant afgegeven geweervuur die 
hindernissen opruimen, terwijl zoowel de Artillerie als de Infan- 
terie den vijand met hun vuur bestookten. 

Ondertusschen ontdekt de Luitenant W. L. £. V. von Massow 
in den keel der sterkte een gesloten poortje, dat echter slechts 
langs eene nauwe kronkelende doorgang tusschen de bamboe-doerie 
te genaken was. Vertrouwende op de kracht zijner breede forsche 
gestalte, snelt hij slechts door enkele manschappen gevolgd der- 
waarts om dat poortje open te breken en den vijand op die eenige 
kwetsbare plek met de bajonet te lijf te gaan; dit troepje voorafgegaan 
door zijn Officier wordt met een zoo hevig vuur door de reten 
der poort ontvangen, dat het terugdeinst, hun doodelijk gewonden 
braven Luitenant met zich voerende, die echter spoedig daarna 
aan die wonden overleed. 

De aanwezigheid van dat poortje vernemende, aarzelde de 
onverschrokken Luitenant Cramer geen oogenblik om daar een ge- 
makkelijken weg te banen voor het stormen der Lifanterie en snelt 
hij den nauwen to^;ang in gevolgd door den sergeant der Mineurs 
J. Rijser; weldra hebben die beide dapperen door hunne bijl- 
slagen de poort geopend, hoe de vijand ook, even als de vorige 
maal, door zijn vuur dit trachtte te beletten. 

Nauwelijks is die gevaarlijke taak volbracht, de toegang vrij 
of een paar woeste, dappere Atjehers springen naar buiten en 
vallen den Luitenant Cramer, die het dichtst bij hen was, met. 
opgeheven klewang aan. 

De dappere Officier legt den voorsten vijand met een revol- 



I 



I 



352 OMZS DAPPKRBN BU CbkBOüW — 1874 

verschot neer, doch daarna we^;ert voor den tweeden dat wapen 
zijne dienst, en zeker zoude de Luitenant Cramer, die nu onge- 
wapend stond, verloren zijn geweest, als niet de sergeant Rqser, 
die zich reeds op den terugweg bevond om voor de Infanterie 
plaats te maken, teruggekeerd was en, wijl hij geen wapen bent, 
den aanvaller met zijne handen bij de keel gevat en zich met 
hem tegen den grond geworpen had, waarna hij den A^Aa 
diens klewang ontweldigde en met zijn eigen wapen afinaakte. 

Nu was ook de Kapitein A. A. J. L. de Jongh, de onder de 
makkers bekende onverschrokken «Tl^^if»» , met eenige In£Euitenste& 
ter hulp toegeschoten, om tevens door het poortje binnen te 
dringen; nu onspon zich in die kleine nauwe ruimte een bloedig 
handgemeen tusschen de bajonetten en de klewangs der inmidddi 
naar buiten gekomen Atjehers, waarbij het den onzen echter 
niet gelukte het poortje binnen te dringen, daar het den vijand 
ondertusschen mogelijk geweest was dit weder te sluiten en te 
versperren. 

Bij dien aanval werd benevens eenige soldaten de Kapitein de 
Jongh zwaar gewond, waarvan h^ wel na verloop van tijd her- 
stelde , doch waardoor hij voor zijn leven verminkt was , en zijne 
eervolle carrière gebroken werd. 

De vijand, wiens sterkte nu van binnen ook in brand geraakt 
was, vluchtte na dit gevecht aan alle zijden, zooveel mogelijk 
zijne dooden en gewonden medevoerende, doch n^en dooden 
achterlatende. 

Zoowel op Luitenant Cramer als den sergeant Rijser, was het 
gezegde toepasselijk €€jkletn maar dapper^-». Beiden hadden ge* 
durende de geheele expeditie reeds de meest doorslaande bewijzen 
gegeven van moed en doodsverachting, terwijl bovendien de 
sergeant zich na de verovering van Panajoeng onderscheiden had , 
door met de meeste onversaagdheid in de hoog gewassen, snel- 
stroomende Atjeh-rivier te springen, om een verdrinkend soldaat 
met gevaar van eigen leven te redden. 

De Kapitein de Jongh, de Luitenant Cramer en de sergeant 



OMZB DAPPSBBN BU eABOüW — 1874 353 

■i Rijser, behoorden onder hen die voor dezen heeten strijd met 
Bide Militaire Willemsorde beloond werden. 

■ Terwijl het bovenstaande gebeurde, had op een ander punt 
J van het slagveld een niet minder opmerkenswaardig feit plaats. 

pi Daar stond de algemeen beminde, vroolijke, en dappere 
i Luitenant der Artillerie C. J. Zwager met zijne sectie onder hevig 
%,i vijandelijk vuur, toen hij plotseling zeer ernstig gewond werd. 
i Hoe gewond ook, bleef hij bedaard te paard zijne sectie 

■ kommandeeren en eerst toen hij gemist kon worden, ging hij 

stapvoets rijdende terug, omdat hij, zooals hij zeide, €€den 
E vijand V genot niet gunde. Zwever te zien vallen,>T> 

\ Vroolijk en opgeruimd liet die brave Officier zich verbinden 

1 en wegbrengen, doch een paar dagen later was ook hij aan de 
. iiefde eener moeder en aan de vriendschap der makkers ontvallen. 

Zoowel de Luitenant der Infanterie W. L. £. V. von Massow 
als de Luitenant der Artillerie C. J. Zwager werden beiden als 
Ridder der Militaire Willemsorde 4® klasse ingeschreven in het 
register van de Kanselarij der beide Nederlandsche Orden. 



23 



De val van Soerian (A-yeh) 

1874 

De nmuat tegg' , als h^j van u hoort tfnkm: 
««Ods is de roen der Tadereo bekend!»» 

▼. Lxnnp. 

Na het vertrek van Generaal van Swieten met een deel der] 
expeditionaire kolonne, had de overblijvende troepeDmadtii 
onder den Kolonel J. L. J. H. Pel, eene bijzonder zware td 
te vervullen en dagdijks hadden er in den omtrek van da 
Kraton min of meer bloedige gevechten plaats, om den stoot* 
moedigen vijand, die onverpoosd en met groeten moed oom 
stellingen bestookte, op een afetand en eene niet al te giook 
terreinstrook om onze hoofdvestiging veilig te houden. 

Was des vijands moed en volharding groot, onze troepei 
deden in dapperheid en ondernemingsgeest voor hem nietoodff 
en waren hunne tegenstanders in onvermoeidheid en doodsver- 
achting waardig, die, hoe bekend zij ook waren met het terrm 
en hoe daarin alles in hun voordeel was in verband met hunne 
vechtwijze en de groote snelheid hunner bewegingen , toch wijkes 
moesten voor het meerdere beleid onzer kranige aanvoerders, de 
betere bewapening, de geoefendheid en het onweerstaanbare 
élan onzer dapperen en vooral voor de kracht der ijzeren disci- 
pline die de verschillende elementen tot één geheel en dus tot 
een krachtig werktuig maakt , zoo sterk en machtig in de handai 
van den kundigen aanvoerder. 

Het was een grootschen maar wreeden strijd zonder genade, 
een strijd op leven en dood ! . . . . 

Nimmer gaf de vijand zich over en zelfs de gewonde Atjeher 
bleef zich woedend verdedigen tot hij den laatsten adem uitblies, 
dan wel weigerde hij, gevangen genomen omdat hij door zijne 
wonden weerloos was, alle voedsel of drank dat hem door de 
onzen gereikt werd en rukte de verbanden los, liever stervende 



iHaatMlltalrfiiiUk'>i> . 



DB VAL VAN SOBRIAN — 1874 355 

als dapper krijgsman, dan te leven te midden van hen die hij 
als <^€Christenhonden»T> verachtte; maar de genade die hij voor 
zich zelf niet verlangde, gaf hij ook zijn tegenstander niet en 
wee den soldaat die levend in zijne handen viel, want dan 
koelde de vijand zijne wraak op den weerlooze in de uitge- 
zochtste martelingen, en werd de zoo moedig strijdende Atjeher 
H een lafhartig en wreedaardig monster, een beul 
& Meer en meer werd de vijand van onze hoofdstelling terug- 
^ gedreven en door het oprichten van versterkte posten op een 
afetand gehouden, doch dan nestelde de volhardende en onver- 
schrokken Atjeher zich weder op betrekkelijk korten afstand van 
die plaatsen, den onzen geen rust latende, vóór hij weder de 
kracht van onzen arm gevoeld had en weder uit die nieuwe 
brandpunten verdreven was. 

Een van de hoofdstellingen des vijands, het centrum van 
kloeken wederstand en van waaruit alle ons nadeel aanbrengende 
tochten ondernomen werden, was de kampong Soerian, waar 
hij zich zoo geducht versterkte, de verschillende positien 
zoo doelmatig koos en zoo hardnekkig en onverschrokken stand 
hield, dat hij slechts met groote opoffering onzerzijds verslagen 
en daaruit verdreven kon worden, 

Daar ook onze gemeenschapsweg naar de zee, van waar wij 
de noodige voorraden aan levensmiddelen en krijgsvoorraad 
moesten ontvangen, van uit die kampong bedreigd werd en 
bovendien de bewoners van kampong Marassa, die onze zijde 
gekozen hadden, door den vijand veel overlast werd aangedaan 
en zij hunne daar gelegen rijstvelden niet konden bebouwen, 
besloot de bevelhebber den vijand daaruit te verdrijven en zelf 
die gewichtige kampong te bezetten, 

Den 26^ Juli 1874 rukte daartoe een troep uit, waarvan een 
deel als reserve en met een bepaald doel in ons bivak te 
Blang Oe achterbleef, terwijl de aanval op Soerian uitgevoerd 
zou worden door het overige van dien troep, een kolonne bestaande 
uit Europeanen, Amboineezen en Afrikanen ter sterkte van 
ongeveer 24 Officieren en 400 onderofficieren en manschappen 



366 DB YAL YAN 80CRUM — 1874 

onder bevel van den Majoor M. A. £. Phaff, Kommandantvan 
het Rechter-haif 2® Bataljon InfEUiterie. 

£erst om zes uur des morgens warende verschillende voorden 
tocht aangewezen troepenafdeelingen, die reeds des morgens om 
4 uur op marsch gegaan waren, in het bivak te Blang Oê 
bijeen, want hoe kort de afetand ook was, de onder water 
staande moerassige rijstvelden hadden den marsch te zeer ver- 
traagd en de troepen afgemat. 

Na eene rust van een uur, dus ten 7 uur des morgens, werd 
aan het ongeduld van onze naar den strijd hunkerende soldaten 
voldaan, en brak men op voor het eigenlijke doel vandentodit, 
dat it 600 meters verder gelegen was en dat reeds van af het 
krieken van den dag van uit Kota-Radja en Blang OS door de 
Artillerie krachtig onder vuur genomen was; dit vuur moest 
echter eenigszins op goed geluk a%egeven worden, daar van de 
positie en de sterkten des vijands slechts zeer weinig bekend was 
en eene verkenning, wegens het begroeide terrein waar hij zidi 
genesteld had, onmogelijk was. 

Het gevecht moest als 't ware tevens eene verkenning zijn, 
zoodat de aanvoerders met de grootste kalmte in het vuur de 
omstandigheden dienden te beoordeelen en snel en beslist hunne 
besluiten nemen, die door onze dapperen, gewoon te gehoor- 
zamen en vertrouwende op het beleid der Che&, onverschrokken 
en zonder eenig weifelen zouden worden uitgevoerd, terwijl de 
ondergeschikte officieren uit een wenk of een enkel kort bevel 
de bedoeling van den aanvoerder moesten b^;rijpen en dan door 
hun doelmatig optreden tot het algemeen succes medewerken. 

Als voorhoede rukte de 4® kompagnie van het Rechter-half 
2® Bataljon, onder den Kapitein A. W. H. Perelaer, vooruit, 
sterk 2 Luitenants, 36 Europeesche en 59 Afrikaansche onder- 
officieren en manschappen, benevens eene sectie Artillerie en 
eene sectie Mineurs en Sappeurs, onder himne respectieve officieren. 

De hoofdtroep, onder het bevel van den Kapitein D. H. P. 
Andrae van het Linker-half 3® Bataljon, bestond uit de 3* 



DB VAL VAN SOERIAN — 1874 357 

' kompagnie van het Rechter-haJf 2® Bataljon, even als de 4® kom- 

pagnie samengesteld uit Europeanen en Afrikanen, benevens de 

^ I® en 2* kompagnie van het Linker-half 3* Bataljon, zijnde 

\ Europeanen en Amboineezen , zoomede de rest van de Artillerie 

en de Mineurs met de noodige dekkingstroepen. 

Ten slotte volgde de achterhoede sterk i peloton Infanterie, 
waarbij de ambulance met i peloton Infanterie als dekking. 

Door de kampong Lamdjabat marcheerende , was het mogelijk 
de vijandelijke kampong Soerian tot óp een hondertal meters 
bedekt te naderen en de moerassige rijstvelden Ie vermijden, 
waarom dan ook die marschroute gevolgd werd, doch de troep 
kon slechts langzaam vooruit komen, want telkens moesten in 
de zware dichtbegroeide natuurlijke heggen, die den weg ver- 
sperden , door de Sappeurs openingen gekapt worden , vooral ook 
om de Artillerie in staat te stellen de kolonne te volgen. 

Eindelijk deboucheerde men uit den kampongrand op de 
open rijstvelden op circa 100 meter van den rand der kampong 
Soerian. 

Nauwelijks vertoonde zich onze spits, en tirailleur opgelost, op 
de sawah of zij werd met kanon- en geweervuur overstelpt, 
dat op beide flanken uit door den vijand opgerichte versterkingen 
werd afgegeven, terwijl echter in front, uit de kampong Soerian, 
geen enkel schot viel. Zonder zich aan dat vuur te storen en 
het beantwoorden daarvan overlatende aan de Artillerie, die 
daartoe onmiddellijk stelling nam, stormden de verschillende 
afdeelingen der voorhoede over de vlakte en nestelden zich in 
den kampongrand, het eerste doel van den tocht, doch daarna 
ook onmiddellijk terrein naar voren winnende. 

Kampoeng Soerian bleek even als Lamdjabat en andere vesti- 
gingen der Atjehers met zware heggen doorsneden te zijn; of- 
schoon de zon reeds vrij hoog stond en op de sawah oog- 
verblindend straalde en de huid verschroeide, vond men toch 
in de kampong door de welige plantengroei eene betrekkelijke 
koelte en een getemperd licht. 



368 DB VAL YAN 80XBUK — 1874 

Nog Steeds was uit de vijandelijke hoofdstelling geen 
gevallen, geen vijand vertoonde zich en langzaam verkennend 
ging de troep vooruit £r heerschte in de kampong overal eene 
drukkende en dreigende stilte, alleen afgebroken door het vuur- 
gevecht, dat op het pas door de voorhoede verlaten open terreb 
plaats had en daarom juist was die stilte, des te drukkende: en 
dreigender en eene stilte die onnatuurlijk was; allen hadden het 
besef, dat die rust eensklaps op eene vreeselijke wijze zonde 
verbroken worden en dat het eene kalmte was die den stom 
vooraf gaat , maar niemand wist met eenige zekerheid van wdke 
zijde het gevaar zou losbreken. 

De verwachting was ten hoogste gespannen, want dat ded^- 
pere Atjehers ons maar niet zoo kalm meester van het terrein 
zouden laten, was zeker, doch de onbekendheid van waar h^ 
woest en doodelijk in onzen opmarsch zoude ingrijpen werkte 
drukkend, omdat men in het onzekere rondtastte. 

Eindelijk hield de troep halt achter eene dubbele, zwaar be- 
groeide, levende heg, waardoor men alleen zien kon dat men 
aan den grens was eener niet zeer breede grasvlakte. Wat aan de 
overzijde daarvan lag was niet waar te nemen, want daarb^n 
weer het hooge geboomte met welig groeiend struikgewas aan 
den voet 

Ijlings werden openingen in de heg gekapt en betrad de 
voorhoede de grasvlakte, gereed om en Hrailleur te avanceeren, 
doch nauwelijks was die voorwaartsche beweging begonnen of 
eensklaps werd de doodelijke en drukkende stilte verstoord en 
brak van de overzijde der vlakte onder woest en uitdagend 
gegil des vijands een helsch en oorverdoovend kanon- en geweer- 
vuur los, dat terstond eenige dapperen uit de tirailleur-linie ter 
aarde deed storten. 

Hoe plotseling ook afgegeven, toch verrastte dat vuur den troep 
niet , want men had dat verwacht , ja zelfs werkte het opwekkend 
op de dappere manschappen, omdat men nu wist waar de vijand 
zat, en men hem nu in tastbaren vorm voor zich had. 

Wat echter achter dien boschrand gelegen was, kon de aan- 



DB VAL YkS SOBBIAN — 1874 359 

voerder van de voorhoede niet zien, doch weifelen mocht hij 
niet en oogenblikkelijk moest hij eene beslissing nemen. Onder 
het overstelpend vuur van een onzichtbaren vijand staan blijven 
waar men was , was onmogelijk wegens de vele nuttelooze verliezen 
die dan geleden zouden worden in die ongedekte stelling, van 
teruggaan kon geen sprake zijn, want vooruit, daar waar de 
vijand genesteld was, daar lag het doel. 

Daarom besloot de Kapitein Perelaer, vertrouwende op den 
moed zijner braven en wetende dat het hun eenigen wensch was 
om den vijand van nabij onder de oogen te zien, den tegen- 
stander onverwijld met het blanke wapen, de bajonet, aan te 
grijpen en te verdrijven. 

Als een triomfgeroep boven het zware geschutvuur en de rate- 
lende geweersalvo's , en als een donderend antwoord op 's vijands 
uitdagend geschreeuw, klonk zijn kommando <^<^AttakeeremT^ , en 
met een eenstemmig €hoera» daarop antwoordende, stormde de 
kleine troep met de gevreesde bajonet vooruit over de vlakte, 
den boschrand die vuur en lood braakte te gemoet. 

Daar gekomen bleek het helaas dat de vijand niet te bereiken 
was, want hij had zich genesteld in eene versterking met hooge 
steile aarden wallen, die door eene zeer breede laag bamboe-doerie 
en door talrijke rijen randjoe's stormvrij gemaakt was, en die onover- 
komelijke versperring de versterking aan alle zijden omringde. 

Woest en uitdagend was ^s vijands geschreeuw en gegfl toen 
de kleine strijdlustige troep onder zijn werkzaam vuur aan alle 
kanten te vergeefsch een toegang in die hindernis zocht, en overal 
stuitte op dien ondoordringbaren muur van bamboe-doerie. 

Terstond gingen de soldaten met den meesten ijver aan het 
werk, om die hinderlijke versperring op te ruimen, terwijl eenige 
schutters op eene nabij gelegen hoogte opgesteld werden, om door 
hun vuur de bezetting der sterkte eenigzins in toom te houden. 

Eensklaps verhief zich uit het dappere troepje een kreet van 
verbazing en schrik , een kreet die door de vijandelijke bezetting 
met uitdagend jubelgeschreeuw en gegil beantwoord werd. 

Er was een der Officieren aan de andere zijde der versperring 



dOO DB YAL VAN 80XBUK — 1874 

verschenen, zich geheel alleen tegen de stefle vijanddijke bont- 
wering naar boven werkende en dus alleen de sterkte bestormende, 
en in den ondernemer van dat dol koene en roek^ooze waagstuk 
herkenden allen den zoo algemeen beminden, jongen Luitenant 
F. van der Zee. 

Hij had onder de versperring door eene opening of gang ge- 
vonden, en gewoon overal door zijn soldaten gevolgd te wordeO} 
was hij voortgekropen zonder om te zien en zonder te waar- 
schuwen , er slechts aan denkende den tegenstander aan te vallen. 

Brullende van woede en spijt liepen zijne soldaten, de donker 
zwarte Afrikanen rond, zoekende naar dien doorgang , doch het 
was alsof de versperring zich weder achter den voortvarenden 
Of&der gesloten had; onmachtig om hem daadwerkelijk bij te 
staan, moesten allen toeschouwers blijven bij het drama datzid) 
ging afspelen , want met hoeveel spoed zij ook werkten , zij zouden 
toch te laat komen, omdat die ongelijke strijd van één tegen eene 
geheele bezetting natuurlijk in een zeer kort oogenblik beslist 
moest zijn. 

Boven gekomen richtte van der Zee zich tiotsch in zijn volle 
lengte op en staarde onverschillig in de versterking van waaruit 
hem? tal van schoten werden toegezonden en de vijanden den een- 
zamen held als razenden met lans en klewang aanvielen, hem reeds 
als eene zekere prooi beschouwende. Als eene machtige verschij- 
ning stond die jonge Of&cier daar in een wolk van kruitdamp, te 
midden van dreigende lansen en klewangs, niet alleen de aanvallen 
zijner hem woest aangrijnzende wreede en woedende tegenstanders 
met zijn eenig wapen, zijn zwaard afwerende, maar ook nu en 
dan zelf aanvaller wordende, wat menigeen de kracht van zijn 
arm deed gevoelen. 

Toen hij aan den rechter arm gewond was en nu daarmede 
het zwaard niet meer kon voeren, nam hij dat geduchte wapen in de 
linkerhand en zette den strijd voort , aan geen teruggaan denkende. 

En buiten de versperring was men wel vol bewondering, doch 
verbeet zich van woede, omdat men machteloos was om te 
helpen en zoo den braven makker en chef aan zijn lot moest overlaten. 



DB VAL VAN SOEBIAN — 1874 861 

Verzwakt door bloedverlies dat uit zijne talrijke wonden vloeide , 
iMrankelde de dappere en een oögenblik scheen het als zou hij 
voorover in de versterking vallen te midden der fanatieke bende , 
die hem dan duizend dooden zoude hebben doen sterven. AUer 
harten stonden vol ontzetting stil, doch eensklaps ging er een zucht 
van verlichting uit aller borst op, want gelukkig stortte hij, 
hetzij door een toeval, hetzij zooals sommigen beweren door 
«en toegebrachten lansstoot achterover van de borstwering en viel 
naar buiten aan den voet der versterking, wel nog van zijn troep 
gescheiden door de versperring, doch oogenblikkelijk buiten 
'svijands bereik, en terstond gingen de manschappen weder met 
verdubbelden ijver aan 't werk om de versperring op te ruimen, nu 
nog aangespoord door de begeerte om hun dapperen Luitenant 
te redden of te wreken. *) 

Ondertusschen had de kolonne Kommandant, de Majoor Phaff , 
die zich terstond bij zijne hevig in actie zijnde voorhoede had 
gevoegd, den last gegeven om den Hoofdtroep te doen oprukken 
en weldra deboucheerde de kleine kolonne op de vlakte, met 
de 3® kompagnie van Jiet Rechter-half 2® Bataljon, (Europeanen 
en Afrikanen) aan 't hoofd en vooraan het Vaandel van het 
Bataljon, gedragen door den adjudant-onderofficier B. van Weenen f). 

Een ontzettend kanon- en geweervuur uit de versterking ontving 
de versch aanrukkende troepen, zoodat menig soldaat dood of 

*) Luitenant T. van der Zee had b^ dat gevecht een schot in den rech- 
terarm, een schot in de linkerborst en tal van lans- en klewang houwen 
ontvangen. Wel herstelde hg van die talryke wonden, dank zg de goede ver- 
pleging en zgne yzersterke natuur, doch voor den Militairen dienst was hg 
voortaan ongeschikt Zgn schitterende carrière was gebroken, doch de degelgke, 
energieke Officier wist zich eene nieuwe te scheppen waarin hg zgn ouden 
roem handhaafde, en het laatst als Burgemeester van Enschede alom in den 
Lande bekend , en door onze beminde Koningin hoogelgk gewaardeerd werd. 

t) Het gewone Bataljons- Vaandel was dien dag niet medegenomen, omdat 
de Adjudant-Vaandeldrager, nog pas van eene ziekte hersteld, niet sterk 
genoeg geacht werd om het zware Oranje- Vaandel te dragen en hg toch 
ook niet gaarne van de gevaren uitgesloten was. Men nam daarom de 
lichtere Bataljons- vlag, de Driekleur mede. 



362 DB VAL YAN 80KBIAM — 1874 

gewond ter aarde stortte, doch geen oogenblik staakte de troep 
zijn marsch en rukte vastberaden voorwaarts voora%egaan door 
de geliefde Driekleur, die te midden van den kogelregen, door 
den wind zacht bewogen, vroolijk wapperde. 

Eensklaps verdwijnt 't Vaandel en valt ter aarde, een lilla- 
kogel had den stok in tweeën geschoten, doch even snel heeü 
de vaandeldrager zich gebukt en onder den uitroep, ««mfii am 
is iang genoegt Vooruit/ Hoera h* heft hij de roemrijke DrieUeur 
zoo hoog mogelijk op, en de dapperen, juichend met dien kreet 
instenmiende , volgden den weg die het Vaandel hun wijst 

Helaas ! Slechts een paar passen had men gedaan toen de 
Vlag ten tweeden male ter aarde zonk; nu was ook, dicht nabij 
de vijandelijke sterkte, de dappere vaandeldrager gewond, ee& 
kogel had hem de borst doorboord. Het Vaandel ontviel aan 
zijne machtelooze hand, die het nog een oogenblik te voren loo 
trotsch had vooruitgedragen, doch met eene laatste poging richtte 
hij dat palladium weder op , geeft het hem toevertrouwde kleinood 
aan een ander, opdat 't symbool van 't Vaderland zich onv^- 
poosd voor 's vijands oog vertoonen zoude, roept uit <€voomt 
Jongens! vecht maar goed h> en zinkt daarop machteloos ter aarde, 
een laatsten blik werpende op de heerlijke Driekleur, waarmede 
hij aan zijne makkers zoo onverschrokken den weg naar roem 
en eer had gewezen en die nu door een ander gedragen, op 
de vijandelijke veste zou worden geplant. '*') 

Na de aankomst van den hoofdtroep werd de vijandelijke 
sterkte geheel omsingeld en aan de bezetting zoo alle gelegenheid 
tot ontsnapping benomen; alle handen die beschikbaar waren 
werden nu aan 't werk gezet om de versperring op te ruimen. 

Aan de achterzijde waren de Mineurs, onder den i® Luitenant 
H. A. G. van Dentsch, het eerst met hurme taak gereed en 

*) Langzaam genas van Weenen van de verschrikkelijke verwonding, 
doch was voor den vervolge ongeschikt voor den Militairen dienst. Thans 
is hy een zeer geacht burger van Tiel, waar een ieder den dappere kent 
en eert 



DB VAL VAN 80ERIAM — 1874 363 

Stonden toen tegenover eene uit zware balken samengestelde 
poort Zonder weifelen gaat de Luitenant van Dentsch zijne 
mannen voor en met een bijl gewapend begint hij terstond de 
balken der poort stuk te hakken, zoodat de houtsplinters tusschen 
de kogels in 't ronde vliegen, want de Atjeher liet zich hier 
ook niet onbetuigd en trachtte met geweervuur, klewanghouwen 
en lanssteken de dappere Mineurs te verdrijven, waardoor van 
't kleine troepje één mindere sneuvelde en zes min of meer 
ernstig gewond werden, echter zonder dat zij, door hun Officier 
voorgegaan, het werk op dit werkelijk warme plekje een oogen- 
blik staakten. 

Dit bemerkende schoot de i* Luitenant J. van der Wijk met 
zijne manschappen toe, legde eigenhandig met zijn revolver 
eenige vijanden neer, doch werd daarbij zelf ernstig gewond. 

Ondertusschen had de bevelhebber, die zag dat de opruiming 
spoedig zoover gevorderd zoude zijn dat een algemeenen storm 
den aanval kon beslissen, de vijandelijke bezetting toegeroepen 
dat zij geheel ingesloten was en zich dus moest overgeven, 
want hij begreep, dat als de bestorming plaats had, het gevecht 
dan uitterst moorddadig zou zijn en slechts met de geheele ver- 
nietiging des vijands zou eindigen, maar ook aan ons veel bloed 
zoude kosten. 

De Atjeher moge wreed en bloeddorstig zijn, doch zijn per- 
soonlijken moed en zijne doodsverachting zijn groot in sommige 
oogenblikken, want met de zekerheid van den ondergang voor 
oogen, daar geen andere uitkomst mogelijk was dan overgave of 
dood, gaf de geheele bezetting eenstenmiig een antwoord, 
Cambronne, de Fransche held van Waterloo, waardig; zij weigerde 
kortaf elke genade en daagde den aanvaller tot het handgemeen 
uit, de voorkeur gevende aan een roemvoUen dood, daarbij den 
vijand tot het laatste oogenblik zooveel mogelijk schade toe- 
brengende, boven eene overgave hoe eervol ook. 

Geen witte vlag werd geheschen en van beide zijden bereidde 
men zich vastberaden voor op een verwoeden strijd van man 
tegen man, terwijl daarbij de Afrikanen het voorkomen hadden 



864 DB YAL YAM 80IBIAN — 1874 

als gingen zij naar een feest, zoo vroolijk en levenslustig mo^ 
digden zij elkander aan. 

Daar klonk het signaal €€attaieeren»9 boven het rumoer van 
den strijd en als één man stormden de aanvallers juichend 
vooruit en beklommen de borstwering. 

Met de eersten op den top gekomen, riep Majoor Fhaff 
de verdedigers nogmaals toe zich over te geven, doch ten 
tweeden male wierp de bezetting alle genade ver w^ en beant- 
woordde die milde voorstellen met een moorddadig geweervunr 
en 't uitdagend zwaaien der verschrikkelijke klewangs. 

Eén salvo slechts gaven de aanvallers op den in een ver- 
warden hoop in de kleine ruimte saamgeschoolden vijand en 
daarna sprong alles met de bajonet vooruit de versterking binnen. 

Wat er toen plaats had is moeielijk te beschrijven. 

Een verwarden hoop mannen die staken en hakten, waaib^ 
geen enkel geluid dan alleen de zware ademhaling en hier oi 
daar een woedenden uitroep gehoord werd, vermengd met het 
geklikklak van staal op staal, en toen eindelijk de bloedige 
worsteling was afgeloopen, lagen 98 vijanden ui^estrekt op den 
met bloed doorweekten grond, naast tal van aanvaUers, want de 
zege was bevochten ten koste van vele ofifers. 

Een opgewerkt €hoera* klonk uit de borst der overwinnaars 
hoe afgemat zij ook waren en hoe zij ook hijgden van den 
bloedigen strijd, en de schetterende tonen van het Wilhelmus 
verkondigden luid de roemrijke overwinning behaald onder Neêr- 
land's Driekleur, die vroolijk van de veroverde wallen wapperde. 

Het gevecht en de inneming van Soerian was wel een der 
glorierijkste, maar tevens ook een der bloedigste gevechten uit 
dat tijdperk van den oorlog, want van onze zijde werden daarbij 
8 minderen gedood, benevens 4 Officieren en 68 minderen ge- 
wond, van welke laatsten nog 5 binnen twee dagen aan himne 
vreeselijke wonden bezweken. 

De Europeanen en Amboineezen hadden daarbij hun ouden 
roem van dapperheid en doodsverachting gehandhaafd , en de 



DB VAL VAN SOBSIAN — 1874 365 

I kranige Afrikanen toonden dat zij voor hunne brave makkers niet 

onderdeden. 
[ Van dien dag af waren de zwarte Europeanen *) den schrik van 
de Atjehers, die, hoe vermetel zij ook waren, in volgende 
gevechten spoedig hun heil in de vlucht zochten, als die vree- 
selijke zwarten, woest brullend en ontembaar vooruitstormden, 
alsof strijden en dooden hun eenigen wellust was , want daar waar 
de Europeaan en de Amboinees nog eenigzins beheerscht worden 
door beschaving en menschlievendheid en onmiddelijk gehoor- 
zamen aan de bevelen der Officieren, daar kenden de Afrikanen, 
eenmaal losgelaten, geen terugtocht of genade meer en waar zij 
doordrongen met bajonet of mes , daar werd him weg geteekend 
door gevallen vijanden. 

De Afrikaan eindigt dan alleen den strijd als er niemand 
meer te bestrijden valt f) 

Van de twee half Afnkaansche en half Europeesche kompag- 
niën van het Rechter-half 2* Bataljon Infanterie, ter gezamentlijke 
sterkte van 8 Officieren, 71 Europeanen en 112 Afrikanen, 
werden 3 Officieren gewond, 5 Europeanen en 3 Afrikanen ge- 
dood, benevens 24 Europeanen en 25 Afrikanen gewond, waar- 
van sommigen twee of drie wonden hadden bekomen en nog 3 
aan hunne wonden overleden, zoodat de beide kompagniën 
alleen 75 pCt van het totale verlies der geheele kolonne voor 
hunne rekening hadden, terwijl hunne gevechtssterkte slechts ^ 
van het geheel was. 

De val van Soerian had de krijgsgeschiedenis van het brave 
Indische Leger weder met eene glorierijke bladzijde verrijkt en 
den roep van moed, volharding en doodsverachting van Neêrland's 
dapperen weder andermaal bevestigd. 

*) De Inlander noemt den Afrikaan: „Orang blanda itam", „Zwarte 
Europeaan". 

f) Wel is de Afrikaan ontembaar woest als eerst 't kommando atta- 
keeren gegeven is , doch dat h\j belust zoude z^n op het bloed der door hem 
gedoodden is eene fabel, ten minste voor hen die tot ons leger behooren, 
en is eene aantgging die dappere betrouwbare makkers onwaardig. 



INHOUD 



Blz. 
Inleiding 1 

Algemeen overzicht U 

Chronologische opgave van de oorlogen, onlusten en opstanden 

in Indië van 1816—1901. 
Aantal benoemde leden in de Militaire Willemsorde. 
Eenige eminente bevelhebbers en aanvoerders in Indië. 

De Eerste Ridders der Militaire Willemsorde van het Indische Leger . 23 

De adelborst F. X. R. 't Hooft redt Neerland's vlag (Saparoea); 1817 27 

Drie helden voor Palembang (Pladjoe en Gombora); 1821 34 

De Kapitein der Artillerie A. W. R. Gkü van Pittius 39 

De Luitenant der Infanterie K. J. A. W. Sghbnck 40 

De Sergeant-majoor der Infanterie T. B. Vkltbian 43 

Eene heldendaad van den Luitenant-Kolonel der Infanterie H. J. J. L. 
DE Stuers op Bomeo's Westkust (Lara); 1823 45 

De bestorming van Tanette (Celebes) door den Majoor der Infanterie 
M. G. C. Baron van Cobhoorm van Houwerda; 1826 52 

Onverschrokken gedrag van den Luitenant der Infanterie J. 5. Roeps 
in den Java-oorlog; 1828 62 

Ruitergevecht aan de Progo en schitterende vervolging van Diepo 
Negoro in den Java-oorlog door den Luitenant-Kolonel der Infanterie 
B. Sollewün; 1829 72 

Heldhaftige verdediging van het fort te A^jer Bangies (Westkust 
Sumatra) door den Europeeschen flankeur A. Bernard; 1831 . . . 79 

De roemrijke terugtocht van den Luitenant-Kolonel der Infanterie F. 
Vermeulen Kriegkr van Pisang naar Koriri (Sumatra's Westkust) ; 1833 87